ECLI:NL:PHR:2024:450

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 april 2024
Publicatiedatum
22 april 2024
Zaaknummer
22/01956
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 SvArt. 36g SvArt. 450 SvArt. 279 SvArt. 278 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid verdachte in hoger beroep bij verstek en toepassing EU-richtlijn aanwezigheidsrecht

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor overtredingen van de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. Hij stelde hoger beroep in via zijn raadsvrouw, die een schriftelijke bijzondere volmacht had. De dagvaarding in hoger beroep werd niet direct na het instellen van het hoger beroep betekend, maar later. De verdachte verscheen niet bij de terechtzitting in hoger beroep en diende geen grieven in. Het hof verklaarde hem daarom niet-ontvankelijk en behandelde de zaak bij verstek.

De verdachte stelde cassatie in tegen het verstekvonnis met het middel dat het hof ten onrechte de zaak bij verstek had afgedaan zonder te onderzoeken of aan de voorwaarden van artikel 8 lid 2 van Pro Richtlijn (EU) 2016/343 was voldaan, met name of de verdachte tijdig in kennis was gesteld van de terechtzitting en de gevolgen van zijn afwezigheid.

De Hoge Raad overwoog uitgebreid de toepassing van de richtlijn en het nationale procesrecht. Hij bevestigde dat de opgave van het kantooradres van de advocaat in de schriftelijke bijzondere volmacht niet gelijkstaat aan een adres in de zin van artikel 36g Sv voor toezending van de dagvaarding. Het hof had voldoende zorgvuldigheid betracht bij de oproeping van de verdachte en diens raadsvrouw. De verdachte had zich niet bereikbaar gehouden voor zijn raadsvrouw en de raadsvrouw was niet gemachtigd de verdediging te voeren. Daarom was het verstekvonnis rechtmatig en het cassatiemiddel faalde.

De Hoge Raad benadrukte dat artikel 8 lid 2 van Pro de richtlijn alleen ziet op verstekberechting in eerste aanleg en dat bij niet-naleving van de voorwaarden van die richtlijn het recht op een nieuw proces geldt. In dit geval was het recht op verdediging en aanwezigheid niet geschonden. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte tegen het verstekvonnis in hoger beroep wordt verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/01956

Zitting23 april 2024
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 18 mei 2022 door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 8 september 2021 waarin de verdachte ter zake van (in de zaak met parketnummer 10-154573-21) 1. ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod’ en 2. ‘handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie’ en (in de zaak met parketnummer 10-224511-21) 1. ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie’ en 2. ‘handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie’ is veroordeeld tot één maand gevangenisstraf, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, alsmede een geldboete van € 475,00, subsidiair 9 dagen hechtenis, en waarin de tenuitvoerlegging is gelast van 30 dagen voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
Er bestaat samenhang met de zaken 22/01261, 22/01260 en 22/01955. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt, S. van den Akker en M.J. van Berlo, allen advocaat te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel behelst de klacht dat het hof de zaak ten onrechte bij verstek heeft afgedaan.
Voordat ik het middel bespreek, geef ik het procesverloop, een deel van de inhoud van Richtlijn (EU) 2016/343 en twee arresten van Uw Raad weer.

