ECLI:NL:PHR:2024:452

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 april 2024
Publicatiedatum
22 april 2024
Zaaknummer
22/01260
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416.2 SvArt. 8 Richtlijn (EU) 2016/343Art. 9 Richtlijn (EU) 2016/343Art. 432 lid 2 SvArt. 450 lid 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid cassatieberoep ondanks verstek in hoger beroep

De verdachte werd in eerste aanleg bij verstek veroordeeld wegens overtreding van de Opiumwet en diefstal. In hoger beroep verscheen hij niet, waarna het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden hem niet-ontvankelijk verklaarde. De verdachte stelde cassatieberoep in met één middel dat betoogde dat het hof ten onrechte verstek had verleend zonder ondubbelzinnige afstand van het aanwezigheidsrecht en zonder te onderzoeken of aan de voorwaarden van Richtlijn (EU) 2016/343 was voldaan.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad bespreekt uitgebreid het procesverloop, de betekening van dagvaardingen, en de toepassing van de Europese richtlijn die het recht op aanwezigheid bij de terechtzitting regelt. De Hoge Raad overweegt dat het cassatieberoep ontvankelijk is omdat niet is komen vast te staan dat het beroep niet binnen de termijn was ingesteld.

Verder wordt geoordeeld dat het hof terecht verstek heeft verleend, omdat de verdachte en zijn raadsman tijdig waren opgeroepen, de verdachte zich niet bereikbaar hield voor zijn raadsman, en de raadsman niet gemachtigd was om te verschijnen. De richtlijn laat processen in afwezigheid toe onder voorwaarden die hier zijn nageleefd. Het middel faalt en het beroep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ontvankelijk verklaard maar het middel faalt, waardoor het bestreden arrest in stand blijft.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/01260

Zitting23 april 2024
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 8 juli 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 8 februari 2019 waarbij de verdachte wegens 1. ‘opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod’ en 2. ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking’ is veroordeeld tot drie weken gevangenisstraf.
Er bestaat samenhang met de zaken 22/01261, 22/01956 en 22/01955. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt, S. van den Akker en M.J. van Berlo, allen advocaat te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
Inzake de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, dat op 6 april 2022 is ingesteld, merk ik op dat de verdachte niet op de terechtzitting in hoger beroep is verschenen, nadat de dagvaarding om op die terechtzitting te verschijnen niet in persoon is betekend. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat het beroep in cassatie niet is ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het bestreden arrest de verdachte bekend was (art. 432, tweede lid, Sv). Dat brengt mee dat het cassatieberoep ontvankelijk is.
Het middel behelst de klacht dat het hof de zaak ten onrechte bij verstek heeft afgedaan.
Voordat ik het middel bespreek, geef ik het procesverloop, een deel van de inhoud van Richtlijn (EU) 2016/343 en een arrest van Uw Raad inzake die richtlijn weer.

