Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Strafmotivering hof
3.Het middel
Artikel 51h, tweede lid, Sv
schaderegelingis overeengekomen. Ook het hierboven geciteerde antwoord van de minister pleit voor deze interpretatie. De minister stelt daarin immers dat de rechter met een dergelijke overeenkomst “uiteraard” rekening zal houden bij zijn einduitspraak. [5] Dat lijkt mij ook de belangrijkste ratio van art. 51h lid 2 Sv, voor zover hier een verplichting in kan worden gelezen. Als de verdachte zijn verplichting tot schadevergoeding heeft vastgelegd in een juridisch afdwingbaar document en zijn betalingsverplichting is nagekomen, dan lijkt het niet meer dan redelijk dat de rechter hiermee rekening houdt bij het opleggen van de straf, met name als het gaat om het al dan niet opleggen van een schadevergoedingsmaatregel.
verplichtis mediation in strafmatigende zin mee te wegen. Maar zelfs als art. 51h lid 2 Sv wel zo moet worden gelezen, dan valt nog te verdedigen dat de rechter in het onderhavige geval voldaan heeft aan deze verplichting. Het hof heeft bij de strafoplegging immers in aanmerking genomen dat een mediationtraject heeft plaatsgevonden. Dat het hof, alles afwegend, van oordeel is dat hier per saldo geen strafverlagende betekenis aan toe kan komen, doet er niet aan af dat het hof hiermee wel ‘rekening’ heeft gehouden. In zoverre faalt het middel in mijn ogen.