ECLI:NL:PHR:2024:454

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 april 2024
Publicatiedatum
22 april 2024
Zaaknummer
22/01493
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 SrArt. 37a SrArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt juiste maatstaf bij beoordeling ontoerekenbaarheid verdachte met psychische stoornis

De verdachte werd door het hof Den Haag veroordeeld wegens mishandeling, eenvoudige belediging en misbruik van een alarmnummer. Hij werd veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf met een proeftijd. De verdediging stelde in cassatie dat het hof ten onrechte oordeelde dat de verdachte niet volledig ontoerekeningsvatbaar was, terwijl hij leed aan schizofrenie en psychotische episodes.

De Hoge Raad overwoog dat het hof terecht heeft vastgesteld dat de verdachte weliswaar een psychische aandoening had, maar niet zodanig dat hij het kwalijke van zijn handelen niet kon inzien. Het hof had onvoldoende aanknopingspunten voor volledige ontoerekeningsvatbaarheid en had bovendien de eigen waarneming en bevindingen tijdens de zitting betrokken.

De Hoge Raad benadrukte dat de rechter een eigen verantwoordelijkheid heeft bij de vaststelling van een psychische stoornis en niet gebonden is aan deskundigenadviezen. Het hof hoefde niet expliciet te beoordelen of de verdachte in staat was te handelen in overeenstemming met zijn begrip van de wederrechtelijkheid, omdat de verdediging dit niet had aangevoerd.

De conclusie van de Hoge Raad is dat het oordeel van het hof niet berust op een onjuiste rechtsopvatting en voldoende is gemotiveerd. Het cassatiemiddel faalt en het beroep wordt verworpen. Hiermee blijft de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte in stand ondanks zijn psychische stoornis.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de verdachte strafbaar is en verwerpt het beroep op volledige ontoerekenbaarheid.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/01493

Zitting23 april 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 7 april 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens in de zaak met parketnummer 10-235022-18 onder 1 “mishandeling” en onder 4 “eenvoudige belediging” en in de zaak met parketnummer 10-010832-19 “opzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig is, gebruik maken van een alarmnummer voor publieke diensten” veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.
Namens de verdachte hebben J.S. Nan, advocaat te Den Haag, en N. Gonzalez Bos, advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel klaagt over de beslissing van het hof over de strafbaarheid van de verdachte. In het bijzonder wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten niet in zodanige mate leed aan een psychische stoornis, dat hij in het geheel niet, althans niet in voldoende mate het kwalijke van zijn handelen kon inzien, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd.
4. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 maart 2022 houdt (voor zover hier van belang) het volgende in:
“De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
De vernieling heb ik niet gepleegd en de bedreiging ook niet. Ik heb wel gezegd dat ik naar de politie zou stappen en aangifte zou doen.
Ik heb [slachtoffer] geen tik gegeven, maar ik heb zijn lippen aangeraakt. Toen bedacht ik mijzelf. U houdt mij voor dat ik bij de politie heb verklaard dat ik [slachtoffer] een lichte tik heb gegeven met de knokkels van mijn vingers. Het was touché. Op dat moment was de verstandhouding tussen mij en [slachtoffer] niet goed. Tegenwoordig gaat het best goed tussen ons.
Het gooien van de beker koffie is gebeurd in een lichte psychose. Ik heb hier mijn excuses voor aangeboden.
Het klopt wel dat ik een brief in de bus heb gedaan van [slachtoffer] waarin stond dat ik zijn smoel zou inslaan. Ik was toen niet in goeden doen.
Het klopt dat ik vaak 112 heb gebeld. Ik had een hoop last van bedreigende mensen. Om de haverklap stonden zij voor mijn deur. Dan moest ik 112 bellen. Als ik belde, waren ze meteen verdwenen, maar daarna kwamen die mensen weer aan mijn deur. Dan moest ik weer de politie bellen. Ik heb hier ook mijn excuses voor aangeboden. Ik was toen ook niet helemaal oké.
De verdachte legt op vragen met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden een verklaring af, inhoudende:
Het gaat redelijk goed met mij. Ik heb een woning. Het is een containerwoning die van binnen redelijk ingericht is. Ik heb nog steeds gesprekken bij [instelling 1], maar dat ben ik aan het afbouwen. Ik ben ook met methadon aan het afbouwen. De antipsychotica slik ik trouw. Dat helpt mij goed. Ik ga hiervoor naar [instelling 2]. Bij [instelling 2] krijg ik ook voor de hele week methadon mee. Van mijn bewindvoerders krijg ik om de dag een hoeveelheid geld. Daar kom ik mee uit. De laatste tijd gaat het goed met mij. Ik heb een begeleidster waar ik goed mee op kan schieten. Zij regelt zaken met mijn bewindvoerder. De rechtelijke machtiging is beëindigd. In de tenlastegelegde periode ging het qua medicatie niet goed. Ik reageerde toen niet goed op de depotspuit.
De advocaat-generaal voert hierna het woord en draagt de schriftelijke vordering voor:
[…] Mijns inziens kunnen alle feiten wettig en overtuigend worden bewezen. De vraag is of de verdachte hier ook strafbaar voor is. Naar mijn mening niet. Er is door een psychiater onderzoek verricht, maar er kon geen uitspraak worden gedaan omtrent de toerekeningsvatbaarheid. Uiteindelijk is het aan het hof om hierover te oordelen. Er zijn naar mijn mening voldoende aanwijzingen dat de verdachte destijds ontoerekeningsvatbaar was. De verdachte is gediagnosticeerd met schizofrenie en hij zou psychotisch zijn. Als ik kijk naar de feiten, dan past dat er goed bij.
[…]
De raadsman voert het woord tot verdediging:
[…]
Als het hof daar anders over denkt, dan is het de vraag hoe de zaak moet worden afgedaan. De vordering van de advocaat-generaal is mijns inziens terecht. De advocaat-generaal heeft al aangegeven waaruit blijkt dat de verdachte destijds ontoerekeningsvatbaar was. Ik kan hier nog het volgende aan toevoegen. De verdachte woonde destijds in een hofje, maar moest daar weg. Er is toen ontzettend veel gedoe geweest over zijn spullen. Zijn spullen waren allemaal weg. Ik denk dat hij daar erg mee zat. Er speelde ook het een en ander met betrekking tot geld. Hij vond dat heel erg. In die tijd was er veel mis met de medicatie. Dat lijkt nu allemaal stabiel te zijn. Er was geruime tijd een rechterlijke machtiging afgegeven. Deze werd op gegeven moment voorwaardelijk en uiteindelijk is de machtiging beëindigd door de wijze waarop de verdachte met zijn medicatie omgaat. Kijkend naar de problematiek en de situatie in de tenlastegelegde periode denk ik dat het standpunt van de advocaat-generaal terecht is. Derhalve verzoek ik dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.”
5. In de bestreden uitspraak heeft het hof overwogen:

