Conclusie
1.Aeroport Belbek LLC,
Russische Federatierespectievelijk
Belbek c.s.en verweerders individueel als
Belbeken
[verweerder 2].
1.Inleiding en samenvatting
Privatbank), zaak 22/03901 (
Everest c.s.) en zaak 22/03902 (
Naftogaz c.s.). In deze zaak en in de zaak
Privatbankheeft het scheidsgerecht dezelfde samenstelling. Dat scheidsgerecht heeft een tussenvonnis over zijn bevoegdheid en een gedeeltelijk eindvonnis over de gegrondheid van de vorderingen gewezen. Het oordeel over welke specifieke investeringen zijn beschermd en wat de hoogte is van de schadevergoeding voor hun onteigening, is aangehouden tot de kwantumfase van de arbitrage en loopt op dit moment nog. In de derde zaak,
Everest c.s., is een arbitraal eindvonnis gewezen en de vernietigingsprocedure is daartegen gericht. In de laatste zaak,
Naftogaz c.s.,heeft het scheidsgerecht een gedeeltelijk eindvonnis (
Partial Award) gewezen; één arbiter heeft een
dissenting opiniongegeven. In april 2023, hangende de cassatieprocedure, heeft het scheidsgerecht in die zaak eindvonnis gewezen, opnieuw bij meerderheid.
Naftogaz c.s.heeft het hof het aangevochten deelvonnis ‘voor alle zekerheid’ vernietigd, namelijk voor zover het scheidsgerecht zich ook bevoegd heeft geacht ten aanzien van investeringen die zijn gedaan vóór 1 januari 1992.
Privatbanken in de zaak
Naftogaz c.s.het principaal cassatieberoep van de Russische Federatie moet worden verworpen. Het hof heeft op juiste gronden geoordeeld dat het scheidsgerecht zich terecht bevoegd heeft verklaard. Alleen in de zaak
Everest c.s.concludeer ik tot vernietiging. Dat heeft te maken met de beoordeling van door de Russische Federatie aangevoerde bezwaren over de wijze waarop
Everest c.s.enkele vastgoedobjecten indertijd hebben verkregen. Ik acht in die zaak enkele feitelijke oordelen van het hof onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd in het licht van de gedingstukken.
Naftogaz c.s.onvoorwaardelijk en in de zaken
Privatbanken
Everest c.s.voorwaardelijk ingesteld. Ik behandel in alle vier de zaken het incidenteel cassatieberoep en concludeer steeds tot verwerping ervan.
territory’in een situatie waarin tussen de twee verdragsstaten feitelijk de landsgrens is verlegd waardoor een investering in de rechtssfeer van de andere verdragsstaat is gekomen. In het verlengde daarvan is betwist of het scheidsgerecht een oordeel heeft gegeven omtrent het soevereiniteitsconflict over de Krim. Ten tweede is dat de vraag hoe moet worden bepaald of onteigende vermogensbestanddelen door de Oekraïense investeerders legaal waren verkregen. In het verlengde van die laatste vraag is alleen in de zaak
Everest c.s.concreet aan de orde of specifieke vastgoedobjecten rechtmatig waren verkregen. Al deze vragen zijn relevant voor de bevoegdheid van het scheidsgerecht. Dáárover diende het hof te oordelen, ook al hangt de beantwoording van die vragen mede af van de uitleg van het bilaterale investeringsverdrag tussen Oekraïne en de Russische Federatie en dus van vreemd recht.