Het procesverloop

7. De verdachte is in eerste aanleg bij verstek veroordeeld. Voorafgaand aan de terechtzitting in eerste aanleg van 8 februari 2019 is tot tweemaal toe (op 6 december 2018 en op 24 januari 2019) geprobeerd de dagvaarding aan de verdachte te betekenen op het adres [a-straat 1], [postcode] [plaats]. Omdat er telkens niemand aanwezig was op dat adres en de dagvaarding vervolgens telkens ook niet is opgehaald bij (kennelijk) de afhaallocatie van IPKD in Zwolle, is de dagvaarding op 4 februari 2019 aan de griffier betekend.
8. De mededeling uitspraak van het vonnis van 8 februari 2019 is blijkens een daarvan opgemaakte akte op 17 maart 2020 aan de verdachte uitgereikt. De stukken van het geding bevatten geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de verdachte voorafgaand aan die datum bekend is geworden met het vonnis van 8 februari 2019.
9. Bij e-mail van 17 maart 2020 heeft A.C. Huisman een griffiemedewerker van de rechtbank Gelderland gemachtigd om namens de verdachte hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 8 februari 2019. De bij de e-mail gevoegde schriftelijke bijzondere volmacht als bedoeld in artikel 450, derde lid, Sv houdt onder meer het volgende in:
‘Ondergetekende is door [verdachte] voornoemd conform het bepaalde in artikel 450, lid 1 sub a Sv bepaaldelijk gevolmachtigd om in bovengenoemde zaak hoger beroep in te stellen tegen het eindvonnis en alle ter terechtzitting genomen beslissingen. Bij deze verleen ik een schriftelijke bijzondere volmacht aan de griffiemedewerker om overeenkomstig het bepaalde in artikel 450, lid 3 Sv, hoger beroep in te stellen in bovengenoemde zaak. Ik verzoek u uitvoering te geven aan deze volmacht. Cliënt stemt er mee in dat de medewerker van de griffie aanstonds de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep in ontvangst neemt.
Cliënt geeft conform de slotzin van artikel 450 lid 3 Sv Pro als adres voor het ontvangen van een afschrift van de appeldagvaarding als adres op: Postbus 797, 7400 AT Deventer.’
10. De betekening van de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep heeft niet direct na het instellen van het hoger beroep plaatsgevonden, maar op een later moment.
11. Bij de stukken bevinden zich met betrekking tot de betekening van de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep en de informatieverstrekking aan de raadsman de volgende bescheiden:
- Een Informatiestaat SKDB-persoon van 11 mei 2021, die de volgende informatie bevat: de verdachte is niet-ingezetene (Vertrokken Onbekend Waarheen), hij heeft met ingang van 28 augustus 2020 als BRP-adres het adres [b-straat 1], [postcode] te [plaats] en dat is tevens zijn laatst opgegeven woon- of verblijfplaats (datum registratie: 30 december 2020), en de verdachte is niet gedetineerd;
- Dagvaardingen van de verdachte om te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep van 8 juli 2021 waarop als adres is vermeld ‘Thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande’ respectievelijk ‘[b-straat 1], [postcode] [plaats];
- Een akte van uitreiking waarin de verdachte als geadresseerde is vermeld, met als adres ‘Thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande’ die inhoudt dat de dagvaarding op 11 mei 2021 is uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie omdat de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde niet bekend is;
- Een akte van uitreiking waarin de verdachte als geadresseerde is vermeld, met het adres [b-straat 1], [postcode] te [plaats] die inhoudt dat op 19 mei 2021 gepoogd is de dagvaarding uit te reiken op dat adres, doch dat de dagvaarding niet is uitgereikt omdat geadresseerde niet (meer) op het vermelde adres woont;
- Een akte van uitreiking die inhoudt dat de dagvaarding gericht aan de verdachte, met het adres [b-straat 1], [postcode] te [plaats] op 27 mei 2021 is uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie en dat een afschrift is verzonden naar het op de akte vermelde adres;
- Twee aan de raadsman van de verdachte – op het adres Postbus 797, 7400 AT te Deventer – geadresseerde stukken met het opschrift ‘Dagvaarding van verdachte in hoger beroep’ van 11 mei 2021 (vermeldend respectievelijk dat de verdachte thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande is en het adres [b-straat 1], [postcode] te [plaats]), die onder meer inhouden dat op 8 juli 2021 de strafzaak tegen verdachte wordt behandeld.
12. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 juli 2021 houdt het volgende in:
‘De verdachte genaamd:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
is niet verschenen.
De raadsman van verdachte, mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer is evenmin verschenen. De raadsman heeft per e-mailbericht van 6 juli 2021 aan het hof laten weten vandaag niet ter terechtzitting te zullen verschijnen, aangezien hij geen contact heeft kunnen krijgen met zijn cliënt en niet gemachtigd is.
De voorzitter deelt mede dat de dagvaarding voor de terechtzitting van vandaag op juiste wijze is betekend.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor en vordert de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het appel op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De advocaat-generaal legt de vordering aan het hof over.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden.’
13. Het bestreden arrest houdt het volgende in:

‘Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hof ziet in deze zaak aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte geen bezwaren heeft opgegeven tegen het hierboven genoemde vonnis en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.’

