Conclusie
Itsme),
SPNG).
1.Feiten
arrest). [2] Daarin wordt onder 1 de kern van de zaak als volgt geduid:
UVO), waarin het Uitvoeringsreglement 2013 en het Pensioenreglement 2013 van toepassing zijn verklaard. In het Pensioenreglement 2013, zoals geldend vanaf 1 januari 2013, staat onder meer:
Artikel 3Deelnemerschap en aspirant-deelnemerschap
2.Procesverloop
In eerste aanleg
kantonrechter). Daarbij heeft Itsme onder meer gevorderd dat de kantonrechter in rechte vaststelt dat SPNG dient te voorzien in premievrije pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid [3] indien de vóór 2021 ziek geworden werknemers van Itsme na afloop van de wettelijke wachttijd van twee jaar (art. 7:629 BW Pro) arbeidsongeschikt zijn en recht verkrijgen op een WIA- of IVA-uitkering, en SPNG veroordeelt daarin te voorzien, althans haar veroordeelt tot betaling van schadevergoeding.
vonnis) heeft de kantonrechter de vorderingen van Itsme afgewezen. [4]
hof). [5]
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
eerste paragraaf(p. 4) bevat een algemene klacht ter inleiding. Het subonderdeel richt zich tegen ‘s hofs oordeel in rov. 5.11 van het arrest dat Itsme niet kan worden gevolgd in haar betoog dat SPNG geen risico heeft gelopen voor gezondheidsrisico's in 2019-2020, en dat de discussie tussen partijen over de relatie tussen inloop- en uitlooprisico en over de omvang van betaalde premies geen ander licht werpt op de uitleg van het Pensioenreglement 2013. Dit oordeel is volgens de klacht onjuist althans onbegrijpelijk, en wel op gronden die in de volgende paragrafen van het subonderdeel worden uitgewerkt.
tweede paragraaf(p. 4) hoefde SPNG in de door het hof gekozen uitleg voor de werknemers die in 2019-2020 arbeidsongeschikt werden (voorzienbaar) nooit een premievrijstelling te bieden, nu een eventuele WIA-uitkering steeds pas na 1 januari 2021 zou worden verstrekt. Die werknemers zaten in die periode immers nog in de tweejaarswachttijd voor de WIA. Daarom was niet onzeker of zij in 2019-2020 een WIA-uitkering zouden ontvangen en liep SPNG voor deze werknemers in die periode geen risico bij genoemde uitleg. Dit terwijl Itsme, naar zij heeft gesteld en het hof in rov. 5.10 ook heeft onderkend, wel premies betaalde voor dit risico over 2019-2020 en die premiebetaling niet aansluit bij de aard van een risicoverzekering.
derde paragraaf(p. 5) richt zich tegen de overweging dat het risico in dit geval is dat een werknemer tijdens het deelnemerschap ten minste 35% arbeidsongeschikt wordt
eneen WIA-uitkering gaat ontvangen (of de betrokken werknemers ten minste zo lang arbeidsongeschikt zouden zijn dat zij aanspraak zouden krijgen op een WIA-uitkering). Die beslissing is onjuist althans onbegrijpelijk, omdat dit ‘risico’ voor 2019-2020 geen onzekerheid betreft over de uitkering, dan wel ten aanzien van de vraag wanneer die moet plaatsvinden of tegen welk bedrag. Omdat de wachttijd op grond van de WIA twee jaar is, kon het door het hof bedoelde risico zich in 2019-2020 niet materialiseren. Er is daarom, anders dan het hof heeft beslist, in die jaren geen sprake van een risico in verzekeringstechnische zin dat kon worden gedekt door SPNG. In ieder geval valt niet (zonder meer) in te zien waarom dat anders is. [7]
vierde paragraaf, eerste alinea(p. 6) valt niet in te zien waarom de discussie tussen partijen over het inloop- en uitlooprisico geen ander licht werpt op de uitleg van het Pensioenreglement 2013 en dus verder onbesproken kan blijven, zoals het hof oordeelt in rov. 5.11. De omstandigheden (i) dat in de door het hof in rov. 5.8 gekozen uitleg na de opzegging van de UVO vanaf 1 januari 2021 geen sprake is van een uitlooprisico en (ii) dat Itsme heeft betoogd dat evenmin sprake is van een (door SPNG verzekerd) inlooprisico bij aanvang van de UVO, brengen immers in beginsel mee dat in het licht van het vorenstaande geen risico werd verzekerd over 2019-2020. De door het hof gekozen uitleg leidt dan tot onaannemelijke en met de wettelijke regeling van de verzekeringsovereenkomst strijdige rechtsgevolgen. In ieder geval valt niet zonder meer in te zien waarom dat anders is.