2.Feiten en procesverloop
BIT 1998). [2] De voor deze procedure relevante bepalingen uit dat verdrag luiden in de Engelse vertaling als volgt: [3]
Supreme Councilvan de Krim vóór aansluiting bij de Russische Federatie. Het agendeerde een referendum daarover op 16 maart 2014. Volgens de organisatoren van het referendum stemde 96% van de deelnemers daaraan vóór aansluiting. Op 17 maart 2014 verklaarden de
Supreme Councilen de gemeenteraad van Sebastopol zich onafhankelijk van Oekraïne. De volgende dag werd een verdrag ondertekend met de titel ‘
Treaty between the Russian Federation and the Republic of Crimea on the Acceptance of the Republic of Crimea into the Russian Federation and the Formation of New Constituent Parts within the Russian Federation’. Ondertekenaars waren, de Russische Federatie, de Republiek de Krim en de stadsstaat Sebastopol. Het Grondwettelijk Hof van de Russische Federatie erkende op 19 maart 2014 dat het verdrag in overeenstemming is met de Russische grondwet. Op 21 maart 2014 werd het verdrag door het Russische parlement geratificeerd met het aannemen van de
Crimean Incorporation Law. In die wet werd (onder meer) de doorlopende geldigheid van onder Oekraïens recht rechtsgeldig verkregen onroerend goed erkend per 18 maart 2014. [4]
landing stripvan Belbek Airport genationaliseerd. Bij decreet van 25 mei 2017 gelastte de regering van Sebastopol de inbeslagneming van tweeëntwintig percelen, waaronder drie percelen die eigendom waren van Belbek.
UNCITRAL) van toepassing. Drie arbiters werden benoemd, zonder bemoeienis van de Russische Federatie. Het Permanent Hof van Arbitrage (hierna:
PHA)administreert de arbitrageprocedure. Den Haag is aangewezen als plaats van arbitrage.
non-disputing party submissioningediend. Daarin is haar standpunt over de toepasselijkheid van de BIT 1998 uiteengezet.
arbitrale tussenvonnis), waarvan het dictum luidt:
het arbitrale deelvonnis). Het dictum van deze uitspraak luidt:
hof) de beide arbitrale vonnissen vernietigt. De gronden die daartoe zijn aangevoerd zijn dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt én dat de vonnissen in strijd zijn met de openbare orde. Het zwaartepunt ligt bij het betoog dat het scheidsgerecht onbevoegd is wegens het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage. Belbek c.s. hebben verweer gevoerd.
het arrest) heeft het hof de vorderingen van de Russische Federatie afgewezen en daartoe samengevat het volgende geoordeeld:
territorymoet volgens het scheidsgerecht niet worden uitgelegd als
sovereign territoryen voor de toepassing van art. 1 lid 4 BIT Pro 1998 is voldoende dat de Russische Federatie
settled, long-term controlheeft over de Krim. (rov. 5.4.5)
de factocontrole heeft over de Krim. De Krim valt onder
territoryvan de Russische Federatie als bedoeld in art. 1 lid 4 BIT Pro 1998, omdat (i) de tekst van dit artikel niet spreekt van
sovereign territory; (ii) er geen regel is dat met
territoryaltijd wordt bedoeld
sovereign territory; en (iii) een uitleg conform art. 31 WVV Pro tot deze conclusie leidt. (rov. 5.5.6 - 5.5.7)
investmentsals bedoeld in art. 1 lid 1 BIT Pro 1998, ook al zijn die investeringen aanvankelijk in Oekraïne gedaan. Uit de letterlijke bewoordingen van de bepaling volgt niet dat de investeringen van meet af aan op het grondgebied van de andere verdragsstaat moeten zijn gelegen. Een uitleg conform art. 31 WVV Pro leidt tot de slotsom dat het voldoende is dat de investeringen zich op het moment van de gestelde inbreuk op het grondgebied van de andere verdragsstaat bevonden. (rov. 5.7.11)
investorszijn als bedoeld in de BIT 1998 gaat niet op. (rov. 5.8.7)
3.Bespreking van het middel in het principaal cassatieberoep
Onderdeel 1behelst klachten over de door het hof gegeven uitleg van het begrip
territory.
Onderdeel 2betreft het oordeel van het hof dat het scheidsgerecht geen oordeel heeft gegeven over het soevereiniteitsconflict tussen de Russische Federatie en Oekraïne.
Onderdelen 3, 4 en 5bevatten klachten over de door het hof gehanteerde bewijslastverdeling en de aan de stelplicht van de Russische Federatie gestelde eisen.
Onderdeel 6richt zich op oordelen van het hof die inhouden dat de Russische Federatie in het vervolg van de procedure bij het scheidsgerecht (alsnog) kunnen stellen en onderbouwen dat de investeringen van Belbek c.s. een illegaal karakter hebben.