Richtlijn (EU) 2016/343 en een arrest

14. Richtlijn (EU) 2016/343 houdt, voor zover van belang voor de beoordeling van het middel, het volgende in: [1]
‘(35) Het recht van verdachten en beklaagden om bij de terechtzitting aanwezig te zijn, is niet absoluut. Onder bepaalde voorwaarden dienen verdachten en beklaagden de mogelijkheid te hebben om, uitdrukkelijk of stilzwijgend maar op ondubbelzinnige wijze, afstand te doen van dat recht.
(36) In bepaalde omstandigheden moet een beslissing over de schuld of onschuld van een verdachte of beklaagde kunnen worden gegeven, zelfs wanneer de betrokkene niet bij de terechtzitting aanwezig is. Dit kan het geval zijn wanneer de verdachte of beklaagde tijdig in kennis is gesteld van de terechtzitting en van de gevolgen van eventuele afwezigheid, en desondanks niet verschijnt. Het in kennis stellen van een verdachte of beklaagde van de terechtzitting moet worden begrepen als het in persoon dagvaarden van de betrokkene of het anderszins aan de betrokkene verstrekken van officiële informatie over het tijdstip en de plaats van de terechtzitting, op een wijze die het hem mogelijk maakt kennis te krijgen van de terechtzitting. Het in kennis stellen van de verdachte of de beklaagde van de gevolgen van afwezigheid moet met name worden begrepen als het informeren van de betrokkene dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op de terechtzitting verschijnt.
(37) Het moet ook mogelijk zijn om in afwezigheid van een verdachte of beklaagde een proces te voeren dat kan leiden tot een beslissing over schuld of onschuld, wanneer die persoon van de terechtzitting in kennis is gesteld en een door hemzelf of door de staat aangestelde advocaat heeft gemachtigd om hem tijdens die terechtzitting te vertegenwoordigen, en die advocaat namens de verdachte of beklaagde ter terechtzitting verschijnt.
(38) Bij de beoordeling of de wijze van kennisgeving voldoende waarborgt dat de betrokkene op de hoogte is van het proces, moet in voorkomend geval ook bijzondere aandacht worden besteed aan de zorgvuldigheid die de overheidsinstanties in acht hebben genomen bij de kennisgeving aan betrokkene en aan de zorgvuldigheid die betrokkene heeft betracht om aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen.
(39) Wanneer lidstaten voorzien in de mogelijkheid om processen te voeren in afwezigheid van verdachten of beklaagden, maar niet is voldaan aan de voorwaarden om een beslissing te kunnen nemen bij afwezigheid van een bepaalde verdachte of beklaagde, omdat de verdachte of beklaagde, ondanks redelijke inspanningen, niet kon worden gelokaliseerd, bijvoorbeeld omdat hij is gevlucht of er vandoor is gegaan, moet het niettemin mogelijk zijn om een beslissing te nemen bij afwezigheid van de verdachte of beklaagde, en om deze beslissing ten uitvoer te leggen. In dat geval moeten de lidstaten ervoor zorgen dat wanneer verdachten of beklaagden in kennis worden gesteld van die beslissing, in het bijzonder wanneer zij in hechtenis worden genomen, zij eveneens in kennis worden gesteld van de mogelijkheid de beslissing aan te vechten en van het recht op een nieuw proces of op een andere voorziening in rechte. Dergelijke informatie dient schriftelijk te worden verstrekt. De informatie mag ook mondeling worden verstrekt, op voorwaarde dat het feit dat de informatie is verstrekt wordt vastgelegd overeenkomstig de volgens het nationaal recht geldende registratieprocedure.
(…)