Het procesverloop

6. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 8 september 2021 waren zowel de verdachte als zijn raadsvrouw aldaar aanwezig.
7. Op 21 september 2021 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. De aan de akte gehechte schriftelijke bijzondere volmacht als bedoeld in artikel 450, derde lid, Sv houdt onder meer het volgende in:
‘Op 8-9-2021 heeft de rechtbank vonnis gewezen in de strafzaak van cliënt met bovengenoemd parketnummer. Cliënt wenst tegen dat vonnis hoger beroep in te stellen en heeft mij bepaaldelijk gevolmachtigd, conform artikel 450 eerste Pro lid onder a Sv, tot het aanwenden van dat rechtsmiddel.
Hierbij geef ik u edelachtbare griffier een bijzondere schriftelijke volmacht tot het aanwenden van het rechtsmiddel, op grond van artikel 450, eerste lid onder b Sv. Mijn cliënt stemt in met het door de medewerker ter griffie aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping, conform artikel 450 derde Pro en vierde lid Sv.
Cliënt wenst een afschrift van de oproeping per gewone brief te ontvangen op mijn kantooradres: Burg de Raadtsingel 61A te (3311 JG) Dordrecht. Ik heb met cliënt afgesproken dat ik hem van het verdere beloop op de hoogte zal houden. Vriendelijk verzoek ik u dit afschrift in tweevoud te verzenden, zodat ik een kopie zelf kan achterhouden.’
8. De betekening van de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep heeft niet direct na het instellen van het hoger beroep plaatsgevonden, maar op een later moment.
9. Bij de stukken bevinden zich met betrekking tot de betekening van de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep en de informatieverstrekking aan de raadsvrouw de volgende bescheiden:
- Een Informatiestaat SKDB-persoon van 12 april 2022 die de volgende informatie bevat: met ingang van 16 juni 2021 is het BRP-adres van de verdachte het adres [a-straat 1] , [plaats] , de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats van de verdachte (datum registratie: 1 februari 2022) is het adres [b-straat 1] , [plaats] , en de verdachte is niet gedetineerd;
- Dagvaardingen van de verdachte om te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep van 18 mei 2022 waarop als adres is vermeld ‘ [a-straat 1] , [plaats] ’ respectievelijk ‘ [b-straat 1] , [plaats] ’;
- Een akte van uitreiking waarin de verdachte als geadresseerde is vermeld, met het adres [b-straat 1] , [plaats] , die inhoudt dat de dagvaarding op 31 maart 2022 is uitgereikt aan een ander dan de verdachte, te weten [betrokkene 1] , die belooft de brief onmiddellijk aan de geadresseerde te geven;
- Een akte van uitreiking waarin de verdachte als geadresseerde is vermeld, met het adres [a-straat 1] , [plaats] , die inhoudt dat op 31 maart 2022 gepoogd is de dagvaarding uit te reiken op dat adres, doch dat de dagvaarding niet is uitgereikt omdat geadresseerde niet (meer) op het vermelde adres woont;
- Een akte van uitreiking waarin de verdachte als geadresseerde is vermeld, die inhoudt dat de dagvaarding gericht aan de verdachte, met het adres [a-straat 1] , [plaats] , op 12 april 2022 is uitgereikt aan het Openbaar Ministerie en dat een afschrift is verzonden naar het op de akte vermelde adres;
- Twee aan de raadsvrouw van de verdachte – op het adres Postbus 8084, 3301 CB te Dordrecht – geadresseerde stukken met het opschrift ‘Dagvaarding van verdachte in hoger beroep’, van 24 maart 2022, die onder meer inhouden dat de verdachte in eerste aanleg bij vonnis van de rechtbank is veroordeeld, dat er geen grieven tegen het vonnis zijn opgegeven, dat de terechtzitting van het hof waarvoor de verdachte is gedagvaard alleen bedoeld is om de ontvankelijkheid vast te stellen en of van de kant van de verdachte bezwaren bestaan tegen het vonnis, en zo ja, welke bezwaren dat zijn, en dat de raadsvrouw de bezwaren alsnog schriftelijk kan indienen of de bezwaren mondeling kan opgeven ter terechtzitting van het hof op 18 mei 2022.
10. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 mei 2022 houdt onder meer het volgende in:
‘De verdachte, gedagvaard als:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
adres: [b-straat 1] te [plaats] ,
is niet ter terechtzitting verschenen.
Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.
De voorzitter deelt mede dat de zitting van heden een zogenaamde strafrolzitting betreft, waarop een aanvang wordt gemaakt met de inhoudelijke behandeling van de zaak in die zin dat uitsluitend de stand van zaken met betrekking tot het naar eerdere indruk zonder grieven ingestelde hoger beroep aan de orde zal komen.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor en vordert, nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch heden ter terechtzitting is verschenen, dat de verdachte op grond van artikel 416, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep.
Na sluiting van het onderzoek door de voorzitter doet het gerechtshof terstond uitspraak.’
11. Het bestreden arrest houdt het volgende in:

‘Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte heeft niet een schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. Evenmin heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.’

