Conclusie
1.Overzicht
Hofheeft de gemeentelijke reclameactiviteiten gekwalificeerd als het tegen vergoeding verlenen van een exclusief recht aan exploitanten om objecten in de openbare ruimte te exploiteren voor reclamedoeleinden. Voor de vraag of zij een onderneming opleveren, moeten zij volgens het Hof als één activiteit worden beschouwd die niet kan worden geacht op te gaan in het (publiekrechtelijke en vrijgestelde) beheer van de openbare ruimte. De reclameactiviteiten zijn volgens het Hof ook geen verhuur van delen van de openbare ruimte en daarom niet vergelijkbaar met normaal vermogensbeheer in de vorm van verhuur van vastgoed. Omdat de verlening van het exploitatierecht volgens het Hof niet voortkomt uit een vermogensbestanddeel van de belanghebbende, is hij bij gebrek aan een aanwijsbaar vermogensbestanddeel niet toegekomen aan de vraag of de gemeentelijke werkzaamheden in verband met de reclame-activiteiten al dan niet uitgaan boven normaal vermogensbeheer.
BNB2007/81, dat activering van immateriële activa ontstaan in de onbelaste periode niet toestaat. De wetsgeschiedenis leert verder dat bij sfeerovergang geen incidenteel fiscaal voor- of nadeel mag optreden dat de concurrentie verstoort. Als op 1 januari 2016 al toekomstige winstcapaciteit wordt belichaamd in de contracten, dan behoort die tot uitdrukking te komen in de jaren waarin die winst wordt gerealiseerd, aldus het Hof. Het maakt volgens het Hof niet uit of de overgang van onbelast naar belast ontstaat door een overgang naar winststreven of door een wetswijziging. Zou dat wel uitmaken, dan achtte hij het waarderingsvoorschrift voor immateriële activa in art. 33 Wet Pro Vpb (kostprijs minus normale afschrijvingen) van toepassing. De lopende contracten zijn volgens het hof een immaterieel activum. Nu de belanghebbende niet inzichtelijk heeft gemaakt tot welke openingsbalanswaarde en eventuele afschrijving in 2016 dat leidt, is voor activering van lopende contracten geen plaats, aldus het Hof.
Middel 1abestrijdt dat de reclame-activiteiten niet vergelijkbaar zijn met verhuur van delen van de openbare ruimte en daarom niet wordt toegekomen aan de normaal-vastgoedbeheertoets. Dat oordeel acht zij onjuist of onbegrijpelijk omdat de aard van de activiteiten en de bijbehorende arbeid juist zeer vergelijkbaar zijn met vastgoedverhuur en bijbehorende arbeid, zodat wel degelijk onderzocht had moeten worden of de arbeid meer omvatte dan normaal vermogensbeheer.
ofertoe strekt de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen
ofis verkregen in ruil voor stoffelijk voordeel. De verleende concessies lijken mij daar onder te vallen, zodat ’s Hofs oordeel dat er geen vermogensbestanddeel is, mij niet begrijpelijk voorkomt.
vermogensbeheer, rijst de vraag hoe er dan een organisatie van
kapitaalen arbeid kan zijn. De lichtmasten en vri-kasten zijn volgens het Hof immers evenmin ondernemingsvermogen. De factor kapitaal lijkt dan te ontbreken, waardoor niet begrijpelijk is ’s Hofs aansluiting bij de opvatting van de partijen dat die factor niet ontbreekt. Als er geen relevant vermogens-bestanddeel is, is er geen kapitaal en om die reden geen onderneming. Is er wel een relevant vermogensbestanddeel, dan moet mijns inziens wél beoordeeld worden of het belegd wordt (normaal vermogensbeheer) of rendabel gemaakt door arbeid waarmee onmiskenbaar beoogd wordt meer voordeel te behalen dan het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement. Ik merk op dat de omvang van de overschotten daar wel op wijst, maar de vraag rijst wát hier rendeert. Is er wél een relevant vermogensbestanddeel, dan zal ook gemotiveerd moeten worden waarom de uitbating ervan niet vergelijkbaar is met verhuur. ‘s Hofs oordeel dat er geen vermogensbestanddeel is, lijkt tenslotte ook niet verenigbaar met zijn oordeel dat de verleende concessies immateriële
activazijn in de zin van art. 33 Wet Pro Vpb; activa lijken mij vermogensbestanddelen.