HOOFDSTUK 3

RECHT OP AANWEZIGHEID BIJ PROCES

Artikel 8

Recht op aanwezigheid bij proces

1. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten en beklaagden het recht hebben om aanwezig te zijn bij hun terechtzitting.
2. De lidstaten kunnen voorzien in de mogelijkheid dat een proces, dat kan leiden tot een beslissing over schuld of onschuld van een verdachte of beklaagde, kan plaatsvinden in zijn afwezigheid, op voorwaarde dat:
a) de verdachte of beklaagde tijdig in kennis is gesteld van de terechtzitting en van de gevolgen van zijn afwezigheid; of
b) de verdachte of beklaagde, die van het proces in kennis is gesteld, wordt vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat die ofwel door de verdachte of de beklaagde dan wel door de staat werd aangesteld.
3. Een overeenkomstig lid 2 genomen beslissing kan jegens de verdachte of beklaagde ten uitvoer worden gelegd.
4. Wanneer lidstaten voorzien in de mogelijkheid om processen te houden in afwezigheid van verdachten of beklaagden, maar het niet mogelijk is te voldoen aan de in lid 2 van dit artikel gestelde voorwaarden, omdat een verdachte of beklaagde, ondanks redelijke inspanningen, niet kan worden gelokaliseerd, kunnen de lidstaten bepalen dat niettemin een beslissing kan worden genomen die ten uitvoer kan worden gelegd. In dat geval zorgen de lidstaten ervoor dat wanneer verdachten of beklaagden in kennis worden gesteld van de beslissing, in het bijzonder wanneer zij in hechtenis worden genomen, zij eveneens worden geïnformeerd over de mogelijkheid de beslissing aan te vechten en het recht op een nieuw proces of een andere voorziening in rechte, overeenkomstig artikel 9.
5. Dit artikel doet geen afbreuk aan nationale regels volgens welke de rechter of de bevoegde rechtbank een verdachte of beklaagde tijdelijk uit het proces kan weren wanneer dit noodzakelijk is om het goede verloop van de strafprocedure te waarborgen, mits de rechten van de verdediging worden geëerbiedigd.
6. Dit artikel doet geen afbreuk aan nationale regels volgens welke procedures of bepaalde fasen daarvan schriftelijk worden gevoerd, mits zulks strookt met het recht op een eerlijk proces.
Artikel 9