vierde paragraaf, tweede alinea(p. 6-7) bevat redenen waarom het voorgaande ‘temeer’ geldt. In essentie omdat bij de door het hof in rov. 5.8 gekozen uitleg ongelijke behandeling van de werknemers ontstaat, waarbij geldt dat werknemers die in 2019-2020 al een WIA-uitkering ontvingen wel zijn gedekt. Dat onderscheid moet - naar het hof in rov. 5.13 ook heeft beslist - inderdaad in de door het hof voorgestane uitleg worden toegerekend aan de beëindiging van de UVO, maar niet (zonder meer) valt in te zien waarom de door het hof gekozen uitleg daarom niet zou leiden tot onaannemelijke rechtsgevolgen. Dit onderscheid ontstaat immers niet in de door Itsme verdedigde uitleg, die ook op grond van tekstuele uitleg van art. 21 lid 2 Pensioenreglement Pro 2013 mogelijk is.
vierde paragraaf, derde alinea(p. 7) valt niet in te zien waarom geen aanleiding bestaat, zoals het hof in rov. 5.9 overweegt, om tot een andere uitleg te komen op de grond dat de in rov. 5.8 bedoelde uitkomst tot een onaannemelijk rechtsgevolg zou leiden. Naar hiervoor is uiteengezet, leidt de uitleg van het hof immers tot een onaannemelijke en met het verzekeringsrecht strijdige uitkomst omdat in 2019-2020 geen risico werd gedekt. Het gevolg van de door het hof gekozen uitleg is bovendien dat de betrokken werknemers geen aanspraak hebben op premievrijstelling bij ingang van hun WIA-uitkering. Naar Itsme heeft aangevoerd, kan art. 21 lid 2 Pensioenreglement Pro 2013 (ook) zo worden begrepen dat de premievrije opbouw aanvangt op het moment dat een WIA-uitkering wordt ontvangen. In die uitleg wordt over 2019-2020 wel een (uitloop)risico verzekerd. Die uitleg ligt bovendien voor de hand, omdat de verzekering inkomensschade dekt en die schade pas ontstaat na afloop van de wachtperiode van 2 jaar (104 weken) die gelijk is aan de wettelijke loondoorbetalingsplicht (inclusief pensioenopbouw) op grond van art. 7:629 BW Pro.
tweede paragraaf.
in het geheelgeen risico is gelopen. [21] Uit ‘s hofs oordeel in rov. 5.11 volgt al dat daarvan in dit geval in 2019-2020 geen sprake was. Zie verder sub a hiervoor. Overigens heeft het hof, blijkens rov. 5.22, de mede op art. 7:938 BW Pro gebaseerde subsidiaire vordering van Itsme (als bedoeld in rov. 5.1) afgewezen.
derde paragraaf.
vierde paragraaf, eerste alinea.
vierde paragraaf, tweede alinea.
vierde paragraaf, derde alinea.
eerste paragraaf.
eerste alinea(p. 7-8) richt zich tegen de voorlaatste zin van rov. 5.21 van het arrest, specifiek “waarbij nog komt dat Itsme als professionele partij eens te meer moet hebben geacht de implicaties van deze bepaling te hebben begrepen”. Dit geciteerde oordeel is onjuist voor zover dit mede dragend is voor ‘s hofs beslissing in rov. 5.21 dat, in de woorden van het subonderdeel, “ook de grondslag dat SPNG geen risico heeft gelopen in 2019 en 2020, geen succes heeft”. Zoals het hof in rov. 5.6 onderkent, komt het bij de uitleg van het Pensioenreglement 2013 immers aan op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de regels zijn gesteld. Het hof stelt echter niet vast dat de omstandigheid dat Itsme als professionele partij de implicatie van art. 21 Pensioenreglement Pro 2013 geacht moet worden te hebben begrepen, naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van het Pensioenreglement 2013. Daarom kon het hof die omstandigheid in beginsel niet meewegen bij zijn uitleg van het Pensioenreglement 2013.
tweede alinea(p. 8) valt in ieder geval niet zonder meer in te zien waarom Itsme de door het hof in rov. 5.8 gekozen uitleg uit het Pensioenreglement 2013 had moeten afleiden, mede in het licht van het in subonderdeel 2.1 betoogde. Itsme ging immers ervan uit dat de UVO een verzekeringsovereenkomst behelsde die een risico dekte, maar daarvan is in de door het hof gekozen uitleg, naar in subonderdeel 2.1 is uiteengezet, in 2019-2020 geen sprake. Niet (zonder meer) valt in te zien waarom een professionele partij als Itsme die meende een verzekeringsovereenkomst aan te gaan en daarvoor premie betaalde, desalniettemin had moeten begrijpen dat geen risico werd gedekt in de twee jaar voorafgaand aan de beëindiging ervan, terwijl daarvoor wel premie werd betaald.
eerste alinea.
tweede alinea.