ECLI:NL:PHR:2024:515

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 mei 2024
Publicatiedatum
8 mei 2024
Zaaknummer
22/02863
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 Sr NA (oud)Art. 6 EVRMArt. 402 Sv Sint MaartenArt. 232 Sr Sint Maarten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling schending ambtsgeheim door verstrekken lijst stemgerechtigde gedetineerden

De verdachte, interim directeur van het Huis van Bewaring Point Blanche te Sint Maarten, werd door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie veroordeeld wegens het opzettelijk bekendmaken van een geheim dat hij uit hoofde van zijn ambt verplicht was te bewaren. Hij verstrekte een lijst met namen en nationaliteiten van stemgerechtigde gedetineerden aan een medeverdachte, een Statenlid, kort voor de Statenverkiezingen van 29 augustus 2014.

De verdediging voerde aan dat de lijst niet geheim was omdat deze openbaar in de gevangenis hing en vaker aan derden werd verstrekt. Ook werd gesteld dat de verdachte niet opzettelijk zijn ambtsgeheim had geschonden. Het Hof oordeelde echter dat de persoonsgegevens van gedetineerden vertrouwelijk waren en dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij deze gegevens niet aan onbevoegden mocht verstrekken.

De Hoge Raad concludeerde dat het Hof voldoende heeft gemotiveerd waarom de lijst als ambtsgeheim moet worden beschouwd en verwierp het cassatieberoep. De verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar. De redelijke termijn was overschreden, maar dit had geen gevolgen voor de uitspraak.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden wegens opzettelijke schending van het ambtsgeheim.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02863 C
Zitting21 mei 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte
I.
Inleiding
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) heeft de verdachte bij arrest van 15 november 2021 wegens 2. “Opzettelijk eenig geheim, hetwelk hij, uit hoofde van zijn hetzij tegenwoordig hetzij vroeger ambt of beroep, verplicht is te bewaren, bekend maakt”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden (met een proeftijd van twee jaren).
Er bestaat samenhang met de zaken 22/03083 en 22/03085. In die zaken is echter geen cassatieschriftuur ingediend en zijn de arresten reeds uitgesproken door de Hoge Raad. [1]
3. Namens de verdachte heeft H. Sytema, advocaat te 's‑Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.
4. De achtergrond van de zaak is volgens de verdenking als volgt. Op 29 augustus 2014 werden er Statenverkiezingen gehouden in Sint Maarten. Het Statenlid [medeverdachte] , één van de medeverdachten, is veroordeeld wegens onder meer verkiezingsfraude omdat hij met behulp van anderen diverse gedetineerden heeft benaderd en omgekocht om op hem te stemmen. Hij had daartoe de verdachte verzocht om een lijst met namen van gedetineerden die stemgerechtigd waren voor de verkiezingen van 29 augustus 2014. De verdachte heeft hem die lijst gegeven. De verdachte is in de voorliggende zaak door het Hof veroordeeld op grond van het schenden van een ambtsgeheim door openbaarmaking van die lijst met namen en nationaliteiten van stemgerechtigde gedetineerden.
II.
Het cassatiemiddel
5. Het middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, keert zich tegen de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde feit – de opzettelijke schending van een ambtsgeheim –, althans tegen ’s hofs verwerping van het terechtzitting uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging, als bedoeld in art. 402 van Pro het Wetboek van Strafvordering van Sint Maarten, ten aanzien van het begrip ambtsgeheim.
III. De bewezenverklaring en de bewijsvoering
6. Ten laste van de verdachte is onder feit 2 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 29 augustus 2014 in Sint Maarten, opzettelijk een geheim, te weten de namen en de nationaliteiten van stemgerechtigde gedetineerden, waarvan hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, te weten directeur van het Huis van Bewaring Point Blanche, verplicht is het te bewaren, heeft geschonden, door een lijst met daarop de namen en de nationaliteiten van stemgerechtigde gedetineerden te verstrekken aan een derde, te weten aan [medeverdachte] .”
7. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal documentenonderzoek van verkiezingsresultaten d.d. 10 februari 2015, opgemaakt door [verbalisant] , voor zover inhoudende (ZD1, pag. 41 e.v.):
De parlementsverkiezingen vonden plaats op 29 augustus 2014 in Sint Maarten.
2. De verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op 28 oktober 2021 heeft afgelegd, voor zover inhoudende:
In augustus 2014 heb ik [medeverdachte] een lijst gegeven van stemgerechtigde gedetineerden. De lijst bevatte de namen en de nationaliteit van de gedetineerden.
3. Een geschrift, te weten een arbeidsovereenkomst tussen de Minister van Justitie en de verdachte, bijlage bij het proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene] , onderzoek Grastelchi ongenummerd:
Arbeidsovereenkomst ondertekend door de Minister van Justitie en [verdachte] op 31 juli 2012, waarbij [verdachte] per 1 augustus 2012 is aangesteld als interim directeur van de Strafgevangenis/ Huis van Bewaring.