middel 1(b)als onjuist ‘s Hofs oordeel dat voldoende arbeid is verricht omdat uit de uitspraak niet valt op te maken of hem voor ogen stond dat het om ‘kwalificerende’ arbeid moet gaan. Is het Hof wel uitgegaan van een juiste rechtsopvatting, dan acht de belanghebbende zijn oordeel onbegrijpelijk in het licht van de lijst van betrokken werkzaamheden (zie 2.7 en 2.8 hieronder), die volgens haar geen andere conclusie toelaat dan dat zij met de concessie-verlening niet de vereiste arbeid verricht. Gegeven dat dit middelonderdeel ervan uitgaat dat de concessieverlening niet vergelijkbaar is met verhuur van vastgoed, lijkt het mij ongegrond. ’s Hofs oordeel houdt voor dat geval in dat met de door hem opgesomde werkzaamheden de voor een onderneming vereiste arbeid is verricht. Dat oordeel verraadt mijns inziens voor
datgeval geen onjuiste rechtsopvatting en het lijkt mij vergaand verweven met waardering van feiten die in cassatie niet op juistheid wordt getoetst. Gegeven die opsomming van gemeentelijke werkzaamheden, lijkt het mij niet onbegrijpelijk.
onderdeel 2(b).
merchandising-rechten en toekomstige sponsoringopbrengsten op de openingsbalans van een belastingplichtig wordende stichting (zie onderdeel 7.4 van de bijlage), niet in de weg staat aan activering van de op 1 januari 2016 lopende contracten met reclame-exploitanten voor hun waarde in het economische verkeer (WEV) omdat (i) u in dat arrest en in HR BNB 1991/90 (dat activering verbood van winstcapaciteit ontstaan in de niet-belaste periode) weliswaar afweek van de hoofdregel dat activa en passiva op de openingsbalans op WEV moeten worden gewaardeerd, maar volgens de belanghebbende alleen voor gevallen waarin belastingplicht ontstaat door het ontstaan van een winststreven (in belanghebbendes geval daarentegen ontstaat belastingplicht door een wetswijziging), en (ii) die arresten alleen zien op
goodwillen
merchandisingrechten die u op grond van redelijke wetstoepassing niet activeerbaar achtte omdat zij waren gebaseerd op winstcapaciteit verkregen door activiteiten die geacht waren te zijn verricht zonder naar winst te hebben gestreefd. Het waardecreërende feit voor de belanghebbende was volgens haar het binnenhalen van een winstgevend contract en dat gebeurde in de onbelaste periode. De winst moet daarom aan die periode worden toegerekend. Dat daarna nog prestaties over en weer worden verricht, voegt volgens de belanghebbende geen waarde meer toe.
cash flowminus de te verwachten kosten, dus meer waard waren dan de toekomstige omzet minus de toekomstige kosten, die alle in de belaste periode vallen. HR BNB 2007/81 zag bovendien ook op toekomstige opbrengsten van vóór aanvang van de belastingplicht al gesloten sponsoringscontracten en was dus zeer vergelijkbaar. Ik acht dit middelonderdeel ongegrond.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten en het geschil
AO-reclameborden
BNB2007/81 (zie 7.4 bijlage), welk arrest activering van goodwill verbood bij de overgang van een stichting van onbelast naar belast als gevolg van het ontstaan van winststreven. Het Hof zag niet in waarom dat anders zou zijn als de sfeerovergang geen gevolg is van het ontstaan winststreven, maar van een wetswijziging zoals in casu. De wetsgeschiedenis vermeldt ook expliciet dat bij een overgang van onbelast naar belast geen incidenteel fiscaal voor- of nadeel behoort te ontstaan dat concurrentie-verhoudingen verstoort. [18] In contracten belichaamde toekomstige winstcapaciteit moet volgens het Hof tot uitdrukking komen in de jaren waarin de winst wordt gerealiseerd. Ten overvloede merkte het Hof op dat als er al een verschil zou zijn tussen belanghebbendes geval en HR
BNB2007/81, art. 33 Wet Pro Vpb voorschrijft dat de lopende contracten, die volgens het Hof immateriële activa zijn in de zin van die bepaling, moeten worden gewaardeerd op kostprijs minus gewone afschrijvingen. Nu de belanghebbende niet duidelijk heeft gemaakt tot welke openingsbalanswaardering en eventuele afschrijving in 2016 dit leidt, baat een mogelijk verschil met HR BNB 2007/81 haar niet, aldus het Hof.
