ECLI:NL:HR:2006:AV5002
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Belastingplicht en waardering intellectuele eigendomsrechten bij openingsbalans betaaldvoetbalorganisatie
Belanghebbende, een betaaldvoetbalorganisatie, werd voor het jaar 1994/1995 aangeslagen in de vennootschapsbelasting. Na bezwaar werd de aanslag verminderd, maar belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde belanghebbende cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De kern van het geschil betrof de fiscale openingsbalans die belanghebbende moest opstellen bij het intreden van belastingplicht. Belanghebbende wilde intellectuele eigendomsrechten, waaronder merkenrechten, en merchandising- en sponsoringopbrengsten activeren op de openingsbalans. De Hoge Raad oordeelde dat volgens vaste jurisprudentie goodwill en vergelijkbare rechten die vóór het intreden van de belastingplicht zijn opgebouwd, niet mogen worden geactiveerd op de openingsbalans. Dit geldt ook voor merchandisingrechten.
Het Hof had een beperkte waarde toegekend aan de merchandisingcomponent, maar de Hoge Raad verklaarde dit oordeel onjuist en verwierp de middelen die dit betwistten. Ook het standpunt dat sponsoringopbrengsten als actiefpost konden worden opgenomen, werd verworpen. De Hoge Raad verklaarde zowel het principale als het incidentele cassatieberoep ongegrond en veroordeelde de Minister van Financiën in de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat intellectuele eigendomsrechten en merchandisingrechten niet op de openingsbalans mogen worden geactiveerd.