Conclusie
Inleiding
Het tweede cassatiemiddel en de bespreking daarvan
16/262736-20veroordeeld voor diefstal. Appellant is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Art. 3, eerste, tweede en zevende lid, Richtlijn (EU) nr. 2010/64 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures:
Art. 36e, derde lid, Sv:
Art. 260, vijfde lid, Sv [2] , dat ingevolge het hierna te noemen art. 412, derde lid, Sv ook van toepassing is in hoger beroep:
Art. 412, tweede en derde lid, Sv:
hoger beroep, die van 11 oktober 2021, blijkt uit de in cassatie voorhanden stukken dat er een vertaling van de appeldagvaarding voor deze terechtzitting aan de verdachte in persoon is uitgereikt op 30 juli 2021. Op deze terechtzitting van 11 oktober 2021 was de verdachte niet aanwezig, maar zijn – door hem uitdrukkelijk gemachtigde – raadsman wel (via een Skype-verbinding). Daarmee is de procedure in hoger beroep in deze zaak door de wet geoormerkt als op tegenspraak gewezen. Het hof heeft bij tussenarrest van 25 oktober 2021 geoordeeld dat ondanks de aanzienlijke termijnoverschrijding bij het instellen van het hoger beroep door de verdachte sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding en heeft de verdachte ontvankelijk in zijn hoger beroep geacht.
De eerste deelklacht
gelet op alle feiten en omstandigheden(cursivering van mij, A-G), niet passend en geboden is; (iv) een vertaling in het Pools van de appeldagvaarding in persoon aan de verdachte is betekend; (v) een vertaling in het Pools van de oproeping voor de inhoudelijke behandeling niet aan de verdachte in persoon kon worden betekend omdat de verdachte niet meer woonachtig bleek op het laatste bekende adres van hem; (vi) de oproeping met vertaling in het Pools vervolgens is betekend aan de griffie, met verzending van een afschrift van die oproeping met vertaling aan het laatst bekende adres van de verdachte; (vii) de verdachte geen contact heeft gezocht met zijn raadsman of de griffie; (viii) de verdachte, hoewel daartoe opgeroepen, niet ter zitting in hoger beroep is verschenen. Voorts neem ik in aanmerking dat de tenlastelegging in hoger beroep gelijkluidend was aan die in eerste aanleg en dat de verdachte zich op de eerste terechtzitting in hoger beroep heeft laten verdedigen door een advocaat die heeft verklaard daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd en dat deze advocaat dezelfde persoon is die namens de verdachte hoger beroep heeft ingesteld en de appelschriftuur heeft geschreven.
De tweede deelklacht
NJ2012/188, m.nt. Schalken heeft de Hoge Raad overwogen dat van de verdachte die hoger beroep heeft ingesteld en die prijs stelt op berechting op tegenspraak mag worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk maatregelen neemt om te voorkomen dat de appeldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt. Tot zodanige maatregel, zo vervolgt de Hoge Raad, kan in elk geval worden gerekend dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman, opdat de verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak op de hoogte komt. Het komt mij voor dat in het verlengde hiervan in een geval als het onderhavige hetzelfde heeft te gelden voor de oproeping voor een daaropvolgende terechtzitting.
Het eerste cassatiemiddel en de bespreking daarvan