3.Het geding in cassatie
Middel 1acht art. 2(1)(g) Wet Vpb 1969 en/of art. 8:77 Awb Pro geschonden doordat het Hof ten onrechte of onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat belanghebbendes reclameactiviteiten een onderneming zijn.
middelonderdeel 1abestrijdt ’s Hofs oordeel dat de reclame-activiteiten geen verhuur van delen van de openbare ruimte zijn en dat daarom niet wordt toegekomen aan de beoordeling of sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. De aard van de reclameactiviteiten en de daarmee gepaard gaande werkzaamheden zijn volgens de belanghebbende juist in hoge mate vergelijkbaar met de aard van vastgoedverhuur en de werkzaamheden die daarmee gepaard gaan en de reclame-exploitant verbindt zich tot een tegenprestatie vergelijkbaar met huurpenningen. De belanghebbende heeft haar werkzaamheden vergeleken met die bij verhuur zoals opgenomen in de Praktijkhandleiding bedrijfsopvolging vastgoedexploitanten: [19]
kwalificerendearbeid. Als het Hof wel is uitgegaan van een juiste rechtsopvatting, is zijn oordeel onbegrijpelijk in het licht van de door hem in r.o. 2.7 en 2.8 opgesomde werkzaamheden, zie geen andere gevolgtrekking toelaten dan dat de gemeente met de reclameactiviteiten geen onderneming drijft, aldus de belanghebbende.
middelonderdeel 2abestrijdt het oordeel dat de reclameactiviteiten niet kunnen worden gezien als overheidstaak zoals bedoeld in art. 8e(1)(b) Wet Vpb. De belanghebbende handelt met de reclameactiviteiten wel degelijk ‘als overheid’, aldus dit onderdeel, zodat die activiteiten de uitvoering van een overheidstaak zijn in de zin van art. 8e(1)(b) Wet Vpb.
Middelonderdeel abestrijdt dat HR
BNB2007/81 (
merchandising-rechten niet activeerbaar), dat voortbouwde op HR
BNB1991/90 (
goodwillniet activeerbaar) in de weg staat aan activering van de lopende contracten, op twee gronden: (i) de inbreuk die die arresten op grond van een redelijke wetstoepassing maken op de hoofdregel van activering voor de WEV is volgens de belanghebbende beperkt tot gevallen waarin belastingplicht ontstaat doordat een lichaam dat eerst niet naar winst streefde, naar winst is gaan streven. Die redelijkheidsoverweging acht zij niet van toepassing als de belastingplicht ontstaat door wetswijziging. ‘s Hofs argument dat incidentele voor- of nadelen die de concurrentieverhoudingen kunnen verstoren, moeten worden voorkomen, acht de belanghebbende niet valide in het licht van art. 33 Wet Pro Vpb, dat uitbreiding van HR
BNB1991/90 en HR
BNB2007/81 naar gevallen waarin belastingplicht ontstaat door wetswijziging onnodig maakt; (ii) die arresten zien enkel op
goodwillen
merchandisingrechten en niet op andere activa en passiva zoals lopende contracten met reclame-exploitanten. De actiefpost voor die lopende contracten moet volgens de belanghebbende worden aangemerkt als ‘toekomstige vordering’ en niet als immaterieel vast actief. Het Hof heeft de lopende contracten ten onrechte als immaterieel actief onder het activeringsverbod van art. 33 Wet Pro Vpb laten vallen, aldus de belanghebbende.
