Conclusie
Nummer22/01775
Inleiding
Het middel
verdachteverklaart desgevraagd met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden:
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens meerdere overtredingen van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof legde een voorwaardelijke gevangenisstraf op en verklaarde een inbeslaggenomen personenauto verbeurd. De verdachte voerde in cassatie aan dat het hof bij de verbeurdverklaring geen rekening had gehouden met zijn draagkracht en dat het hof ten onrechte geen geldelijke tegemoetkoming had toegekend.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat de klachten falen. De eerste klacht mist feitelijke grondslag omdat de auto toebehoorde aan een B.V. en niet aan de verdachte. Het hof hoefde art. 24 Sr Pro niet expliciet te vermelden omdat dit artikel van overeenkomstige toepassing is bij verbeurdverklaring op grond van art. 33 Sr Pro.
De tweede klacht faalt omdat de verbeurdverklaring binnen de proportionele bandbreedte valt, gezien de waarde van de auto en de maximale geldboete die opgelegd had kunnen worden. Omdat geen verzoek om geldelijke compensatie was gedaan, was het hof niet gehouden dit nader toe te lichten. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. Tevens werd opgemerkt dat de redelijke termijn was overschreden, maar dit leidde niet tot vernietiging van het arrest.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de verbeurdverklaring van de auto en de voorwaardelijke gevangenisstraf blijven gehandhaafd.