Onderdeel 7behelst de klacht dat het hof ambtshalve Oekraïense rechtsregels had moeten toepassen.
Onderdelen 8 en 9bevatten voorbouwklachten.
Bilateral Investment Treaty,hierna:
BIT) is een overeenkomst tussen twee landen die inhoudt dat – over en weer – bescherming wordt geboden aan investeerders uit het ene land die investeren in het andere land. Deze verdragen zijn gesloten ter bevordering van grensoverschrijdende investeringen.
investment) als aan het begrip investeerder (
investor).
territory). Waar het normaal gesproken een investeerder is die zich verplaatst naar het andere land om op het grondgebied daarvan een investering te doen, is het hier de grens tussen de beide staten die is verplaatst waardoor investeringen die op het grondgebied van de eigen staat zijn gedaan, zich zijn gaan bevinden op het grondgebied van de andere staat en daarmee investeringen in die staat zijn geworden.
in accordance with its legislation’. Dit vereiste wordt aangeduid als het ‘legaliteitsvereiste’. Als een investering op het grondgebied van de ene staat is gedaan maar zich vervolgens is komen te bevinden op het grondgebied van de andere staat, ziet de term ‘
its legislation’ dan op de wetgeving van de oorspronkelijke staat? Die vraag lijkt hier door beide partijen bevestigend te worden beantwoord. Toetsdatum is het moment dat de investeringen onderdeel gingen uitmaken van de Russische rechtssfeer, hier vastgesteld op 21 maart 2014. Als is aangetoond dat bepaalde investeringen niet voldoen aan het legaliteitsvereiste is het scheidsgerecht ten aanzien van die investeringen niet bevoegd. Dit brengt mee dat het antwoord op de vraag of het scheidsgerecht bevoegd is, afhangt van de uitleg van de BIT.
investor, investmentsen
territorymoeten worden uitgelegd aan de hand van de internationaalrechtelijke uitlegregels van het WVV. Art. 31 WVV Pro noemt in dat verband de volgende elementen: tekst, context en ‘
object and purpose’, die tezamen ‘
in good faith’ moeten worden toegepast.
rov. 5.5.23 en 5.5.24. Deze overwegingen luiden als volgt (onderstreping hier en hierna in deze conclusie toegevoegd):
Gezien het voorgaandeis er op basis van een uitleg te goeder trouw van artikel 1 lid 4 van Pro de BIT 1998 overeenkomstig de gewone betekenis, in zijn context en in het licht van doel en voorwerp van het verdrag, geen reden om aan te nemen dat de Krim niet valt onder de territory van de Russische Federatie als gedefinieerd in dit artikel.
Het hof tekent daarbij nog aan dat hetbij een uitleg van het verdrag conform de maatstaven van artikel 31 WVV Pro, waar ook wordt gekeken naar het doel en de strekking,
niet erop aankomt datde verdragspartijen ten tijde van het sluiten van het verdrag deze feitelijke situatie, te weten de incorporatie van de Krim door de Russische Federatie vele jaren later, hebben voorzien en onder de werking van het verdrag hebben willen brengen. In zijn algemeenheid is het onmogelijk dat bij het sluiten van een verdrag alle mogelijke toekomstige situaties onder ogen worden gezien.
Het komt erop aanna te gaan wat past bij de bedoelingen van partijen ten aanzien van de werking van het verdrag op het moment van het sluiten daarvan. De bedoeling van partijen was om investeringen van de onderdanen van een verdragspartij te beschermen tegen onder meer onteigeningen door de andere verdragspartij. Daarbij past dat tot het grondgebied van een verdragsstaat wordt gerekend, elk gebied waarover een verdragspartij rechtsmacht en effectieve controle uitoefent, die haar de mogelijkheid geven om investeringen van onderdanen van de andere verdragspartij te onteigenen.
territorymoet worden uitgelegd in die zin dat het ziet op grondgebied waar een partij feitelijk de mogelijkheid heeft over te gaan tot onteigening.