verweer ad middel 1dat de belanghebbende een dienst verleent die in concurrentie met andere aanbieders van reclameruimte in de markt wordt gezet. Anders dan bij verhuur van onroerende zaken blijven de desbetreffende delen van de openbare ruimte (de reclamedragers en -objecten in eigendom van de belanghebbende) volledig beschikbaar voor het publieke doel waarvoor deze bestemd zijn. De reclamedragers en -objecten worden voor meer dan 90% gebruikt voor onbelaste 'beheer en inrichting van het openbaar gebied'. Ook daarom acht hij een afzonderlijke normaal-vermogensbeheer-toets niet aan de orde. Er is geen vruchtdrager die op zichzelf tot een bepaalde directe of indirecte opbrengst leidt. Aard, functie en bestemming van de reclamedragers en -objecten impliceren evenmin de intentie van de belanghebbende om ze te gebruiken als beleggingsobject. De belanghebbende heeft met kapitaal en arbeid een meerwaarde gecreëerd door een prestatie op de markt aan te bieden waarmee een advertentiemarkt in buitenreclame wordt gecreëerd mat aanbod van exclusieve rechten, aldus de Staatssecretaris. Zonder de gemeentelijke arbeid zou er geen opbrengstenstroom zijn. Het betoog dat, als de vergelijking met de verhuur van onroerende zaken niet opgaat, geen sprake zou zijn van kwalificerende arbeid, kan de Staassecretaris niet volgen.
BNB2007/81. De Staassecretaris wijst er op dat het activeringsverbod van HR BNB 1991/90 voor
goodwillin HR BNB 2007/81 niet alleen is doorgetrokken naar
merchandising-rechten, maar ook naar toekomstige opbrengsten uit reeds gesloten sponsorcontracten. De Inspecteur heeft bovendien gemotiveerd betoogd dat aan de lopende contracten op 1 januari 2016 geen waarde toekomt. Als aan de lopende contracten op 1 januari 2016 al een waarde toekomt die is ontstaan door belanghebbendes reclameactiviteiten in de onbelaste periode, kan die niket geactiveerd worden omdat eventuele in de contracten belichaamde toekomstige winstcapaciteit in dat geval tot uitdrukking moet komen in de jaren waarin die winst wordt gerealiseerd, aldus de Staatssecretaris. Hij ziet ten slotte niet in waarom vlottende activa zoals de lopende contracten (een niet-stoffelijk actief) geen immateriële activa in de zin van art. 33 Wet Pro Vpb zouden zijn, te minder nu u in HR
BNB2007/81 ook sponsoringcontracten onder het activeringsverbod heeft gebracht.
repliektot het verweer van de Staatssecretaris tegen middel 3. Bij diens stelling dat de Inspecteur gemotiveerd betoogd heeft dat aan de lopende contracten op 1 januari 2016 geen waarde toekomt, moet voor ogen worden gehouden dat die waarde niet in geschil was. Het Hof heeft zich er niet over uitgelaten omdat hij activering van de contracten überhaupt niet mogelijk achtte. Als u oordeelt dat zij wel kunnen worden geactiveerd, dan moet de WEV ervan door het verwijzingshof worden onderzocht, aldus de belanghebbende.
BNB1991/90 en HR
BNB2007/81 tot die gevallen beperkt.
4.Beoordeling
ofertoe strekt de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen
ofis verkregen in ruil voor stoffelijk voordeel. De verleende concessies lijken mij daar onder te vallen, zodat ’s Hofs oordeel dat er geen vermogensbestanddeel is, mij niet begrijpelijk voorkomt.