Richtlijn (EU) 2016/343 en twee arresten

12. Richtlijn (EU) 2016/343 houdt, voor zover van belang voor de beoordeling van het middel, het volgende in: [1]
‘(35) Het recht van verdachten en beklaagden om bij de terechtzitting aanwezig te zijn, is niet absoluut. Onder bepaalde voorwaarden dienen verdachten en beklaagden de mogelijkheid te hebben om, uitdrukkelijk of stilzwijgend maar op ondubbelzinnige wijze, afstand te doen van dat recht.
(36) In bepaalde omstandigheden moet een beslissing over de schuld of onschuld van een verdachte of beklaagde kunnen worden gegeven, zelfs wanneer de betrokkene niet bij de terechtzitting aanwezig is. Dit kan het geval zijn wanneer de verdachte of beklaagde tijdig in kennis is gesteld van de terechtzitting en van de gevolgen van eventuele afwezigheid, en desondanks niet verschijnt. Het in kennis stellen van een verdachte of beklaagde van de terechtzitting moet worden begrepen als het in persoon dagvaarden van de betrokkene of het anderszins aan de betrokkene verstrekken van officiële informatie over het tijdstip en de plaats van de terechtzitting, op een wijze die het hem mogelijk maakt kennis te krijgen van de terechtzitting. Het in kennis stellen van de verdachte of de beklaagde van de gevolgen van afwezigheid moet met name worden begrepen als het informeren van de betrokkene dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op de terechtzitting verschijnt.
(37) Het moet ook mogelijk zijn om in afwezigheid van een verdachte of beklaagde een proces te voeren dat kan leiden tot een beslissing over schuld of onschuld, wanneer die persoon van de terechtzitting in kennis is gesteld en een door hemzelf of door de staat aangestelde advocaat heeft gemachtigd om hem tijdens die terechtzitting te vertegenwoordigen, en die advocaat namens de verdachte of beklaagde ter terechtzitting verschijnt.
(38) Bij de beoordeling of de wijze van kennisgeving voldoende waarborgt dat de betrokkene op de hoogte is van het proces, moet in voorkomend geval ook bijzondere aandacht worden besteed aan de zorgvuldigheid die de overheidsinstanties in acht hebben genomen bij de kennisgeving aan betrokkene en aan de zorgvuldigheid die betrokkene heeft betracht om aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen.
(39) Wanneer lidstaten voorzien in de mogelijkheid om processen te voeren in afwezigheid van verdachten of beklaagden, maar niet is voldaan aan de voorwaarden om een beslissing te kunnen nemen bij afwezigheid van een bepaalde verdachte of beklaagde, omdat de verdachte of beklaagde, ondanks redelijke inspanningen, niet kon worden gelokaliseerd, bijvoorbeeld omdat hij is gevlucht of er vandoor is gegaan, moet het niettemin mogelijk zijn om een beslissing te nemen bij afwezigheid van de verdachte of beklaagde, en om deze beslissing ten uitvoer te leggen. In dat geval moeten de lidstaten ervoor zorgen dat wanneer verdachten of beklaagden in kennis worden gesteld van die beslissing, in het bijzonder wanneer zij in hechtenis worden genomen, zij eveneens in kennis worden gesteld van de mogelijkheid de beslissing aan te vechten en van het recht op een nieuw proces of op een andere voorziening in rechte. Dergelijke informatie dient schriftelijk te worden verstrekt. De informatie mag ook mondeling worden verstrekt, op voorwaarde dat het feit dat de informatie is verstrekt wordt vastgelegd overeenkomstig de volgens het nationaal recht geldende registratieprocedure.
(…)

HOOFDSTUK 3

RECHT OP AANWEZIGHEID BIJ PROCES

Artikel 8

Recht op aanwezigheid bij proces

1. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten en beklaagden het recht hebben om aanwezig te zijn bij hun terechtzitting.
2. De lidstaten kunnen voorzien in de mogelijkheid dat een proces, dat kan leiden tot een beslissing over schuld of onschuld van een verdachte of beklaagde, kan plaatsvinden in zijn afwezigheid, op voorwaarde dat:
a) de verdachte of beklaagde tijdig in kennis is gesteld van de terechtzitting en van de gevolgen van zijn afwezigheid; of
b) de verdachte of beklaagde, die van het proces in kennis is gesteld, wordt vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat die ofwel door de verdachte of de beklaagde dan wel door de staat werd aangesteld.
3. Een overeenkomstig lid 2 genomen beslissing kan jegens de verdachte of beklaagde ten uitvoer worden gelegd.
4. Wanneer lidstaten voorzien in de mogelijkheid om processen te houden in afwezigheid van verdachten of beklaagden, maar het niet mogelijk is te voldoen aan de in lid 2 van dit artikel gestelde voorwaarden, omdat een verdachte of beklaagde, ondanks redelijke inspanningen, niet kan worden gelokaliseerd, kunnen de lidstaten bepalen dat niettemin een beslissing kan worden genomen die ten uitvoer kan worden gelegd. In dat geval zorgen de lidstaten ervoor dat wanneer verdachten of beklaagden in kennis worden gesteld van de beslissing, in het bijzonder wanneer zij in hechtenis worden genomen, zij eveneens worden geïnformeerd over de mogelijkheid de beslissing aan te vechten en het recht op een nieuw proces of een andere voorziening in rechte, overeenkomstig artikel 9.
5. Dit artikel doet geen afbreuk aan nationale regels volgens welke de rechter of de bevoegde rechtbank een verdachte of beklaagde tijdelijk uit het proces kan weren wanneer dit noodzakelijk is om het goede verloop van de strafprocedure te waarborgen, mits de rechten van de verdediging worden geëerbiedigd.
6. Dit artikel doet geen afbreuk aan nationale regels volgens welke procedures of bepaalde fasen daarvan schriftelijk worden gevoerd, mits zulks strookt met het recht op een eerlijk proces.
Artikel 9