Artikel 3
2. De Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (LMA) [...] zijn van overeenkomstige toepassing op deze arbeidsovereenkomst [...].
Artikel 6: Geheimhouding Pro en integriteit
Op deze overeenkomst is de Integriteits- en geheimhoudingsverklaring van toepassing.”
8. Voorts houdt de bewijsoverweging van het Hof het volgende in:
“Uit de door de verdachte getekende arbeidsovereenkomst volgt dat de verdachte zich dient te houden aan de LMA en bovendien dat de door hem gesloten overeenkomst is onderworpen aan 'geheimhouding en integriteit'. Aan dit laatste doet niet af dat de in artikel 6 concreet Pro geformuleerde integriteits- en geheimhoudingsverklaring zich niet in het dossier bevindt.
Artikel 61 lid 1 van Pro de LMA luidt dat "de ambtenaar is verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem in zijn ambt ter kennis is gekomen, voor zover die verplichting uit de aard der zaak volgt of hem uitdrukkelijk is opgelegd."
De verdachte is op basis van voormelde arbeidsovereenkomst aangesteld als interim directeur van de Point Blanche gevangenis en het Huis van Bewaring te Sint Maarten. Privé-gegevens van de onder zijn verantwoordelijkheid vallende gedetineerden kunnen hem slechts ter kennis zijn gekomen in zijn ambt. Uit de aard der zaak vloeit voort dat dergelijke privé-gegevens, zoals de namen en nationaliteit van de gedetineerden, maar ook het feit dat deze mensen gedetineerd zijn, onder de hier bedoelde geheimhoudingsplicht vallen. De verdachte heeft niet gehandeld in opdracht van een superieur. Aldus moet de conclusie luiden dat de verdachte geweten moet hebben dat het hier om vertrouwelijke gegevens gaat die hij niet aan een ander buiten de dienst, in dit geval [medeverdachte] , had mogen verstrekken. Door dat toch te doen, heeft hij opzettelijk een geheim bekend gemaakt dat hij uit hoofde van zijn ambt verplicht was te bewaren. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 285 van Pro het Wetboek van strafrecht (oud).”
IV.
Het verweer van de verdediging
9. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging in de kern aangevoerd dat de lijst met namen van gedetineerden niet geheim is zodat van een opzettelijke schending van het ambtsgeheim hier geen sprake is.
10. De verdachte heeft tijdens de terechtzitting van het Hof van 28 oktober 2021 onder meer het volgende verklaard:
“[…] [medeverdachte] vroeg mij hoeveel gedetineerden konden stemmen. Ik vond dat een normale vraag en heb dat voor hem uitgezocht. Ik had op een ochtend een briefing in de gevangenis en ik heb toen gevraagd hoe gedetineerden konden stemmen. Ik kreeg toen een uitleg en heb aan iemand van de gedetineerdenzorg gevraagd hoeveel personen konden stemmen.
In augustus 2014 heb ik [medeverdachte] een lijst gegeven van stemgerechtigde gedetineerden. De lijst bevatte de namen en de nationaliteit van de gedetineerden. […]
Ik heb van het managementteam van de gevangenis (hierna: MT) begrepen dat het vaker gebeurde dat om een dergelijke lijst werd gevraagd en dat deze werd verstrekt. De lijst is opgesteld door een iemand die bij de gedetineerdenzorg werkte.
Het verstrekken van deze lijst met gegevens van de gedetineerden valt mijns inziens niet onder mijn geheimhoudingsplicht. Ik heb artikel 6 van Pro mijn arbeidsovereenkomst (Geheimhouding en integriteit) niet geschonden. Ik heb naar eer en geweten gehandeld.
[…]
Die lijsten hingen in de gevangenis. Iedereen in Sint Maarten weet wie in de gevangenis zit en voor welke feiten.”
11. Voorts heeft de raadsvrouw van de verdachte op die terechtzitting het woord gevoerd overeenkomstig haar aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. In de cassatieschriftuur wordt het middel onderbouwd met het aanhalen van de volgende onderdelen uit die pleitnota:
“4. Zoals blijkt uit de stukken heeft [verdachte] tijdens de vele verhoren meerdere malen te kennen gegeven dat hij rondom de verkiezingen op verzoek van verschillende politici waaronder ook [medeverdachte] een lijst met namen van gedetineerden heeft gegeven. Deze lijst met namen was geen geheim daar deze lijsten overal in de gevangenis hingen gedurende de verkiezingsperiode. Ik moge uw hof verwijzen naar de bijlagen waarbij verschillende personen hebben aangegeven dat deze lijst met namen werden afgegeven aan derden die erom vroegen. [medeverdachte] nieuw als directeur heeft ook eerst gevraagd of het was toegestaan. Management had toen aangegeven dat deze lijsten altijd werden afgegeven. [medeverdachte] heeft als getuige hier ook over verklaard.