Recht op een nieuw proces

De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer verdachten of beklaagden niet aanwezig waren bij hun terechtzitting en niet is voldaan aan de in artikel 8, lid 2, gestelde voorwaarden, zij recht hebben op een nieuw proces, of een andere voorziening in rechte, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld, met inbegrip van de beoordeling van nieuw bewijsmateriaal, en dat kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing. In dit verband waarborgen de lidstaten dat die verdachten of beklaagden het recht hebben aanwezig te zijn, overeenkomstig nationaalrechtelijke procedures effectief deel te nemen, en hun recht op verdediging uit te oefenen.‘
15. In een arrest van 18 oktober 2022 heeft Uw Raad zich uitgelaten over de betekening van dagvaardingen en oproepingen, verstekverlening en Richtlijn (EU) 2016/343. [2] In de betreffende zaak waren de verdachte en zijn raadsvrouw in eerste aanleg verschenen. Namens de verdachte was, als gevolg van een schriftelijke bijzondere volmacht van de raadsvrouw van de verdachte aan een griffiemedewerker, hoger beroep ingesteld. Nadat de behandeling van de zaak in hoger beroep aanvankelijk was geschorst (mede) omdat in de aanvankelijke oproeping de postcode niet was vermeld, is de verdachte op de nadere terechtzitting in hoger beroep niet verschenen. De raadsvrouw van de verdachte was wel verschenen, maar deelde mee dat zij door de verdachte niet uitdrukkelijk was gemachtigd tot het voeren van de verdediging. In verband met het beroep dat het middel deed op artikel 8, tweede lid, Richtlijn (EU) 2016/343 overwoog Uw Raad:
‘3.5.2 Op grond van artikel 8 lid 1 Richtlijn Pro (EU) 2016/343 zorgen de lidstaten ervoor dat verdachten het recht hebben om aanwezig te zijn bij hun terechtzitting. Op grond van het tweede lid van die bepaling kunnen de lidstaten voorzien in de mogelijkheid dat een proces, dat kan leiden tot een beslissing over schuld of onschuld van een verdachte, kan plaatsvinden in zijn afwezigheid. Daarvoor geldt, voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, de voorwaarde dat de verdachte tijdig “in kennis is gesteld van de terechtzitting”. Het in kennis stellen van een verdachte van de terechtzitting in de zin van artikel 8 lid Pro 2, onder a, Richtlijn (EU) 2016/343 moet worden begrepen als het in persoon dagvaarden van de verdachte of het anderszins aan de verdachte verstrekken van officiële informatie over het tijdstip en de plaats van de terechtzitting, op een wijze die het hem mogelijk maakt kennis te krijgen van de terechtzitting (preambule onder 36). Bij de beoordeling of de wijze van kennisgeving voldoende waarborgt dat de verdachte op de hoogte is van het proces, komt betekenis toe aan zowel de zorgvuldigheid die de overheidsinstanties in acht hebben genomen bij de kennisgeving aan de verdachte, als aan de zorgvuldigheid die de verdachte heeft betracht om aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen (preambule onder 38).
3.5.3 Bij de vraag of aan de voorwaarden van artikel 8 lid 2 Richtlijn Pro (EU) 2016/343 is voldaan, kan de rechter zich baseren op de wijze waarop iemand volgens het nationale recht wordt opgeroepen voor de terechtzitting. Dergelijke regels van nationaal recht mogen echter niet afdoen aan de doelstelling van de richtlijn, namelijk het eerlijke verloop van de procedure waarborgen en de verdachte in staat stellen om bij zijn terechtzitting aanwezig te zijn. (Vgl. HvJ EU 19 mei 2022, zaak C-569/20, ECLI:EU:C:2022:401 (IR), overweging 43.)
3.5.4 Een overeenkomstig artikel 8 lid 2 Richtlijn Pro (EU) 2016/343 genomen beslissing is volgens het derde lid van het artikel vatbaar voor tenuitvoerlegging. Artikel 8 lid 4 Richtlijn Pro (EU) 2016/343 maakt echter mogelijk dat onder omstandigheden ook een behandeling bij verstek kan plaatsvinden als niet is voldaan aan de in het tweede lid van dat artikel gestelde voorwaarden. In zo’n geval schrijft artikel 9 Richtlijn Pro (EU) 2016/343 voor dat de verdachte recht heeft op een nieuw proces, of een andere voorziening in rechte, dat kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing. Gewaarborgd moet zijn dat de verdachte het recht heeft bij dit nieuwe proces aanwezig te zijn, overeenkomstig nationaalrechtelijke procedures effectief deel kan nemen en het recht op verdediging kan uitoefenen.