Recht op een nieuw proces

De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer verdachten of beklaagden niet aanwezig waren bij hun terechtzitting en niet is voldaan aan de in artikel 8, lid 2, gestelde voorwaarden, zij recht hebben op een nieuw proces, of een andere voorziening in rechte, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld, met inbegrip van de beoordeling van nieuw bewijsmateriaal, en dat kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing. In dit verband waarborgen de lidstaten dat die verdachten of beklaagden het recht hebben aanwezig te zijn, overeenkomstig nationaalrechtelijke procedures effectief deel te nemen, en hun recht op verdediging uit te oefenen.‘
13. In een arrest van 18 oktober 2022 heeft Uw Raad zich uitgelaten over de betekening van dagvaardingen en oproepingen, verstekverlening en Richtlijn (EU) 2016/343. [2] In de betreffende zaak waren de verdachte en zijn raadsvrouw in eerste aanleg verschenen. Namens de verdachte was, als gevolg van een schriftelijke bijzondere volmacht van de raadsvrouw van de verdachte aan een griffiemedewerker, hoger beroep ingesteld. Nadat de behandeling van de zaak in hoger beroep aanvankelijk was geschorst (mede) omdat in de aanvankelijke oproeping de postcode niet was vermeld, is de verdachte op de nadere terechtzitting in hoger beroep niet verschenen. De raadsvrouw van de verdachte was wel verschenen, maar deelde mee dat zij door de verdachte niet uitdrukkelijk was gemachtigd tot het voeren van de verdediging. In verband met het beroep dat het middel deed op artikel 8, tweede lid, Richtlijn (EU) 2016/343 overwoog Uw Raad:
‘3.5.2 Op grond van artikel 8 lid 1 Richtlijn Pro (EU) 2016/343 zorgen de lidstaten ervoor dat verdachten het recht hebben om aanwezig te zijn bij hun terechtzitting. Op grond van het tweede lid van die bepaling kunnen de lidstaten voorzien in de mogelijkheid dat een proces, dat kan leiden tot een beslissing over schuld of onschuld van een verdachte, kan plaatsvinden in zijn afwezigheid. Daarvoor geldt, voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, de voorwaarde dat de verdachte tijdig “in kennis is gesteld van de terechtzitting”. Het in kennis stellen van een verdachte van de terechtzitting in de zin van artikel 8 lid Pro 2, onder a, Richtlijn (EU) 2016/343 moet worden begrepen als het in persoon dagvaarden van de verdachte of het anderszins aan de verdachte verstrekken van officiële informatie over het tijdstip en de plaats van de terechtzitting, op een wijze die het hem mogelijk maakt kennis te krijgen van de terechtzitting (preambule onder 36). Bij de beoordeling of de wijze van kennisgeving voldoende waarborgt dat de verdachte op de hoogte is van het proces, komt betekenis toe aan zowel de zorgvuldigheid die de overheidsinstanties in acht hebben genomen bij de kennisgeving aan de verdachte, als aan de zorgvuldigheid die de verdachte heeft betracht om aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen (preambule onder 38).
3.5.3 Bij de vraag of aan de voorwaarden van artikel 8 lid 2 Richtlijn Pro (EU) 2016/343 is voldaan, kan de rechter zich baseren op de wijze waarop iemand volgens het nationale recht wordt opgeroepen voor de terechtzitting. Dergelijke regels van nationaal recht mogen echter niet afdoen aan de doelstelling van de richtlijn, namelijk het eerlijke verloop van de procedure waarborgen en de verdachte in staat stellen om bij zijn terechtzitting aanwezig te zijn. (Vgl. HvJ EU 19 mei 2022, zaak C-569/20, ECLI:EU:C:2022:401, overweging 43.)
3.5.4 Een overeenkomstig artikel 8 lid 2 Richtlijn Pro (EU) 2016/343 genomen beslissing is volgens het derde lid van het artikel vatbaar voor tenuitvoerlegging. Artikel 8 lid 4 Richtlijn Pro (EU) 2016/343 maakt echter mogelijk dat onder omstandigheden ook een behandeling bij verstek kan plaatsvinden als niet is voldaan aan de in het tweede lid van dat artikel gestelde voorwaarden. In zo’n geval schrijft artikel 9 Richtlijn Pro (EU) 2016/343 voor dat de verdachte recht heeft op een nieuw proces, of een andere voorziening in rechte, dat kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing. Gewaarborgd moet zijn dat de verdachte het recht heeft bij dit nieuwe proces aanwezig te zijn, overeenkomstig nationaalrechtelijke procedures effectief deel kan nemen en het recht op verdediging kan uitoefenen.