territoryvan de Russische Federatie als gedefinieerd in art. 1 lid 4 BIT Pro 1998. De eerste zin van rov. 5.5.23 geeft al aan dat díe conclusie is gebaseerd op ‘het voorgaande’. Daarmee doelt het hof op rov. 5.5.6 - 5.5.22 waarin uitgebreid het oordeel is onderbouwd dat de Krim valt onder de
territoryvan de Russische Federatie (na in rov. 5.5.6 overwogen te hebben dat partijen het er over eens zijn dat de Russische Federatie
de factocontrole heeft over de Krim). Al deze overwegingen worden in cassatie niet bestreden. Slechts ten overvloede heeft het hof vanaf de tweede zin van rov. 5.5.23 het oordeel gegeven dat met het middel wordt aangevallen. Een aanwijzing daartoe geven de woorden: “
Het hof tekent daarbij nog aan dat”. Gelet hierop ontbreekt belang bij het slagen van de klacht tegen rov. 5.5.23.
territoryis immers ook gebaseerd op ‘het voorgaande’, en dus op hetgeen is overwogen in rov. 5.5.6 - 5.5.22.
rov. 5.5.10. [10] Deze overweging luidt:
territoryin het internationale verdragenrecht altijd de betekenis heeft van
sovereign territory, ongeacht doel of strekking van het verdrag. Noch uit de juridische literatuur waarnaar de Russische Federatie verwijst, noch uit internationaalrechtelijke rechtspraak valt zo'n categorische conclusie te trekken. Uit het feit dat algemeen wordt aanvaard dat verdragen gelding hebben op het gehele soevereine grondgebied van een staat, volgt immers niet de conclusie dat verdragen niet
ookwerking (kunnen) hebben op grondgebied waarover een staat langdurig rechtsmacht en effectieve controle uitoefent, zoals in het onderhavige geval.”
territory(in beginsel) verwijst naar het soevereine grondgebied van een staat. Anderzijds sluit dit volgens het hof niet uit dat verdragen ook werking (kunnen) hebben op grondgebied waarover een staat langdurig rechtsmacht en effectieve controle uitoefent, zodat het begrip
territorytevens verwijst naar de Krim. Deze benadering is praktisch onhanteerbaar omdat zij leidt tot ‘twee kapiteins op één schip’.
territoryniet altijd de betekenis heeft van
sovereign territory. Dit licht het hof toe door te overwegen dat een verdrag over het algemeen gelding heeft op het gehele soevereine grondgebied van een staat, maar
daarnaast(‘
ook’) gelding kan hebben op grondgebied waarover een staat langdurig rechtsmacht en effectieve controle uitoefent. Anders dan het middel betoogt, is deze benadering wel degelijk praktisch hanteerbaar (en zeker niet onbegrijpelijk). Omdat de Russische Federatie langdurig rechtsmacht en effectieve controle uitoefent op de Krim, kan immers alleen de Russische Federatie verplichtingen uit hoofde van de BIT 1998 hebben op de Krim, zoals in geval van onteigening door middel van overheidsbevoegdheden die sinds maart 2014 alleen de Russische Federatie op de Krim kan uitoefenen (zie rov. 5.5.21).
territoryin artikel 1 lid 4 BIT Pro 1998. Volgens de Russische Federatie moet dit begrip worden uitgelegd als sovereign territory, terwijl één van de (noodzakelijke) elementen van het begrip
sovereign territoryis, dat de soevereiniteit van een staat over een bepaald grondgebied internationaal wordt erkend. Als deze uitleg juist is, zou het scheidsgerecht met zijn oordeel dat de Krim kan worden gezien als territory van de Russische Federatie in de zin van artikel 1 lid 4 van Pro de BIT 1998, inderdaad (impliciet) een oordeel hebben gegeven over de soevereiniteitskwestie.
Het scheidsgerecht heeft in deInterim Awardechter geoordeeld dat het begrip territory nu juist niet moet worden uitgelegd alssovereign territoryin deze zin.Het scheidsgerecht oordeelde (heel kort samengevat) dat voor de toepassing van artikel 1 lid 4 BIT Pro 1998 voldoende is dat de Russische Federatie "
settled, long-term control” heeft over de Krim hetgeen er – mede – toe heeft geleid dat de Russische Federatie de verantwoordelijkheid voor de internationale betrekkingen van de Krim op zich heeft genomen.
