Conclusie
Nummer22/01648
Inleiding
"mensenhandel"veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de verdachte een contactverbod (‘vrijheidsbeperkende maatregel’) voor de duur van drie jaren opgelegd, waarbij vervangende hechtenis van één week wordt toegepast bij iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. Verder is aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en heeft het hof een (daarmee corresponderende) beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].
Het eerste middel
De beslissing van het hof en de motivering van de vrijheidsbeperkende maatregel
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer]. Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt een (1) week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.”
De toelichting op het eerste middel
Het beoordelingskader: de motivering van de vrijheidsbeperkende maatregel
indien hij oordeelt dat er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dan wel zich belastend naar personen toe zal gedragen.” [3]
De bespreking van het eerste middel
niet uitgesloten kan worden” dat de verdachte in de toekomst wel contact met haar zal opnemen.
Het tweede middel
Totaal € 294.028,48
De toelichting op het tweede middel
De bespreking van het tweede middel
opbrengstvan het delict over de jaren 2013-2014 (zulks omvat reeds de helft van de totaalopbrengst van het delict) óók uitgegaan van de gelijkstelling van één maand (= gemiddeld 30,5 dagen) met vier weken (= 28 dagen). Immers, het hof is uitgegaan van € 500 opbrengst per dag bij een vijfdaagse werkweek en heeft daarbij (kennelijk) vier weken per maand (= € 10.000 per maand) tot uitgangspunt genomen, aangezien de totaalopbrengst is berekend op € 180.000. Mijn punt is nu het volgende. Als de omvang van de kostenaftrek moet worden gecorrigeerd voor de onjuiste gelijkstelling van vier weken met één maand (zoals de steller van het middel betoogt), dan moet dat uiteraard ook gebeuren met de omvang van de opbrengst uit de jaren 2013-2014. [13] Nu de totale kosten zoals die volgen uit het ontnemingsrapport reeds een lager bedrag inhouden dan de opbrengsten uit de jaren 2013-2014, wordt de verdachte
benadeeldbij een consequente toepassing van de – door de steller van het middel voorgestane – correctie. [14] De verdachte heeft op dit punt al met al evident geen belang bij cassatie.
medeis begaan vóór de inwerkingtreding van deze bepaling. [18]
niettot de wettelijke mogelijkheden behoort. Het bewezen verklaarde delict van mensenhandel is namelijk voor een substantieel deel (gedurende ruim drie jaren) begaan in de periode ná 1 april 2012. In die (deel)periode was het contactverbod ex artikel 38v Sr reeds aan het rechterlijk sanctiearsenaal toegevoegd (met dien verstande dat die maatregel tot 1 juli 2015 ten hoogste twee jaren kon duren). [19]
één en ondeelbaar. Dit geldt overigens niet alleen voor de toepassing van artikel 1 Sr Pro op wijzigingen in regels van sanctierecht. Dit oordeel loopt namelijk in de pas met rechtspraak over de verjaringsregeling. Voortdurende delicten verjaren niet gaandeweg en dus niet iedere dag een beetje. Van oudsher geldt dat de verjaringstermijn voor het
gehelevoortdurende delict aanvangt op de dag ná hetgeen de Hoge Raad aanmerkt als ‘de voltooiing van het voortdurende delict’ en dat betreft het moment waarop de verboden toestand is beëindigd en de dader niet langer in gebreke is. [22]
deelbaarzijn, had de rechter in (bijvoorbeeld) de voorliggende zaak artikel 38v Sr volgens de in dat tijdvak geldende redactie kunnen toepassen
indien en voor zoverhet delict (mensenhandel) is begaan gedurende de periode van 1 april 2012 tot 1 juli 2015. [23] Tegengeworpen zou kunnen worden dat het bewezen verklaarde in deze zaak ‘mede’ is begaan vóór 1 april 2012, en dus ook in een periode waarin artikel 38v Sr nog niet in werking was getreden. Dit gebrek aan een wettelijke grondslag voor het contactverbod moet volgens die tegenwerping – op de voet van artikel 1 lid 2 Sr Pro – als gunstiger worden beschouwd en dus worden toegepast op het geheel. Deze tegenwerping verliest (volgens de opvatting dat het voortdurende delict qua tijdsbepaling ‘deelbaar’ is) uit het oog dat voor zover het delict is begaan na 1 april 2012 (en vóór 1 juli 2015) er in die periode géén gunstigere bepaling
is, maar alleen het bepaalde in artikel 38v Sr in de redactie die gold van 1 april 2012 tot 1 juli 2015. De verzwaarde strafdreiging is daarmee
niet(in strijd met artikel 1 lid 1 Sr Pro) van toepassing verklaard op feiten die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet zijn begaan. De maatregel wordt immers uitsluitend opgelegd
voor zoverhet delict ná 1 april 2012 is begaan.
strafbaarheid(zoals wijzigingen in delictsbestanddelen). Ik geef een voorbeeld. Wanneer een bepaald ‘middel’ wordt opgenomen in de bij de Opiumwet behorende lijst I, zal het opzettelijk aanwezig hebben ervan vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wijziging verboden en strafbaar zijn. Dat wordt volgens mij niet anders ingeval in de tenlastelegging c.q. bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van het inmiddels verboden middel (onnodig) een aan de inwerkingtreding van het verbod voorafgaande deelperiode is opgenomen (bijvoorbeeld omdat de verdachte reeds vóór de inwerkingtreding van het verbod over het betreffende middel beschikte). Het verweer dat het opzettelijk aanwezig hebben van het (thans verboden) middel is aangevangen vóór de inwerkingtreding van het verbod en dat dit opzettelijk aanwezig hebben daardoor (vanwege artikel 1 lid 2 Sr Pro) voor wat betreft de
geheleten laste gelegde (‘ondeelbare’) periode
nietstrafbaar is, zal naar mijn verwachting geen succes hebben. Dat laat zich alleen goed verklaren als in dat verband wordt uitgegaan van de deelbaarheid van de tijdsbepaling van het voortdurende delict. [25]