3.5.5 Uit het voorgaande volgt dat Richtlijn (EU) 2016/343 niet beoogt te regelen op welke wijze de betekening van de dagvaarding plaatsvindt. Wel volgt uit deze Richtlijn dat het onderzoek naar de vraag of de verdachte tijdig in kennis is gesteld van de terechtzitting, ertoe dient om vast te stellen of de verdachte na een verstekbehandeling recht heeft op een nieuw proces als bedoeld in artikel 9 van Pro die Richtlijn. Voor zover het cassatiemiddel berust op de opvatting dat artikel 8 lid 2 Richtlijn Pro (EU) 2016/343 specifieke – van artikel 36e lid 3 Sv en artikel 5 EU Pro-Rechtshulpovereenkomst afwijkende – eisen stelt aan de betekening van de dagvaarding of oproeping in hoger beroep, faalt het dus omdat die opvatting onjuist is.
3.6.1 Ook voor zover het cassatiemiddel zich keert tegen de beslissing van het hof om verstek te verlenen, kan het om de navolgende redenen niet tot cassatie leiden.
3.6.2 Uit het onder 3.2 weergegeven procesverloop volgt dat de verdachte en zijn raadsvrouw in eerste aanleg aanwezig waren bij de behandeling van de zaak en aansluitend bij de uitspraak. De verdachte heeft zijn raadsvrouw gemachtigd om tegen die uitspraak hoger beroep in te stellen. Bij het instellen van hoger beroep heeft de raadsvrouw medegedeeld dat de verdachte instemt met het door de griffiemedewerker in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep en het versturen van een afschrift daarvan naar het kantooradres van de raadsvrouw. De raadsvrouw is op de hoogte gesteld van de terechtzitting in hoger beroep van 21 april 2021 en zij heeft namens de verdachte schriftelijk grieven tegen het vonnis opgegeven. Op de zitting van 21 april 2021 heeft het hof geconstateerd dat het adres waarop de verdachte voor die zitting was gedagvaard niet volledig overeenstemde met het adres waarop de verdachte volgens de meest recente gegevens stond ingeschreven. Het hof heeft daarop bevolen dat de verdachte wordt opgeroepen op in elk geval het wel met die gegevens overeenstemmende adres. Vervolgens is de verdachte opnieuw opgeroepen op onder meer dat laatstbedoelde adres en zijn aan de raadsvrouw, op het namens de verdachte opgegeven kantooradres, afschriften verzonden van de oproepingen van de verdachte om te verschijnen op de nadere terechtzitting in hoger beroep van 28 september 2021. Op die terechtzitting is de verdachte niet verschenen; zijn raadsvrouw is wel verschenen maar zij gaf aan niet te zijn gemachtigd om namens de verdachte de verdediging te voeren.
3.6.3 Van een verdachte die hoger beroep instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak mag worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de dagvaarding in hoger beroep hem niet bereikt of de inhoud daarvan hem niet bekend wordt. Tot die maatregelen kan in elk geval worden gerekend dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman of raadsvrouw – die uit eigen hoofde een afschrift van die dagvaarding ontvangt als hij of zij zich in hoger beroep heeft gesteld – opdat de verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van behandeling van zijn zaak op de hoogte komt. (Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverweging 3.37.)
3.6.4 Het hof heeft, gelet op het vorenstaande, zonder schending van het aanwezigheidsrecht kunnen beslissen de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte te behandelen. De Hoge Raad neemt daarbij mede in aanmerking dat de verdachte en zijn raadsvrouw in overeenstemming met de daartoe strekkende wettelijke voorschriften zijn opgeroepen voor de zitting van 28 september 2021, dat de verdachte zich kennelijk – hoewel dat in de gegeven omstandigheden van hem mocht worden verlangd – niet bereikbaar heeft gehouden voor zijn raadsvrouw om (ook) langs die weg van het tijdstip van de behandeling van het namens hem ingestelde hoger beroep op de hoogte te komen, en dat de raadsvrouw, ondanks de mogelijkheid daartoe in hoger beroep, ook geen verzoek tot aanhouding van de zaak heeft gedaan met het oog op het kunnen uitoefenen van het aanwezigheidsrecht door de verdachte, of het verkrijgen van een machtiging als bedoeld in artikel 279 lid 1 Sv Pro.
3.6.5 Het cassatiemiddel faalt ook in zoverre.’
14. In een arrest van 12 december 2023 heeft Uw Raad overwegingen gewijd aan (de verhouding tussen) de opgave van een adres voor de toezending van een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep als bedoeld in artikel 450, derde lid, Sv en de opgave van een adres in de zin van artikel 36g, eerste lid, aanhef en onder c, Sv, in het bijzonder voor zover het de opgave van het kantooradres van de advocaat van de verdachte in de schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep betreft: [3]