Het scheidsgerecht hoefde, gegeven deze uitleg, geen oordeel te geven over het soevereiniteitsgeschil tussen de Russische Federatie en Oekraïne en heeft dat ook niet gedaan. Het heeft zich enkel gebaseerd op de feitelijke stand van zaken op de Krim. Of deze uitleg van het begrip territory juist is, komt hierna aan de orde. Waar het hier om gaat, is dat het scheidsgerecht niet heeft geoordeeld over de soevereine status van de Krim.”
territory. Een dergelijk exclusief 'feitelijke invulling' staat haaks op de alternatieve 'soevereine invulling' die het hof - zelfs als algemene basis van het begrip
territory, buiten en binnen de BIT - in zijn eigen overwegingen heeft erkend.
nietheeft gedaan. Anders dan de Russische Federatie betoogt, hoefde het hof in deze context niet zelf de voorvraag te beantwoorden die in dit onderdeel wordt geformuleerd.
subonderdeel 3.1is gericht tegen
rov. 5.9.9. Deze overweging luidt:
Het hof sluit zich gezien het voorgaande aan bij het oordeel van het scheidsgerecht, dat de legaliteit van de investeringen beoordeeld wordt met als toetsdatum het moment dat de investeringen onderdeel gingen uitmaken van de Russische rechtssfeer.”
Crimean Incorporation Lawvast dat de Russische Federatie rechten op de Krim heeft erkend. Dat betekent volgens het hof dat de legaliteit van de investeringen beoordeeld moet worden met als toetsdatum het moment dat de investeringen onderdeel zijn gaan uitmaken van de Russische rechtssfeer. Ook uit de overige door de Russische Federatie vermelde overwegingen blijkt niet dat het hof in rov. 5.9.9 iets zou hebben overwogen over de bewijslastverdeling. In die overwegingen is wél te lezen dat de Russische Federatie haar stellingen over de geldigheid van de arbitrageovereenkomst onvoldoende heeft onderbouwd. Anders dan de Russische Federatie betoogt (zie bijv. haar schriftelijke toelichting nr. 2.18), zegt dit niets over de vraag bij welke partij het hof de bewijslast heeft gelegd. Het woordgebruik van het hof (‘stellen’ en ‘stelling’) wijst er ook niet op dat de stelplicht bij de Russische Federatie ligt of door het hof wordt gelegd, zoals zij kennelijk meent (repliek nr. 21). Als een partij iets beargumenteert in het kader van een betwisting neemt zij ook stellingen in.
te hoge eisen aan onderbouwing)
rov. 5.9.9, zoals uitgewerkt in
rov. 5.9.1- 5.9.15en
rov. 5.9.17-5.9.19. Gelet op de bewijslastverdeling met betrekking tot de geldigheid van de arbitrageovereenkomst, geldt volgens het middel dat het hof veel te hoge eisen heeft gesteld aan de verplichting van de Russische Federatie om feiten aan te voeren en te onderbouwen. Met verwijzing naar passages uit de bij het hof ingediende stukken en de vaststelling dat het hier gaat om gegevens die zich bevinden in het domein van Belbek c.s., stelt de Russische Federatie dat niet valt in te zien wat nog meer van haar verwacht had kunnen worden.
waaromde bestreden overwegingen ontoereikend gemotiveerd of onbegrijpelijk zijn. Het enkele standpunt dat er veel is aangevoerd in combinatie met een verwijzing naar een (groot) aantal stellingen in een voetnoot, is onvoldoende precies en bepaald. Zo wordt voor subonderdeel 4.1 in de procesinleiding verwezen naar hoofdstuk 4 van de zeer omvangrijke dagvaarding, waarbij tussen haakjes wordt gesteld: “onder meer” 4.4, 4.5, 4.6, 4.7, 4.8. Dat is alles - behalve inleiding, juridisch kader en conclusie - samen nog steeds meer dan 100 pagina’s. [16] Dat deze paragrafen duidelijk afgebakende thema’s zouden betreffen (dupliek nr. 29) maakt dit niet anders. Voor subonderdeel 4.2 blijft deze minimale specificatie zelfs achterwege door – onder meer – te verwijzen naar heel hoofdstuk 4 van de dagvaarding.