Strafbaarheid van de verdachte
Toerekeningsvatbaarheid
Namens de verdachte heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de tenlastegelegde feiten in het geheel niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend, zodat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht en derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Voor de beoordeling van de mate van toerekeningsvatbaarheid van de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde heeft het hof acht geslagen op de Pro Justitia rapportage, opgemaakt op 13 februari 2019, door M.M Schoo, psychiater in opleiding onder supervisie van drs. B.E.A. van der Hoorn, psychiater.
Nu de verdachte niet heeft meegewerkt aan het Pro Justitia onderzoek, kon geen psychiatrische diagnose worden vastgesteld. Overigens blijkt wel uit de rapportage dat de verdachte in het verleden gediagnosticeerd is met schizofrenie en dat verdachte ‘chronisch psychotisch’ is, ‘wat gepaard gaat met betrekkingswanen’.
Het dossier biedt derhalve onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten volledig ontoerekeningsvatbaar was, zoals door de verdediging is betoogd en door de advocaat-generaal gevolgd. Het hof is van oordeel – mede gelet op de behandeling van de zaak ter zitting in hoger beroep en de eigen waarneming, althans bevinding van het hof omtrent de psychische, al dan niet psychotische, conditie van de verdachte – dat hij, ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten weliswaar lijdende was aan enige psychische aandoening maar niet zodanig dat hij in het geheel niet, althans niet in voldoende mate het kwalijke van zijn handelen heeft kunnen inzien.
Gelet op het voorgaande ziet het hof voldoende grond om te concluderen dat bij de verdachte tijdens het begaan van de feiten enige ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond in verband waarmee deze aan hem in verminderde mate zijn toe te rekenen.
Nu van
volledigeontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte geen sprake is en ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die tot een andersluidend oordeel aanleiding zou kunnen geven, is de verdachte strafbaar ter zake van de bewezen verklaarde feiten.”
6. Art. 39 Sr Pro luidde tot 1 januari 2020: [1]
“Niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend.”
7. Tot voor kort – en ook ten tijde van de bestreden uitspraak – kende het Nederlands strafrecht geen door de hoogste rechter gegeven toetsingskader voor ontoerekenbaarheid als bedoeld in art. 39 Sr Pro. [2] De Hoge Raad heeft daarin met zijn arrest van 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1295, verandering gebracht. [3] Dit arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“5.4.1 Het is aan de feitenrechter om vast te stellen of bij de verdachte ten tijde van het begaan van het tenlastegelegde feit een psychische stoornis als bedoeld in artikel 37a Sr en artikel 39 Sr Pro bestond. De rechter heeft daarin een eigen verantwoordelijkheid en is niet gebonden aan de door deskundigen uitgebrachte adviezen. De vaststelling dat sprake is van zo’n psychische stoornis, is van feitelijke aard en kan in cassatie slechts op haar begrijpelijkheid worden getoetst. (Vgl. over artikel 37a Sr HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1311.)
5.4.2
In zijn arrest van 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY5355 heeft de Hoge Raad verder geoordeeld dat geen rechtsregel meebrengt dat alleen een stoornis die is omschreven in de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (hierna: DSM) kan worden aangemerkt als een “gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens” zoals bedoeld in artikel 37a lid 1 Sr. De Hoge Raad heeft in dat arrest bovendien opgemerkt dat de enkele omstandigheid dat een stoornis wel als zodanig wordt aangeduid in de DSM, evenmin betekent dat de rechter tot het oordeel moet komen dat sprake is van zo’n gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis
.Deze uitgangspunten zijn ook van toepassing ten aanzien van de psychische stoornis als bedoeld in artikel 39 Sr Pro.
5.5
De feitenrechter kan op grond van artikel 39 Sr Pro beslissen dat het tenlastegelegde feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend als ten tijde van dat feit bij de verdachte sprake was van een stoornis als bedoeld in deze bepaling en de verdachte als gevolg van die stoornis niet kon begrijpen dat dat feit wederrechtelijk was of niet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van dat feit.
5.6
