ECLI:NL:HR:2002:AF0585
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- H.A.M. Aaftink
- O. de Savornin Lohman
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt vonnis over ontslag door geestelijk gestoorde werknemer
De zaak betreft een werknemer die sinds 1 maart 1988 in dienst was en op 17 oktober 1997 tijdens een gesprek ontslag nam, wat schriftelijk werd bevestigd. De werknemer stelde dat hij door een psychiatrische stoornis niet in staat was zijn wil te bepalen en vernietigde het ontslag. De Kantonrechter wees de vorderingen af, maar de Rechtbank Alkmaar kende in hoger beroep loon toe over de periode november 1997 tot maart 2001.
De Hoge Raad oordeelt dat het ontslag onder invloed van een geestelijke stoornis is genomen en dat het nadelig was voor de werknemer, waardoor het wettelijke vermoeden van art. 3:34 BW Pro van toepassing is. Het beroep van de werkgever op gerechtvaardigd vertrouwen (art. 3:35 BW Pro) faalt omdat geen nadeel aan haar zijde is vastgesteld dat voortvloeit uit dat vertrouwen.
De Hoge Raad stelt echter vast dat de Rechtbank het beroep op matiging van de loonvordering door de werkgever niet heeft behandeld, wat een schending van de taak als appelrechter inhoudt. Daarom vernietigt de Hoge Raad het vonnis en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de Rechtbank en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.