de wederpartij van de partij met de bewijslasteen informatieplicht op te leggen en dus aanknopingspunten te verschaffen voor bewijslevering. [18]
eerste klachtin dit onderdeel is gericht tegen
rov. 5.9.11,
5.9.15 [19] en
rov. 5.9.17-5.7.19. De daarin vervatte oordelen van het hof zouden onjuist en/of onvoldoende toereikend zijn gemotiveerd, omdat het hof de regels over stelplicht en bewijslast zou hebben miskend door diverse illegaliteitsargumenten van de Russische Federatie als onvoldoende onderbouwd terzijde te schuiven. Het onderdeel wijst op diverse stellingen over ‘besmet’ kapitaal en diverse producties over het witwassen van dat kapitaal met behulp van
offshorevennootschappen. In dit kader wordt onder meer gesteld: “
De Russische Federatie heeft in haar processtukken bijna vijftig pagina’s gewijd aan haar betoog dat er sprake is van ‘besmet’ kapitaal”, onder verwijzing naar nr. 463-499 van de dagvaarding en nr. 470-527 van de conclusie van repliek en twee paragrafen uit de pleitnota van de Russische Federatie.
waaromde bestreden overwegingen ontoereikend gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk zijn. Het enkele standpunt dat er heel veel is aangevoerd in combinatie met een verwijzing naar een (groot) aantal stellingen in een voetnoot, is ontoereikend, want onvoldoende precies en bepaald.
tweede klachtin dit onderdeel (p. 10 procesinleiding) is gericht tegen rov.
5.9.12. Deze overweging luidt:
waaromhet hier gaat om essentiële stellingen. Tot die onderbouwing is de Russische Federatie echter wel gehouden. [21] Dat kan anders zijn als direct duidelijk is waar het essentiële karakter in gelegen is, maar dat is hier niet het geval.
rov. 5.9.16, 5.9.20 en 5.10.9op de korrel. Deze overwegingen luiden:
Procedural Order No. 8niks heeft doorverwezen. Het hof op dit punt de onderhavige zaak mogelijk verward met de
Privatbank-zaak (zaak 22/03897). [22] In tegenstelling tot de situatie in die laatste zaak, kan volgens het scheidsgerecht de jurisdictie in de
Belbek-zaak
nietmeer aan de orde komen na het wijzen van het deelvonnis. [23]
Procedural Order No. 8dit nadrukkelijk bevestigt.
Het hof voegt aan het voorgaande toe dat […].”
in deze vernietigingsprocedureeen oordeel
had moeten gevenover de waarde van de investeringen. Dat is niet het geval. Daarover heeft het scheidsgerecht immers nog niet definitief beslist. Zodra dat wel is gebeurd, kan de Russische Federatie desgewenst een vernietigingsprocedure starten en daarin het oordeel van het scheidsgerecht over de (omvang van de) schade aanvechten.
rov. 5.9.15, en dan specifiek de laatste zin daarvan. Deze overweging luidt (het aangevallen deel heb ik onderstreept):
De Russische Federatie heeft geen Oekraïense rechtsregels genoemd die meebrengen dat de investeringen in strijd met de wet zijn verkregen doordat gebruik is gemaakt van offshore entiteiten.”
Het gebruik van offshore entiteiten […]. […] kan op zichzelf niet de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van investeringen in strijd met de wet.”). Tegen dit oordeel richt de klacht zich niet. [27] Indien de klacht zo moet worden gelezen dat ook de juistheid van dit deel van de overweging wordt aangevallen (‘het hof heeft hiermee miskend’), is dat in cassatie niet mogelijk. De Hoge Raad kan immers niet casseren wegens schending van buitenlands recht (art. 79 lid Pro 1, onder b, Wet RO).
rov. 5.10.7 en 5.10.8ook niet in stand kan blijven. Onderdeel 9 voegt daaraan toe dat het voorgaande ook
rov. 5.11.1en het daaraan ontleende dictum vitieert.