Gedragingen van de verdachte die aan het optreden van de in artikel 39 Sr Pro bedoelde stoornis zijn voorafgegaan, kunnen in de weg staan aan het oordeel dat het tenlastegelegde feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend in de zin van deze bepaling, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn als het optreden van de stoornis aan de verdachte zelf te wijten is geweest omdat hij verdovende middelen heeft gebruikt. (Vgl. HR 9 juni 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC0902 en HR 12 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3797.)”
8. Ten eerste betogen de stellers van het middel dat het oordeel van het hof dat de verdachte strafbaar is, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Zij voeren daartoe aan dat het hof bij de beoordeling van de vraag of de verdachte ontoerekeningsvatbaar is een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd, omdat het hof niet alleen onder ogen had moeten zien of de verdachte kon begrijpen dat de feiten wederrechtelijk waren, maar ook of hij voldoende in staat was om te handelen in overeenstemming met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van de feiten. Daarbij wordt in de schriftuur, die dateert van 25 november 2022 en dus van vóór het hierboven weergegeven arrest van de Hoge Raad, een beroep gedaan op de dissertatie uit 2016 van J. Bijlsma getiteld: ‘
Stoornis en strafuitsluiting. Op zoek naar een toetsingskader voor ontoerekenbaarheid’. In zijn dissertatie komt Bijlsma – in lijn met het latere arrest van de Hoge Raad – tot de conclusie dat ontoerekenbaarheid moet worden aangenomen als de verdachte als gevolg van een stoornis niet kon begrijpen dat het feit wederrechtelijk was, óf onvoldoende in staat was overeenstemming met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van het feit te handelen. [4]
9. Het hof heeft in reactie op een namens de verdachte gevoerd verweer geoordeeld dat van volledige ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte geen sprake is. Dit oordeel steunt (mede) op de conclusie van het hof dat de verdachte ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten weliswaar lijdende was aan enige psychische aandoening maar niet zodanig dat hij in het geheel niet, althans niet in voldoende mate het kwalijke van zijn handelen heeft kunnen inzien. Het hof is niet uitdrukkelijk ingegaan op de vraag of de verdachte in staat was te handelen in overeenstemming met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van de feiten.
10. Voor de beoordeling van het oordeel van het hof is van belang dat door de verdediging niets is aangevoerd in de zin dat de verdachte als gevolg van zijn stoornis geen controle had over zijn gedrag zodat het voor hem niet mogelijk was normconform te handelen. Tegen die achtergrond bezien, kan uit de motivering van het hof dan ook niet zonder meer worden afgeleid dat het hof bij de beoordeling van het beroep op ontoerekenbaarheid is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting over de te hanteren maatstaf. In de overwegingen van het hof zie ik daar ook overigens geen aanwijzingen voor. Ik kom daarom tot de conclusie dat de beslissing van het hof over de strafbaarheid van de verdachte niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
11. De rechtsklacht faalt.
12. Ten tweede voeren de stellers van het middel aan dat het onder 5 weergegeven oordeel van het hof ontoereikend is gemotiveerd. Dat zie ik anders. Het hof heeft verwezen naar het Pro-Justitiaonderzoek waaraan de verdachte niet heeft meegewerkt, zodat de deskundige niet tot een advies is gekomen over de (mate van) toerekening, en heeft in dat licht overwogen dat onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten volledig ontoerekeningsvatbaar was. Ook heeft het hof bij zijn oordeel gelet op de bevindingen over de verdachte op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Wat de verdachte daar heeft verklaard over zijn mentale gesteldheid en de medicatie die hij ontving ten tijde van de tenlastegelegde feiten sluit aan bij het oordeel van het hof dat de feiten in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Het hof heeft zijn beslissing over de strafbaarheid van de verdachte daarmee toereikend gemotiveerd.
13. Ook de motiveringsklacht faalt.

Slotsom

14. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
15. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Met ingang van 1 januari 2020 luidt de bepaling als volgt: “Niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap niet kan worden toegerekend.”
2.Vgl. bijv. J. Bijlsma,
3.Voor publicaties naar aanleiding van dit arrest, zie J. Bijlsma, S. Ligthart & E. Nauta, ‘Gaat de Hoge Raad klare wijn schenken over ontoerekenbaarheid? Twee vragen naar aanleiding van de zaak tegen Thijs H. in rechtsvergelijkend perspectief’,
4.J. Bijlsma,