‘2.4.1 De opgave van een adres voor de toezending van het afschrift van de dagvaarding in hoger beroep als bedoeld in artikel 450 lid 3 Sv Pro onderscheidt zich van de opgave van een adres in de zin van artikel 36g lid 1, aanhef en onder c, Sv. De eerstgenoemde opgave is verplicht als het instellen van het hoger beroep plaatsvindt door middel van een schriftelijke bijzondere volmacht aan een griffiemedewerker. Deze verplichting houdt verband met de in artikel 450 lid 3 Sv Pro geregelde mogelijkheid dat direct na het instellen van het hoger beroep een oproeping aan de verdachte om tegen een bepaalde datum op de terechtzitting te verschijnen wordt uitgereikt aan een griffiemedewerker. Die uitreiking geldt als uitreiking in persoon aan de verdachte, waarbij een afschrift van de oproeping aan het door of namens de verdachte opgegeven adres als bedoeld in artikel 450 lid 3 Sv Pro wordt verzonden (artikel 450 lid 5 Sv Pro). Dat mag ook het kantooradres zijn van de advocaat die namens de verdachte een schriftelijke bijzondere volmacht heeft verleend aan een griffiemedewerker om hoger beroep in te stellen.
2.4.2 Als de betekening van de dagvaarding of de oproeping niet direct na het instellen van het hoger beroep plaatsvindt, maar op een later gelegen moment, vindt artikel 450 lid 5 Sv Pro geen toepassing maar bestaat op grond van artikel 36g lid 1, aanhef en onder c, Sv wel de verplichting – behalve in de gevallen genoemd in artikel 36g lid 3 Sv – om een afschrift van de dagvaarding of oproeping toe te zenden aan een door of namens de verdachte bij het instellen van het hoger beroep opgegeven adres in Nederland waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Artikel 36g lid 1, aanhef en onder c, Sv heeft niet het oog op het kantooradres van een advocaat dat is vermeld in de akte rechtsmiddel of de door hem verstrekte schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van het rechtsmiddel, waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Voor de ontvangst van (afschriften van) dergelijke mededelingen geldt immers de regeling van artikel 48 Sv Pro.
2.4.3 Dit doet er niet aan af dat – gelet op het grote belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht – in het specifieke geval dat de dagvaarding in hoger beroep op grond van artikel 36e lid 2, aanhef en onder b, Sv is uitgereikt aan een medewerker van de autoriteit van welke zij is uitgegaan, omdat de verdachte niet is ingeschreven in de BRP en niet is gedetineerd in Nederland, en ook niet een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem in Nederland of een adres in het buitenland bekend is, de rechter in hoger beroep bij afwezigheid van de verdachte of een door hem op grond van artikel 279 Sv Pro gemachtigde raadsman de zaak niet in behandeling mag nemen dan nadat een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep is verzonden naar het in de akte rechtsmiddel dan wel het in de schriftelijke bijzondere volmacht vermelde kantooradres van de advocaat. Daarmee wordt dan bevorderd dat de verdachte langs die weg op de hoogte komt van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak. (Vgl. met betrekking tot artikel 588a (oud) Sv HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:319.)
2.5.1 De opgave van het kantooradres van de advocaat voor de toezending van “de akte en de oproep voor de behandeling van het hoger beroep” in de onder 2.2.1 genoemde volmacht geldt als de opgave van een adres voor de toezending van het afschrift van de dagvaarding in hoger beroep zoals bedoeld in artikel 450 lid 3 Sv Pro. In deze zaak heeft zich niet de onder 2.4.1 besproken situatie voorgedaan dat direct na het instellen van het hoger beroep een oproeping aan de verdachte om tegen een bepaalde datum op de terechtzitting te verschijnen is uitgereikt aan een griffiemedewerker.
2.5.2 Het kantooradres van de advocaat dat wordt genoemd in de hiervoor onder 2.2.1 genoemde volmacht geldt, gelet op wat onder 2.4.2 is vooropgesteld, niet als een adres zoals bedoeld in artikel 36g lid 1, aanhef en onder c, Sv. Ook doet zich in deze zaak, gelet op de onder 2.2.1 genoemde gegevens, niet het onder 2.4.3 aangeduide specifieke geval voor dat de dagvaarding in hoger beroep op grond van artikel 36e lid 2, aanhef en onder b, Sv is uitgereikt aan een medewerker van de autoriteit van welke zij is uitgegaan, omdat de verdachte niet is ingeschreven in de BRP en niet is gedetineerd in Nederland en geen feitelijke woon- of verblijfplaats van hem in Nederland of een adres in het buitenland bekend is.
2.5.3 Gelet op het voorgaande is het achterwege blijven van de verzending van een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep naar het kantooradres dat de advocaat heeft opgegeven in de schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep, niet een omstandigheid die het hof verplichtte het onderzoek op de terechtzitting te schorsen om alsnog een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep te doen verzenden naar het kantooradres van de advocaat.‘

