ECLI:NL:PHR:2024:443

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 april 2024
Publicatiedatum
18 april 2024
Zaaknummer
22/01765
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor winkeldiefstal van levensmiddelen

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens winkeldiefstal van levensmiddelen ter waarde van €41,33 bij een Albert Heijn in Warmenhuizen op 7 november 2020. Het hof baseerde de bewezenverklaring op camerabeelden, verklaringen van getuigen en verbalisanten, waaruit bleek dat verdachte goederen in een boodschappentas stopte en deze niet betaalde.

De verdediging voerde in cassatie aan dat het hof onvoldoende had gemotiveerd welke goederen precies waren weggenomen en dat het verweer dat verdachte de goederen terug had gezet in de winkel onvoldoende was onderzocht. De Hoge Raad overwoog dat het niet vereist is om alle gestolen goederen afzonderlijk te bewijzen zolang duidelijk is dat goederen zijn weggenomen. Het hof had de geloofwaardigheid van de verklaring van verdachte terecht beoordeeld aan de hand van de camerabeelden en overige bewijsmiddelen.

De Hoge Raad concludeerde dat het middel faalt en dat het arrest van het hof niet vernietigd kan worden. De veroordeling tot een geldboete met subsidiaire hechtenis blijft in stand. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor winkeldiefstal en wijst het cassatieberoep af.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/01765