4.Bespreking van het middel in het incidenteel cassatieberoep
eerste onderdeelklagen Belbek c.s. dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de Russische Federatie niet in de arbitrageprocedure is verschenen.
Het tweede onderdeelbetoogt in de kern dat het hof heeft nagelaten te beslissen op het subsidiaire rechtsverwerkingsverweer van Belbek c.s.
rov. 5.3.7 en 5.3.8van het arrest, waarin wordt ingegaan op de juridische betekenis van de in 2.7 en 2.8 geciteerde brieven van de Russische Federatie.
rov. 5.3.7 en 5.3.8. Deze overwegingen luiden:
Partijen gaan er terecht vanuit dat in een arbitrale procedure geen formele eisen gelden voor het verschijnen in de procedure. Op zich is het dus mogelijk dat dergelijke brieven, ook als er verder geen participatie is, als een verschijnen moeten worden aangemerkt. Dat kan het geval zijn als (één van) de desbetreffende brieven het karakter hebben (heeft) van een (beknopt) verweerschrift. Dat is met deze brieven niet het geval.Op zichzelf is niet doorslaggevend dat de Russische Federatie in de begeleidende brief van 1 juli 2015 te kennen heeft gegeven dat de bijgevoegde brief van [betrokkene 1] niet moet worden opgevat als een deelname aan de arbitrage. Het gaat om uitleg van de brief aan de hand van objectieve maatstaven, en niet om de uitleg die een partij daar zelf – in een begeleidende brief – aan geeft. Evenmin is doorslaggevend dat de brief aan het [PCA] is gestuurd, en niet aan het scheidsgerecht. Belbek c.s. hebben terecht naar voren gebracht dat de Russische Federatie ervan moest uitgaan dat haar brief zou worden doorgestuurd aan het scheidsgerecht en de raadslieden van Belbek c.s.
Doorslaggevend is dat de hoofdboodschap van de brief van 12 augustus 2015 [dit moet zijn: 16 juni 2015, A-G] is dat de Russische Federatie niet aan de arbitrale procedure zal deelnemen. Die boodschap is toegelicht met slechts twee volzinnen waarin is uiteengezet waarom het tribunaal onbevoegd wordt geacht. De brief heeft daarmee niet het karakter van een (beknopt) verweerschrift. Dat het scheidsgerecht het in de brief genoemde bevoegdheidsverweer wel heeft behandeld, maakt dit niet anders. Het scheidsgerecht was immers gehouden ook eigener beweging te toetsen of het bevoegd was en heeft dat ook – los van de desbetreffende brief – gedaan.In alinea 170 [dit moet zijn: 171, A-G] van de
Interim Awardoverwoog het scheidsgerecht immers: "
As it informed the Parties by letter from the PCA dated 19 March 2016, the Tribunal considers that it is required to determine its jurisdiction and the admissibility of the claims whether or not objections have been raised by the respondent''. De Russische Federatie heeft verder terecht naar voren gebracht dat zowel het scheidsgerecht (in hoofdstuk 3 van de
Interim Awardonder "
The Respondent’s non-participation”) als Belbek c.s. er tijdens de arbitrale procedure blijk van hebben gegeven dat zij de Russische Federatie beschouwden als "niet verschenen”.
Een partij die in het arbitraal geding is verschenen, dient een beroep op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht op de grond dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt, voor alle weren te doen, op straffe van verval van haar recht op dat ontbreken later, in het arbitraal geding of bij de gewone rechter, alsnog een beroep te doen, (…).”
is verschenen. De tekst van de wet biedt geen handvat voor de lezing dat het voorschrift van art. 1052 lid 2 Rv Pro tevens geldt voor de partij die niet is verschenen maar wel deugdelijk is opgeroepen. [30]
Echter, voor artikel 1052, tweede lid, is het niet zozeer van belang, op welk moment een partij in het arbitraal geding verschijnt, doch dat zij – in het geding verschijnende – een verweer ten principale voert zonder een beroep op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht te doen. Het cruciale moment is derhalve het moment waarop een partij verweer gaat voeren. Voert zij verweer (waaronder begrepen: referte) zonder beroep op onbevoegdheid te doen, dan heeft zij het recht verwerkt daar in een later stadium op terug te komen.