Bespreking van het middel

15. De stellers van het middel voeren aan dat ‘het in de volmacht opgegeven adres niet anders (kan) worden begrepen dan als de opgave van een adres in de zin van art. 36g, lid 1 Sv waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden’ en dat gelet op het grote belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht ‘in zaken als de onderhavige, waarin bij het instellen van hoger beroep een specifiek adres is opgegeven als bedoeld in art. 36g lid 1 onder c Sv, de appelrechter bij afwezigheid van de verdachte of een door hem op de voet van art. 279 Sv Pro gemachtigde raadsman de zaak niet in behandeling mag nemen dan nadat een afschrift van de appeldagvaarding is verzonden naar het in de schriftelijke volmacht specifiek vermelde adres opdat de verdachte mogelijk langs die weg op de hoogte komt van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak’. Het hof had daarom ‘ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog daarbij tegenwoordig te zijn’.
16. De betekening van de dagvaarding heeft in de onderhavige zaak niet direct na het instellen van het hoger beroep plaatsgevonden, maar op een later moment. Dat betekent dat zich niet de situatie voordoet waarin op grond van art. 450, vijfde lid, Sv een afschrift van de dagvaarding dient te worden toegezonden aan het in de schriftelijke bijzondere volmacht opgegeven adres. Dat wordt door de stellers van het middel ook niet betoogd.
17. Het middel bevat de klacht dat niet is voldaan aan het voorschrift van artikel 36g, eerste lid, Sv. Gelet op het geciteerde arrest van 12 december 2023 moet de opgave van het kantooradres van de raadsvrouw in de schriftelijke bijzondere volmacht als adres waarop de verdachte ‘een afschrift van de oproeping per gewone brief’ wenst te ontvangen, echter worden aangemerkt als een opgave van een adres voor de toezending van het afschrift van de dagvaarding in hoger beroep als bedoeld in artikel 450, derde lid, Sv en niet als een opgave van een adres in de zin van artikel 36g, eerste lid, aanhef en onder c, Sv. Voor zover het middel ervan uitgaat dat aan het aldus opgegeven adres op grond van artikel 36g, eerste lid, aanhef en onder c, Sv een afschrift van de dagvaarding diende te worden toegezonden, berust het derhalve op een onjuiste rechtsopvatting.
18. Ik merk voorts op dat zich in deze zaak niet het geval voordoet waarin de dagvaarding in hoger beroep op grond van artikel 36e, tweede lid, aanhef en onder b, Sv is uitgereikt aan een medewerker van de autoriteit van welke zij is uitgegaan, omdat de verdachte niet is ingeschreven in de BRP en niet is gedetineerd in Nederland en geen feitelijke woon- of verblijfplaats van hem in Nederland of een adres in het buitenland bekend is. De verdachte had een BRP-adres.
19. Gelet op het voorgaande is het achterwege blijven van de verzending van een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep naar het kantooradres dat de raadsvrouw van de verdachte heeft opgegeven in de schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep, niet een omstandigheid die het hof verplichtte het onderzoek op de terechtzitting te schorsen om alsnog een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep te doen verzenden naar dat adres. [4] Voor zover het middel daarover klaagt, faalt het.
20. De stellers van het middel voeren voorts aan dat ‘in zaken als de onderhavige, waarin de dagvaarding in hoger beroep niet aan verdachte in persoon is uitgereikt en niet is vastgesteld dat de verdachte ondubbelzinnig bewust afstand heeft gedaan van zijn recht aanwezig te zijn bij zijn berechting, en niet is onderzocht of aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van Richtlijn 2016/343 is voldaan, te weten dat de verdachte in kennis is gesteld van een officieel document met ondubbelzinnige vermelding van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting èn van de gevolgen van zijn eventuele afwezigheid indien hij niet door een gemachtigde advocaat wordt vertegenwoordigd’, het hof gehouden is de behandeling aan te houden totdat is gebleken dat verdachte ondubbelzinnig en bewust afstand van het aanwezigheidsrecht heeft gedaan.
21. De voorzitter van het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep verstek verleend tegen de verdachte. In die beslissing ligt besloten dat het hof heeft vastgesteld dat de dagvaarding van de verdachte op juiste wijze was betekend (artikelen 278-280 Sv). In het licht van de op de betekening betrekking hebbende stukken van het geding, die hiervoor zijn weergegeven, getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Het middel klaagt ook niet over dat oordeel. Aangevoerd wordt dat (de inhoud van Richtlijn 2016/343 meebrengt dat) het hof de zaak had moeten aanhouden.