Zitting23 april 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 10 mei 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens onder 2 “diefstal” veroordeeld tot een geldboete van € 450,00, subsidiair 9 dagen hechtenis, waarvan voorwaardelijk een geldboete van € 250,00, subsidiair 5 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte heeft S.W.M. Stevens, advocaat in Den Haag, één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel bevat twee klachten over de bewezenverklaring. Voordat ik deze klachten bespreek, geef ik de bewijsvoering van het hof weer.
4. Aan de verdachte is onder 2 tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 7 november 2020 te Warmenhuizen, gemeente Schagen een hoeveelheid levensmiddelen (ter waarde van 41,33 euro), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan Albert Heijn, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen”.
5. Daarvan is bewezenverklaard dat:
“hij op 7 november 2020 te Warmenhuizen, gemeente Schagen, een hoeveelheid levensmiddelen die geheel aan een ander toebehoorde, te weten aan Albert Heijn, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen”.
6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van aangifte van 7 november 2020 […].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 7 november 2020 door [aangever] ten overstaan van verbalisant afgelegde verklaring:
Op 7 november 2020 was ik in de Albert Heijn aan het Theresiaplein 8 te Warmenhuizen. Op zaterdag 7 november 2020 omstreeks 15:35 uur, herkende een werknemer van mij een winkeldief van een eerdere winkeldiefstal. Deze werknemer zat achter kassa 3. Hij zag de man bij kassa 4. Toen mijn werknemer deze man herkende heeft hij zijn teamleider hierop geattendeerd. Ik kan de man als volgt omschrijven:
Man
Ongeveer 35 a 40 jaar
Lang en breed postuur
De man droeg sneakers en had een blauwe bigshopper bij zich. Deze bigshopper hing aan de winkelwagen die bij zich had. De man was samen met een vrouw in de winkel. Op zaterdag 7 november om 15:38 passeerde de man met de blauwe bigshopper kassa 4. Bij het passeren van de kassa betaalde hij niet voor de goederen in de blauwe bigshopper.
2. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 7 november 2020 […].
Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in als de door [getuige] ten overstaan van voornoemde verbalisant afgelegde verklaring:
Ik ben werkzaam bij de Albert Heijn. Deze Albert Heijn is gevestigd aan het Theresiaplein 8 in Warmenhuizen, gemeente Schagen. Vandaag, zaterdag 7 november 2020 omstreeks 15.30 uur, bevond ik mij in de Albert Heijn.
Omstreeks voornoemd tijdstip zag ik een man de winkel binnen komen lopen. Ik herkende de man van een eerdere winkeldiefstal. Ik zag dat hij met een winkelwagen van de Albert Heijn naar binnen ging. Ik zag, op het gedeelte waar een kind kan zitten, een blauwe tas staan. Het leek op een grote Albert Heijn tas. Ik zag dat deze tas in elkaar gekreukeld op het zitje stond. Voor zover ik zo kon zien leek de tas leeg. Ik zag dat er achter de man ook een vrouw de winkel in kwam. Ik zag dat zij achter de man de winkel in ging en dat zij samen door de winkel liepen. Ik zag ook dat ze met elkaar in gesprek waren. Ik zag niet veel later dat de man en vrouw naar de kassa kwamen. Ik zag dat de man voorop liep en dat de vrouw achter hem aan liep. Ik zag dat zij beiden goederen op de transportband legden en dat de vrouw uiteindelijk deze goederen betaalde. Echter, ik zag dat de tas die ik eerder heb omschreven, gevuld was met ik vermoed goederen van de Albert Heijn. Ik zag dat de man de kassa passeerde zonder voor deze goederen te betalen.
3. Het hof heeft de zich in het dossier bevindende Cd-rom, inhoudende de camerabeelden gemaakt bij de Albert Heijn te Warmenhuizen op 7 november 2020, ter terechtzitting afgespeeld. Het hof heeft daarbij een eigen waarneming gedaan.
De
eigen waarneming van het hofhoudt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
De verdachte pakt een fles wijn uit het schap. De verdachte vervolgt zijn weg door de supermarkt en pakt vervolgens twee potten rode saus. De fles wijn ligt op dat moment in de kar. De verdachte verplaatst de fles wijn vervolgens vanuit zijn winkelwagen naar de boodschappentas die hieraan hangt. Op de beelden bij de kassa zijn de fles wijn en de potten saus niet op de toonbank te zien. De verdachte legt geen goederen op de band. In de blauwe tas aan de kar van de verdachte zitten goederen.
[4.] De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 10 mei 2022.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik ben de persoon op de beelden.”
7. Het hof heeft het verweer met de strekking dat de verdachte moet worden vrijgesproken als volgt weergegeven en verworpen:
“De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe - kort gezegd - het volgende aangevoerd:
Het is niet mogelijk om de door de verdachte gebruikte boodschappen tas te vullen met de producten op de bon, zonder dat deze zou uitpuilen van de spullen. Dit heeft de verdachte met een demonstratie hier ter zitting duidelijk gemaakt. Als de verdachte daadwerkelijk zoveel spullen in zijn tas zou hebben gestopt, dan had hij niet zo diep in zijn tas hoeven grijpen om de pakken kipfilet die hij aan de kassière overhandigde te kunnen pakken. De betreffende pakken kipfilet zouden dan al op de beelden te zien moeten zijn op het moment dat de verdachte bij de kassa aankomt. Dit is echter niet het geval. De tas was op een andere boodschappentas en de twee kilo kipfilet na, helemaal leeg.
Daarnaast is op de camerabeelden is te zien dat de verbalisant met zijn telefoon een video maakt, terwijl door de medewerker van de Albert Heijn wordt geselecteerd welke beelden deze verbalisant mag opnemen. In de rechter kantlijn is te zien dat er camera’s zijn gericht op vrijwel alle gangen van de winkel. Met deze beelden had kunnen worden aangetoond dat het klopt wat de verdachte zegt. Hij overlegt regelmatig met zijn vrouw en als hij producten uit zichzelf heeft gepakt die toch niet nodig blijken te zijn, dan legt hij deze terug op de plek waar hij op dat moment is. Zo is de fles wijn niet terug gelegd in het schap van de wijnen, maar elders in de winkel, aldus de raadsman.
Het hof overweegt als volgt.