vermogensbeheer, rijst de vraag hoe die verlening en dat beheer dan desondanks een organisatie van
kapitaalen arbeid kan zijn. De lichtmasten en de vri-kasten zijn volgens het Hof immers evenmin ondernemingsvermogen omdat zij voor meer dan 90% voor de openbare dienst in gebruik blijven en dus verplicht niet-ondernemingsvermogen zijn. De factor kapitaal lijkt dan te ontbreken, waardoor niet begrijpelijk is ’s Hofs aansluiting bij de opvatting van de partijen dat die factor niet ontbreekt. Als er geen relevant vermogensbestanddeel is, is er immers geen kapitaal en om die reden geen onderneming. Is er wel een relevant vermogensbestanddeel, dan moet mijns inziens wel degelijk beoordeeld worden of dat vermogensbestanddeel belegd wordt (normaal vermogensbeheer) of (aldus HR
BNB1994/319; zie 5.10 bijlage) rendabel gemaakt wordt door arbeid die naar aard en omvang onmiskenbaar ten doel heeft het behalen van voordelen die het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaan. Ik merk daarbij op dat de omvang van de overschotten er wel op wijst dat een aanzienlijk hoger rendement wordt bereikt dan bij normaal vermogensbeheer, maar de vraag rijst wát hier rendeert. Is er wél een relevant vermogensbestanddeel, dan zal ook gemotiveerd moeten worden waarom de uitbating ervan niet vergelijkbaar is met verhuur. ‘s Hofs oordeel dat er geen vermogensbestanddeel is, lijkt tenslotte ook niet verenigbaar met zijn oordeel dat de verleende concessies wel degelijk immateriële
activazijn in de zin van art. 33 Wet Pro Vpb; activa zijn immers vermogensbestanddelen.
datgeval geen onjuiste rechtsopvatting en het lijkt mij vergaand verweven met waardering van feiten die in cassatie niet op juistheid wordt getoetst. Gegeven die opsomming van gemeentelijke werkzaamheden voor verlening en beheer van de concessies, lijkt het mij niet onbegrijpelijk.
merchandising-rechten en toekomstige sponsoring-opbrengsten op de openingsbalans van een belastingplichtig wordende stichting verbood (zie onderdeel 7.4 van de bijlage), om twee redenen niet in de weg staat aan activering van de op 1 januari 2016 lopende contracten met reclame-exploitanten voor hun waarde in het economische verkeer (WEV): (i) in dat arrest en in HR BNB 1991/90 (dat activering afwees van winstcapaciteit ontstaan in de niet-belaste periode; zie onderdeel 7.3 van de bijlage) week u weliswaar af van de hoofdregel dat activa en passiva op de openingsbalans op WEV moeten worden gewaardeerd, maar volgens de belanghebbende alleen voor gevallen waarin belastingplicht ontstaat doordat een lichaam dat eerst niet naar winst streefde, daar wel naar gaat streven (in belanghebbendes geval daarentegen ontstaat de belastingplicht door wetswijziging), en (ii) die arresten zien op
goodwillen
merchandisingrechten die u op grond van een redelijke wetstoepassing niet activeerbaar achtte omdat zij waren gebaseerd op winstgenererend vermogen verkregen door activiteiten die geacht waren te zijn verricht zonder ermee naar winst te hebben gestreefd. Het volgens de belanghebbende waardecreërende feit was in haar geval het binnenhalen van een winstgevend contract en dat gebeurde in de onbelaste periode. De winst moet daarom aan die periode worden toegerekend, aldus de belanghebbende. Dat na het ontstaan van belastingplicht nog prestaties over en weer worden verricht, voegt volgens haar geen waarde meer toe.
cash flowminus de te verwachten kosten, dus meer waard waren dan de toekomstige omzet minus de toekomstige kosten, die alle in de belaste periode vallen. De contracten zijn mogelijk voor de exploitanten wel activeerbaar voor zover andere exploitanten bereid zouden zijn te betalen voor contractoverneming, maar dat gaat de belanghebbende niet aan en dat heeft zij wellicht ook contractueel uitgesloten.
merchandising-rechten en
goodwill, maar dat het er om gaat dat het juiste resultaat in de heffing wordt betrokken. Als activering tegen WEV – aangenomen dat die er is op 1 januari 2016 - tot een onjuiste uitkomst leidt, zoals in casu, door opbrengst- en winstterugschuiving naar de onbelaste periode, moet van die waarderingsregel worden afgeweken. Net als in de zaak HR
BNB1991/90 komt in casu het gemeentelijke ‘winvermogen’ tot uitdrukking in de winsten die nadien in de periode van belastingplicht in feite worden behaald. De Staatssecretaris merkt ook terecht op dat het activeringsverbod in HR BNB 2007/81 ook zag op de toekomstige opbrengsten van vóór ingang van de belastingplicht al gesloten sponsoringcontracten.