3.5.5 Uit het voorgaande volgt dat Richtlijn (EU) 2016/343 niet beoogt te regelen op welke wijze de betekening van de dagvaarding plaatsvindt. Wel volgt uit deze Richtlijn dat het onderzoek naar de vraag of de verdachte tijdig in kennis is gesteld van de terechtzitting, ertoe dient om vast te stellen of de verdachte na een verstekbehandeling recht heeft op een nieuw proces als bedoeld in artikel 9 van Pro die Richtlijn. Voor zover het cassatiemiddel berust op de opvatting dat artikel 8 lid 2 Richtlijn Pro (EU) 2016/343 specifieke – van artikel 36e lid 3 Sv en artikel 5 EU Pro-Rechtshulpovereenkomst afwijkende – eisen stelt aan de betekening van de dagvaarding of oproeping in hoger beroep, faalt het dus omdat die opvatting onjuist is.
3.6.1 Ook voor zover het cassatiemiddel zich keert tegen de beslissing van het hof om verstek te verlenen, kan het om de navolgende redenen niet tot cassatie leiden.
3.6.2 Uit het onder 3.2 weergegeven procesverloop volgt dat de verdachte en zijn raadsvrouw in eerste aanleg aanwezig waren bij de behandeling van de zaak en aansluitend bij de uitspraak. De verdachte heeft zijn raadsvrouw gemachtigd om tegen die uitspraak hoger beroep in te stellen. Bij het instellen van hoger beroep heeft de raadsvrouw medegedeeld dat de verdachte instemt met het door de griffiemedewerker in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep en het versturen van een afschrift daarvan naar het kantooradres van de raadsvrouw. De raadsvrouw is op de hoogte gesteld van de terechtzitting in hoger beroep van 21 april 2021 en zij heeft namens de verdachte schriftelijk grieven tegen het vonnis opgegeven. Op de zitting van 21 april 2021 heeft het hof geconstateerd dat het adres waarop de verdachte voor die zitting was gedagvaard niet volledig overeenstemde met het adres waarop de verdachte volgens de meest recente gegevens stond ingeschreven. Het hof heeft daarop bevolen dat de verdachte wordt opgeroepen op in elk geval het wel met die gegevens overeenstemmende adres. Vervolgens is de verdachte opnieuw opgeroepen op onder meer dat laatstbedoelde adres en zijn aan de raadsvrouw, op het namens de verdachte opgegeven kantooradres, afschriften verzonden van de oproepingen van de verdachte om te verschijnen op de nadere terechtzitting in hoger beroep van 28 september 2021. Op die terechtzitting is de verdachte niet verschenen; zijn raadsvrouw is wel verschenen maar zij gaf aan niet te zijn gemachtigd om namens de verdachte de verdediging te voeren.
3.6.3 Van een verdachte die hoger beroep instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak mag worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de dagvaarding in hoger beroep hem niet bereikt of de inhoud daarvan hem niet bekend wordt. Tot die maatregelen kan in elk geval worden gerekend dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman of raadsvrouw – die uit eigen hoofde een afschrift van die dagvaarding ontvangt als hij of zij zich in hoger beroep heeft gesteld – opdat de verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van behandeling van zijn zaak op de hoogte komt. (Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverweging 3.37.)
3.6.4 Het hof heeft, gelet op het vorenstaande, zonder schending van het aanwezigheidsrecht kunnen beslissen de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte te behandelen. De Hoge Raad neemt daarbij mede in aanmerking dat de verdachte en zijn raadsvrouw in overeenstemming met de daartoe strekkende wettelijke voorschriften zijn opgeroepen voor de zitting van 28 september 2021, dat de verdachte zich kennelijk – hoewel dat in de gegeven omstandigheden van hem mocht worden verlangd – niet bereikbaar heeft gehouden voor zijn raadsvrouw om (ook) langs die weg van het tijdstip van de behandeling van het namens hem ingestelde hoger beroep op de hoogte te komen, en dat de raadsvrouw, ondanks de mogelijkheid daartoe in hoger beroep, ook geen verzoek tot aanhouding van de zaak heeft gedaan met het oog op het kunnen uitoefenen van het aanwezigheidsrecht door de verdachte, of het verkrijgen van een machtiging als bedoeld in artikel 279 lid 1 Sv Pro.
3.6.5 Het cassatiemiddel faalt ook in zoverre.’