Blijkens het proces-verbaal van 10 november 2020 hingen in het betreffende filiaal van de Albert Heijn op 7 november 2020 een achttiental camera’s op strategische plekken. Ter terechtzitting in hoger beroep zijn de camerabeelden van 7 november 2020 bekeken. De verdachte heeft zichzelf hierop herkend. De suggestie van de verdediging dat, zo begrijpt het hof het verweer, door de verbalisanten slechts een selectie gemaakt is/mocht worden van de camerabeelden vindt zijn weerlegging in het proces-verbaal van bevindingen van 8 november 2022 van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (pagina 16) waarin het ophalen van de camerabeelden is vastgelegd en waaruit een dergelijke beperking niet blijkt.
Het hof heeft op de camerabeelden waargenomen dat de verdachte o.a. een fles wijn in zijn kar legt en twee potten rode saus in de kar van zijn echtgenote, welke hij later bij de kassa niet op de toonbank plaatst. De beelden tonen voorts dat de verdachte de fles wijn in de winkel vanuit zijn winkelkar naar zijn boodschappentas verplaatst. Tot slot heeft het hof waargenomen dat in de tas die aan de boodschappenkar van de verdachte hangt, duidelijk goederen zitten op het moment dat hij langs de kassa loopt. De verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij de goederen zou hebben teruggelegd, acht het hof gezien de camerabeelden ongeloofwaardig en in strijd met wat op de beelden wordt waargenomen, daar waar uit het proces-verbaal van bevindingen van 9 november 2020 van [verbalisant 3] (pag. 19 e.v.) naar aanleiding van het uitkijken van de camerabeelden blijkt dat alle handelingen van de verdachte zijn beschreven (filmpje 1: ‘Daarna zie ik hem op wat verspringende beelden in een andere gang lopen, waarbij ik hem wel herken maar hem geen handelingen zie verrichten.’; filmpje 2: ‘Alle hiervoor genoemde fragmenten vormen tezamen een opvolgend geheel, waarbij de verdachte is gevolgd. Hierbij is te zien, dat hij alleen is en nergens een door hem gepakt en in zijn kar en/of tas gestopt artikel ergens in de winkel teruglegt.’).
Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.”
8. De eerste klacht houdt in dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsmiddelen volgt, althans ontoereikend is gemotiveerd. Daartoe wordt aangevoerd dat – gelet op de bewijsoverwegingen van het hof – het ervoor moet worden gehouden dat de bewezenverklaarde weggenomen goederen een fles wijn en twee potten rode saus betreffen. Uit het arrest zou in elk geval niet volgen dat de verdachte méér of andere goederen heeft weggenomen. Met betrekking tot de twee potten rode saus zou uit de bewijsvoering evenwel alleen volgen dat de verdachte ze in de winkelwagen van zijn echtgenoot heeft gelegd en dat ze niet op de toonbank te zien zijn geweest.
9. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte een hoeveelheid levensmiddelen die toebehoorde aan Albert Heijn heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen. Met de steller van het middel meen ik dat het hof inderdaad niet is uitgegaan van de diefstal van slechts één product. De strafmotivering houdt immers in:
“De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal door verschillende goederen uit de supermarkt in zijn boodschappentas te stoppen en deze vervolgens niet ter betaling aan te bieden bij de kassa.”
10. Anders dan de steller van het middel meen ik evenwel dat de hoeveelheid levensmiddelen die het hof heeft bewezenverklaard zich niet noodzakelijk beperkt tot een fles wijn en twee potten rode saus. Uit de bewijsoverweging volgt immers dat het hof op de camerabeelden heeft waargenomen dat de verdachte “o.a. een fles wijn” in zijn kar legt en twee potten rode saus in de kar van zijn echtgenote, die hij later bij de kassa niet op de toonbank plaatst. Uit bewijsmiddel 2 blijkt verder dat de verdachte bij het binnengaan van de winkel een tas op zijn winkelwagen had die in elkaar gekreukeld op het zitje stond en leeg leek, en dat die tas bij het verlaten van de winkel gevuld was met goederen. Daarnaast blijkt uit bewijsmiddel 3 dat de verdachte een fles wijn vanuit zijn winkelwagen naar de boodschappentas heeft verplaatst, dat de verdachte voor het verlaten van de winkel geen goederen op de band heeft gelegd en dat bij het verlaten van de winkel in de tas aan de kar van de verdachte goederen zaten. Dat uit de bewijsmiddelen alleen de wegnemingshandeling van specifiek een fles rode wijn kan worden afgeleid, zoals door de steller van het middel naar voren wordt gebracht, doet aan het voorgaande niet af. Daarbij teken ik nog aan dat voor een bewezenverklaring van winkeldiefstal niet hoeft te worden vastgesteld welke goederen precies zijn weggenomen, als maar blijkt dat één of meer goederen zijn weggenomen. [1]
11. De tweede klacht houdt in dat het hof het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. In de schriftuur wordt aangevoerd dat de verdediging een alternatieve lezing van de gebeurtenissen heeft gegeven – ik leid uit de schriftuur af dat daarbij wordt gedoeld op het verweer dat de verdachte de goederen zou hebben teruggezet elders in de winkel – die strijdig is met de bewezenverklaring, maar niet met de bewijsmiddelen. Daarom zou de mogelijkheid zijn opengebleven dat de verdachte niet heeft gedaan wat is bewezenverklaard. Daarbij wordt aangevoerd dat onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig is.
12. Bij de beoordeling van de klacht is van belang dat de feitenrechter beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent, en dat hij beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal in beginsel niet hoeft te motiveren. In cassatie kan de Hoge Raad onderzoeken of de conclusies van feitelijke aard, die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden in de bewijsmiddelen, begrijpelijk zijn. [2]
13. Met het oog daarop leidt ook deze klacht niet tot cassatie. Uit de vaststellingen van het hof volgt dat de verdachte met een lege tas de winkel binnenging, dat op de beelden zichtbaar is dat hij in ieder geval een fles rode wijn in de winkel in zijn tas heeft gedaan, en dat in de tas bij het verlaten van de winkel goederen zaten terwijl hij geen goederen op de band heeft gelegd. Het daarop gebaseerde oordeel over de ongeloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte dat hij weliswaar goederen in zijn tas heeft gestopt maar die vervolgens (allemaal) in de winkel heeft achtergelaten, is niet onbegrijpelijk. Dat oordeel kan in cassatie verder niet worden getoetst.

Slotsom

14. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
15. Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie in dit verband
2.HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:498, r.o. 2.2.