Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2024:653

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juli 2024
Publicatiedatum
17 juni 2024
Zaaknummer
22/02271
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 lid 2 SvArt. 4.3.9.2 Procesreglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens onvoldoende gespecificeerd middel

De verdachte is bij arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot elf jaar en zes maanden gevangenisstraf wegens gekwalificeerde diefstal. Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld met één middel.

De verdediging heeft aangekondigd een nadere toelichting op het middel in te dienen, maar deze is niet ontvangen door de Hoge Raad. Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde onvoldoende uit de bewijsmiddelen volgt en dat het hof onvoldoende heeft gereageerd op de verdediging, met specifieke verwijzingen naar DNA-bewijs, modus operandi, medeplegen en alternatieve scenario’s.

De Hoge Raad stelt dat een cassatiemiddel duidelijk en specifiek moet zijn en dat het ingediende middel niet aan deze eis voldoet. Daarom wordt het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard. Deze conclusie is gebaseerd op vaste jurisprudentie en eerdere uitspraken die benadrukken dat een niet-gespecificeerd middel niet kan worden hersteld door latere toelichting.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende gespecificeerd middel.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/02271

Zitting2 juli 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 21 juni 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2022:1940) wegens - kort gezegd - gekwalificeerde diefstal, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest. Het arrest bevat voorts beslissingen over de vorderingen van benadeelde partijen en de oplegging van schadevergoedingsmaatregelen. Een en ander als nader in het arrest bepaald.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. B.Th. Nooitgedagt, advocaat in Amsterdam, heeft op 22 mei 2023 een schriftuur houdende één middel van cassatie voorgesteld.
1.3
In deze schriftuur staat onder het kopje “Toelichting” de zin: “Een nadere toelichting op dit middel zal tijdig worden ingediend”. Nadere toelichtingen kunnen ter rolzitting worden overgelegd dan wel tot aan de dag voor de rolzitting worden ingediend (art. 4.3.9.2 Procesreglement). Op 15 maart 2024 heeft de Hoge Raad de steller van het middel bericht dat de eerste zitting (de rechtsdag) in de onderhavige zaak zou plaatsvinden op 9 april van dit jaar. Tot op heden is geen toelichting op het cassatiemiddel bij de Hoge Raad binnengekomen.

Het middel

2.1
Het middel formuleert als klacht dat het bewezenverklaarde “niet (in voldoende mate) uit de bewijsmiddelen kan volgen en/of het Gerechtshof (anders dan het had behoren te doen) niet in voldoende mate heeft gerespondeerd op zijdens de verdediging aangevoerde uitdrukkelijk onderbouwde standpunten.”
2.2
Vervolgens worden onder a tot en met d vier oordelen opgesomd waartegen het middel zich “in het bijzonder” zou richten, te weten oordelen over (a) het “gebezigde DNA-bewijs”, (b) het als steunbewijs gebruiken van de “unieke modus operandi”, (c) het medeplegen en (d) de verwerping van “[a]lternatieve scenario’s”.
2.3
Als een cassatiemiddel als in de wet bedoeld (art. 437 lid 2 Sv Pro), kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. [1]
2.4
De “klachten” die in het cassatiemiddel naar voren worden gebracht, worden in het geheel niet gespecificeerd. Gelet hierop meen ik dat geen sprake is van een cassatiemiddel dat aan de vorenbedoelde eis van duidelijkheid voldoet. [2]

Afronding

3.1
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.Vaste jurisprudentie, zie recent HR 12 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1726.
2.De onder 1,3 bedoelde toelichting had dit verzuim overigens niet kunnen herstellen, zie HR 14 november 2000,