ECLI:NL:PHR:2024:637
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Conclusie procureur-generaal over aanhoudingsverzoek en redelijke termijn in ontnemingszaak
In deze zaak staat een cassatieberoep centraal betreffende een ontnemingsvordering van bijna een half miljoen euro. De betrokkene stelde twee middelen voor: overschrijding van de redelijke termijn en afwijzing van een aanhoudingsverzoek.
De eerste klacht over de overschrijding van de termijn voor het indienen van stukken in cassatie is terecht, maar wordt gecompenseerd door de samenhangende strafzaak, zodat dit niet tot vernietiging leidt. Het tweede middel, dat betrekking heeft op de afwijzing van een aanhoudingsverzoek wegens letsel en verblijf in het buitenland, faalt eveneens, waarbij verwezen wordt naar de motivering in de samenhangende strafzaak.
De procureur-generaal merkt ambtshalve op dat ook in de cassatiefase sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro, maar dat dit geen aanleiding geeft tot vernietiging. De conclusie is derhalve dat het beroep moet worden verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het bestreden arrest blijft in stand.