Bespreking van het middel

16. De stellers van het middel menen dat in zaken als de onderhavige, ‘waarin de dagvaarding in hoger beroep niet aan verdachte in persoon is uitgereikt en niet is vastgesteld dat de verdachte ondubbelzinnig bewust afstand heeft gedaan van zijn recht aanwezig te zijn bij zijn berechting, en niet is onderzocht of aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van Richtlijn 2016/343 is voldaan, te weten dat de verdachte in kennis is gesteld van een officieel document met ondubbelzinnige vermelding van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting en van de gevolgen van zijn eventuele afwezigheid indien hij niet door een gemachtigde advocaat wordt vertegenwoordigd’, het hof gehouden is de behandeling aan te houden totdat is gebleken dat verdachte ondubbelzinnig en bewust afstand van het aanwezigheidsrecht heeft gedaan. Volgens hen is daarbij van belang dat pas een jaar na het instellen van hoger beroep is vastgesteld dat de verdachte geen adres heeft opgegeven.
17. De voorzitter van het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep vastgesteld dat de dagvaarding van de verdachte op juiste wijze was betekend. In het licht van de op de betekening betrekking hebbende stukken van het geding, die hiervoor zijn weergegeven, getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Het middel klaagt ook niet over dat oordeel. Aangevoerd wordt dat (de inhoud van Richtlijn 2016/343 meebrengt dat) het hof de zaak had moeten aanhouden.
18. Art. 8 van Pro Richtlijn (EU) 2016/343 voorziet in de mogelijkheid van een proces in afwezigheid van de verdachte. Voorwaarde is dat de verdachte tijdig in kennis is gesteld van de terechtzitting en van de gevolgen van zijn afwezigheid, of dat de verdachte, die van het proces in kennis is gesteld, wordt vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat (lid 2). Wanneer het niet mogelijk is te voldoen aan deze voorwaarden omdat een verdachte, ondanks redelijke inspanningen, niet kan worden gelokaliseerd, kunnen de lidstaten bepalen dat niettemin een beslissing kan worden genomen die ten uitvoer kan worden gelegd (lid 4). Art. 9 van Pro Richtlijn (EU) 2016/343 schrijft voor dat de lidstaten ervoor zorgen dat, wanneer verdachten niet aanwezig waren bij hun terechtzitting en niet is voldaan aan de in art. 8, tweede lid, gestelde voorwaarden, zij ‘recht hebben op een nieuw proces, of een andere voorziening in rechte, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld’. In dit verband waarborgen de lidstaten dat verdachten het recht hebben aanwezig te zijn en hun recht op verdediging uit te oefenen.
19. Uit dit samenstel van bepalingen volgt dat art. 9 van Pro Richtlijn (EU) 2016/343 alleen in het geval waarin een verdachte niet aanwezig was bij de terechtzitting en niet is voldaan aan de in artikel 8, tweede lid, van Richtlijn (EU) 2016/343 gestelde voorwaarden de verdachte het recht toekent ‘op een nieuw proces, of een andere voorziening in rechte, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld’. De lidstaten dienen voorts te waarborgen dat de verdachte in dat nieuwe proces het recht heeft aanwezig te zijn. De mogelijkheid om het nieuwe proces waar art. 9 over Pro spreekt bij afwezigheid van de verdachte te voeren wordt zo bezien (alleen) begrensd door het aanwezigheidsrecht, niet door de regeling van art. 8, tweede lid, van Richtlijn (EU) 2016/343. [3]
20. Dat brengt mee dat het middel, voor zover dat ervan uitgaat dat het hof had moeten onderzoeken of aan de voorwaarden van art. 8, tweede lid, van Richtlijn (EU) 2016/343 is voldaan, uitgaat van een verkeerde lezing van de richtlijn.
21. Voor zover het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat de zaak zonder schending van het aanwezigheidsrecht buiten aanwezigheid van de verdachte kon worden behandeld merk ik het volgende op.
22. Uit het hiervoor weergegeven procesverloop volgt dat de verdachte de raadsman heeft gemachtigd om tegen de uitspraak in eerste aanleg hoger beroep in te stellen. Bij het instellen van het hoger beroep heeft de raadsman medegedeeld dat de verdachte instemt met het door de griffiemedewerker in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep. Vervolgens is de verdachte voor de terechtzitting van 8 juli 2021 gedagvaard op zijn laatst opgegeven woon- of verblijfplaats, tevens het laatst van hem bekende BRP-adres, en is de raadsman op de hoogte gesteld van die terechtzitting. Op die terechtzitting is noch de verdachte noch de raadsman verschenen. De raadsman heeft voorafgaand aan de terechtzitting per e-mail heeft laten weten niet te zullen verschijnen aangezien hij geen contact heeft kunnen krijgen met de verdachte en niet gemachtigd was. De raadsman heeft geen verzoek tot aanhouding gedaan met het oog op het kunnen uitoefenen van het aanwezigheidsrecht door de verdachte of het verkrijgen van een machtiging als bedoeld in artikel 279, eerste lid, Sv.
23. Gelet hierop en nu van een verdachte die hoger beroep instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak mag worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de dagvaarding in hoger beroep hem niet bereikt of de inhoud daarvan hem niet bekend wordt, waartoe in elk geval kan worden gerekend dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman of raadsvrouw – die uit eigen hoofde een afschrift van die dagvaarding ontvangt als hij of zij zich in hoger beroep heeft gesteld – opdat de verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van behandeling van zijn zaak op de hoogte komt, heeft het hof zonder schending van het aanwezigheidsrecht kunnen beslissen de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte te behandelen. Daaraan doet niet af dat pas ruim een jaar na het instellen van het hoger beroep is overgegaan tot betekening van de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep en dat er geen mogelijkheid is om na een verstekberechting in hoger beroep een nieuwe beoordeling ten gronde te verkrijgen (anders dan na een slagend cassatieberoep).
24. Het middel faalt.

Afronding

25. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad meer dan twee jaar nadat het cassatieberoep is ingesteld uitspraak zal doen. Nu de schriftuur geen klachten bevat ten aanzien van de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het door hem ingestelde hoger beroep en er – meen ik – ook geen grond is waarop dat oordeel ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, kan strafvermindering evenwel achterwege blijven. [4] Ook voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
26. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Voluit: Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn,
2.HR 18 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1469,
3.Zo begrijp ik ook Uw Raad, in het arrest van 18 oktober 2022. Uw Raad stelt vast dat het hof ‘zonder schending van het aanwezigheidsrecht (heeft) kunnen beslissen de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte te behandelen’ (rov. 3.6.4). In de systematiek van de richtlijn ligt derhalve besloten dat art. 8, tweede en vierde lid, van de richtlijn alleen zien op een verstekberechting in eerste aanleg. Zie ook de conclusie voor HR 18 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1470, in welke zaak eveneens sprake was van een verstekberechting in eerste aanleg en in hoger beroep (randnummer 34).
4.HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1199,