22. Art. 8 van Pro Richtlijn (EU) 2016/343 voorziet in de mogelijkheid van een proces in afwezigheid van de verdachte. Voorwaarde is dat de verdachte tijdig in kennis is gesteld van de terechtzitting en van de gevolgen van zijn afwezigheid, of dat de verdachte, die van het proces in kennis is gesteld, wordt vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat (lid 2). Wanneer het niet mogelijk is te voldoen aan deze voorwaarden omdat een verdachte, ondanks redelijke inspanningen, niet kan worden gelokaliseerd, kunnen de lidstaten bepalen dat niettemin een beslissing kan worden genomen die ten uitvoer kan worden gelegd (lid 4). Art. 9 van Pro Richtlijn (EU) 2016/343 schrijft voor dat de lidstaten ervoor zorgen dat, wanneer verdachten niet aanwezig waren bij hun terechtzitting en niet is voldaan aan de in art. 8, tweede lid, gestelde voorwaarden, zij ‘recht hebben op een nieuw proces, of een andere voorziening in rechte, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld’. In dit verband waarborgen de lidstaten dat verdachten het recht hebben aanwezig te zijn en hun recht op verdediging uit te oefenen.
23 Uit dit samenstel van bepalingen volgt dat art. 9 van Pro Richtlijn (EU) 2016/343 alleen in het geval waarin een verdachte niet aanwezig was bij de terechtzitting en niet is voldaan aan de in artikel 8, tweede lid, van Richtlijn (EU) 2016/343 gestelde voorwaarden de verdachte het recht toekent ‘op een nieuw proces, of een andere voorziening in rechte, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld’. De lidstaten dienen voorts te waarborgen dat de verdachte in dat nieuwe proces het recht heeft aanwezig te zijn. De mogelijkheid om het nieuwe proces waar art. 9 over Pro spreekt bij afwezigheid van de verdachte te voeren wordt zo bezien (alleen) begrensd door het aanwezigheidsrecht, niet door de regeling van art. 8, tweede lid, van Richtlijn (EU) 2016/343. [5]
24. Dat brengt mee dat het middel, voor zover dat ervan uitgaat dat het hof had moeten onderzoeken of aan de voorwaarden van art. 8, tweede lid, van Richtlijn (EU) 2016/343 is voldaan, uitgaat van een verkeerde lezing van de richtlijn.
25. Voor zover het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat de zaak zonder schending van het aanwezigheidsrecht buiten aanwezigheid van de verdachte kon worden behandeld merk ik het volgende op.
26. Uit het hiervoor weergegeven procesverloop volgt dat de verdachte de raadsvrouw heeft gemachtigd om tegen de uitspraak in eerste aanleg hoger beroep in te stellen. Bij het instellen van het hoger beroep heeft de raadsvrouw medegedeeld dat de verdachte instemt met het door de griffiemedewerker in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep. Vervolgens is de verdachte voor de terechtzitting van 18 mei 2022 gedagvaard op zijn BRP-adres alsmede zijn laatst opgegeven woon- of verblijfplaats en is de raadsvrouw op de hoogte gesteld van die terechtzitting. Op die terechtzitting is noch de verdachte noch de raadsvrouw verschenen. De raadsvrouw heeft geen verzoek tot aanhouding gedaan met het oog op het kunnen uitoefenen van het aanwezigheidsrecht door de verdachte of het verkrijgen van een machtiging als bedoeld in artikel 279, eerste lid, Sv.
27. Gelet hierop en nu van een verdachte die hoger beroep instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak mag worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de dagvaarding in hoger beroep hem niet bereikt of de inhoud daarvan hem niet bekend wordt, waartoe in elk geval kan worden gerekend dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman of raadsvrouw – die uit eigen hoofde een afschrift van die dagvaarding ontvangt als hij of zij zich in hoger beroep heeft gesteld – opdat de verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van behandeling van zijn zaak op de hoogte komt, heeft het hof zonder schending van het aanwezigheidsrecht kunnen beslissen de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte te behandelen. Daaraan doet niet af dat de raadsvrouw bij het instellen van hoger beroep expliciet een adres heeft opgegeven waarnaar een afschrift van de dagvaarding kan worden verstuurd en dat zich niet een situatie voordoet waarin kan worden vastgesteld dat de verdachte opzettelijk en met de bedoeling om zich aan berechting te onttrekken zich niet heeft ingeschreven in de administratie.
28. Het middel faalt.

Afronding

29. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
30. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Voluit: Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn,
2.HR 18 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1469,
3.HR 12 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1701,
4.De stellers van het middel wijzen nog op HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:66. Uit dat arrest blijkt evenwel niet dat het opgegeven adres het kantooradres van de raadsman of raadsvrouw was.
5.Zo begrijp ik ook Uw Raad, in het arrest van 18 oktober 2022. Uw Raad stelt vast dat het hof ‘zonder schending van het aanwezigheidsrecht (heeft) kunnen beslissen de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte te behandelen’ (rov. 3.6.4). In de systematiek van de richtlijn ligt derhalve besloten dat art. 8, tweede en vierde lid, van de richtlijn alleen zien op een verstekberechting in eerste aanleg. Zie ook de conclusie voor HR 18 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1470, in welke zaak eveneens sprake was van een verstekberechting in eerste aanleg en in hoger beroep (randnummer 34).