Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en beslissingen op gevoerde verweren
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het tweede middel
5.Beslissing
28 februari 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die op 1 januari 2014 te Amsterdam werd beschuldigd van poging tot doodslag door het slaan en vervolgens schoppen tegen het hoofd van het slachtoffer.
Het hof stelde vast dat de verdachte eerst werd aangevallen en dat hij in eerste instantie rechtmatig handelde uit noodweer bij het slaan in het gezicht van het slachtoffer. Echter, bij het inspringen en schoppen tegen het hoofd van het slachtoffer overschreed de verdachte de grenzen van noodzakelijke verdediging.
Toch oordeelde het hof dat deze overschrijding het onmiddellijke gevolg was van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de aanval van het slachtoffer, mede beïnvloed door een posttraumatische stressstoornis (PTSS) bij de verdachte. Hierdoor werd het beroep op noodweerexces gehonoreerd en werd de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep, waarbij werd benadrukt dat de hevige gemoedsbeweging van doorslaggevend belang was voor de gedraging en dat de PTSS slechts mede veroorzaker was, maar niet de essentie van de gemoedsbeweging vormde.
Het arrest werd uitgesproken door de strafkamer van de Hoge Raad op 28 februari 2017.
Uitkomst: Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens noodweerexces bij poging tot doodslag.