Voert een partij geen verweer ten principale, dan kan zij in een later stadium nog wel op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht een beroep doen.”
in algemene zinruim opgevat te worden. [32] Daarvan is vrij snel sprake, ook gezien de woorden ‘op enigerlei wijze deelneemt’. Van ‘verschenen’
in de context van art. 1052 lid 2 Rv Prois minder snel sprake. Dat wordt nader uitgelegd in het weergegeven citaat (na het woordje ‘echter’).
Kompetenz-Kompetenz). Hoewel deze bepaling anders kan doen vermoeden, zal het scheidsgerecht niet in alle gevallen ambtshalve mogen beslissen of het al dan niet tot kennisneming van het geschil bevoegd is. Alleen indien de verweerder in het arbitraal geding
nietis verschenen, zal aanleiding bestaan om naar de bevoegdheid ambtshalve onderzoek te doen. [36]
[…] /Ruwaover het samenstel van de hiervoor aangehaalde bepalingen van art. 1052 lid 1 en Pro 2 en art. 1065 lid Pro 1, onder a, Rv het volgende overwogen: [40]
in het algemeenen niet over verschijnen als bedoeld in art. 1052 lid 2 Rv Pro. Het voorbeeld dat wordt genoemd (benoeming arbiters) is van belang, omdat in art. 1027 lid 4 Rv Pro het volgende is bepaald:
een verweer ten principale voertzonder een beroep op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht te doen. Het cruciale moment is derhalve het moment waarop een partij verweer gaat voeren. […].”
verweer ten principalekan dus sprake zijn van een verval van recht in de zin van art. 1052 lid 2 Rv Pro en daarmee van het prijs geven van de mogelijkheid van vernietiging op grond van art. 1065 lid Pro 1, onder a, Rv. Een verweer ten principale is een materieelrechtelijk verweer tegen de vordering van de eiser. [42] Het is, anders gezegd, een verweer betreffende de door eiser gestelde rechtsverhouding. Een beroep op onbevoegdheid vormt niet een verweer ten principale maar een
exceptie [43] , oftewel een verweer ten aanzien van de toepassing van procesrechtelijke regels. [44] Een dergelijk processueel verweer ziet niet op de rechtsbetrekking tussen partijen en beoogt een debat - althans een beslissing - daarover in beginsel juist te voorkomen. [45]
(enig) verweervoert. De klacht kan daarom niet slagen.
een verweer(schriftelijke toelichting nr. 62), is dat niet correct. Dit blijkt duidelijk uit rov. 5.3.7, daar waar het hof overweegt:
het in de brief genoemde bevoegdheidsverweerwel heeft behandeld, maakt dat niet anders. […].”
voor zoverhet hof zijn oordeel heeft gebaseerd op de vaststelling dat de Russische Federatie te kennen heeft gegeven dat haar genoemde brieven niet als een deelname aan de arbitrale procedure moesten worden opgevat, dat oordeel ook niet in stand kan blijven.
bevoegdheidsverweeris gevoerd, impliceert dat zij ook is verschenen in het arbitraal geding en dat het hof deze interpretatie van het scheidsgerecht had moeten meenemen in zijn beoordeling of de Russische Federatie in dat geding is verschenen.
subonderdeel 1.5stellen Belbek c.s. dat hetzelfde geldt voor het oordeel van het hof dat het scheidsgerecht er tijdens de arbitrage blijk van heeft gegeven de Russische Federatie als niet verschenen te beschouwen. Het hof wijst op een hoofdstuk van het arbitraal tussenvonnis, waaruit volgt dat de Russische Federatie niet heeft geparticipeerd in de arbitrage. Deze overweging is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd in het licht van het feit dat het scheidsgerecht in de brieven van de Russische Federatie een bevoegdheidsverweer heeft gelezen. Daaruit volgt immers logischerwijs dat het scheidsgerecht de Russische Federatie wel degelijk als verschenen moet hebben beschouwd, omdat een niet verschenen partij geen bevoegdheidsverweren kan aanvoeren.
3. The Respondent’s non-participation