[…]
10. Voor wat betreft feit 2, schending ambtsgeheim, wordt uw Hof ook verzocht om cliënt vrij te spreken. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het schenden van een geheim in de zin van strafrecht moet worden uitgelegd als het opzettelijk verstrekken van geheime gegevens aan een ander die tot kennisneming daarvan onbevoegd is. De verdediging is ten eerste de mening toegedaan dat geen sprake was van geheime informatie. Nu de lijst met namen overval hing kon dit niet meer worden gezien als een geheim. Zoals aangegeven was het beschikbaar voor eenieder.
11. Voorts heeft cliënt nooit opzettelijk zijn ambtsgeheim geschonden en of willen schenden.”
V. Het middel en de bespreking daarvan
12. Ik versta het middel, mede bezien in het licht van de toelichting daarop, aldus dat het enkel klaagt over het oordeel van het hof dat sprake is van een ambtsgeheim. De klacht laat zich niet expliciet uit over de bewezenverklaring van ‘het opzettelijke’ van de schending van het ambtsgeheim, [2] reden waarom ik dit onderdeel van de bewezenverklaring in deze conclusie onbesproken laat.
13. Art. 285 Wetboek Pro van Strafrecht van de Nederlandse Antillen [3] (oud) houdt het volgende in:
“Hij die opzettelijk eenig geheim, hetwelk hij, uit hoofde van zijn hetzij tegenwoordig hetzij vroeger ambt of beroep, verplicht is te bewaren, bekend maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zes honderd gulden.
Indien dit misdrijf tegen een bepaald persoon gepleegd is, wordt het slechts vervolgd op diens klachte.”
14. Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 29 augustus 2014 verplicht was tot geheimhouding van hetgeen hem in zijn ambt ter kennis was gekomen en dat uit de aard der zaak voortvloeit dat op grond van de als bewijsmiddel 3 opgenomen arbeidsovereenkomst daaronder ook privé-gegevens van de onder zijn verantwoordelijkheid vallende gedetineerden, zoals hun namen en nationaliteit, vallen.
15. Ik meen dat het Hof daarmee toereikend heeft gereageerd op hetgeen door de verdediging is aangevoerd over het begrip ambtsgeheim en de vraag in hoeverre de lijst van stemgerechtigde gedetineerden moet worden aangemerkt als ambtsgeheim. Met name door de benadrukking van de aard van de bedoelde stukken, heeft het Hof voldoende duidelijk gemaakt dat persoonsgegevens van stemgerechtigde gedetineerden niet zijn opgemaakt om aan anderen dan de personen die het stemrecht van deze gedetineerden dienen te faciliteren, te verstrekken en dus ook niet aan parlementariërs in verkiezingstijd. Daarbij zij in dit verband nog opgemerkt dat de responsieplicht van de rechter niet zover strekt dat op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. [4]
16. Het middel faalt.
VI.
Ambtshalve opmerking
17. Nu de verdachte op 29 november 2021 beroep in cassatie heeft ingesteld, doet de Hoge Raad uitspraak nadat sindsdien meer dan twee jaren zijn verstreken, zodat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro is overschreden. Gelet op de door het Hof opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, kan de Hoge Raad met de constatering daarvan volstaan. [5]
VII.
Slotsom
18. Het middel faalt en kan met een aan art. 81 RO Pro ontleende overweging worden afgedaan.
19. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Op 12 maart 2024.
2.In de schriftuur wordt dienaangaande slechts aangestipt dat door de verdediging ter ’s Hofs terechtzitting is gesteld “dat er van opzettelijke schending geen sprake was”, overigens zonder daarbij de desbetreffende onderdelen uit de pleitnota van de raadsvrouw te citeren of te parafraseren, en dat een opzettelijke schending van een dergelijk geheim niet is gegeven, nu het er, aldus de steller van het middel, voor moet worden gehouden dat de bedoelde persoonsgegevens niet langer een geheim in de zin van de strafwet vormden.
3.Op 1 juni 2015 is het Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten in werking getreden. Omdat de verdachte ervan wordt verdachte het feit in augustus 2014 te hebben gepleegd, is op de onderhavige zaak nog art. 285 SrNA Pro (oud) van toepassing. Het Hof heeft dat onderkend, en heeft tevens in aanmerking genomen dat de strafbedreiging van art. 285 van Pro het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen (oud) lager is (maximaal zes maanden gevangenisstraf) dan de strafbedreiging van het materieel gelijkluidende feit in art. 232 van Pro het Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten (ten hoogste een jaar gevangenisstraf).
4.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
5.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,