ECLI:NL:PHR:2024:660

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juli 2024
Publicatiedatum
19 juni 2024
Zaaknummer
22/01865
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 WWMArt. 55 WWMArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep wegens medeplegen wapenhandel ondanks alternatieve scenario verdachte

Verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie II of III. Het hof baseerde zijn oordeel op afgeluisterde gesprekken en observaties uit het strafrechtelijk onderzoek 'Macan', waarin verdachte samen met zijn vader betrokken was.

De verdediging stelde een alternatief scenario voor waarin verdachte sprak over een schiethamer, een stuk gereedschap dat op een pistool lijkt, en niet over een vuurwapen. Dit scenario werd door het hof uitgebreid onderzocht en verworpen op grond van de inhoud van de gesprekken, geluiden die duidden op het hanteren van een vuurwapen, en gedragingen die pasten bij het verbergen van een voorwerp.

De Hoge Raad concludeert dat het hof de verwerping van het alternatieve scenario voldoende heeft gemotiveerd, ook al is de precieze verklaring van verdachte op sommige punten niet eenduidig. Daarnaast constateert de Hoge Raad ambtshalve een overschrijding van de redelijke termijn, maar ziet geen aanleiding tot verdere rechtsgevolgen.

Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot vier maanden gevangenisstraf, waarvan twee voorwaardelijk, blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/01865
Zitting2 juli 2024

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 13 mei 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, wegens “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II of III”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van voorarrest.
Er bestaat samenhang met de zaken 22/01804 en 22/01977. In de zaak 22/01804 zal ik vandaag ook concluderen. In de zaak 22/01977 zijn geen middelen ingediend en heeft de Hoge Raad reeds uitspraak gedaan.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en K. Kok, advocaat in Zwolle, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
4.1
Het middel houdt – gelet op de toelichting – in dat het hof het door de verdediging geschetste alternatieve scenario ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
4.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“Hij op 26 april 2018 te Zwolle, tezamen en in vereniging met een ander een wapen van categorie II of categorie III voorhanden heeft gehad.”
4.3
Het hof heeft in zijn (promis)bewijsoverwegingen het door de verdediging naar voren gebrachte alternatieve scenario als volgt samengevat en verworpen (met weglating van voetnoten):
“Overweging met betrekking tot het bewijs
[…]
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij primair aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de op 23, 26 en 27 april 2018 gevoerde gesprekken over wapens gaan. Subsidiair heeft hij naar voren gebracht dat uit de gesprekken niet kan worden afgeleid dat verdachte een wapen voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen aan [medeverdachte] .
Over de inhoud van het OVC-gesprek van 26 april 2018 heeft de raadsman voorts betoogd dat verdachte daar een afdoende, alternatieve, verklaring voor heeft gegeven, namelijk dat hij zijn vader toen om advies heeft gevraagd in verband met de aankoop van een schiethamer. Een schiethamer heeft bovendien ook een loop, stempels en patronen en kan ‘old school’ zijn. Mogelijk heeft hij zijn vader toen een filmpje van een schiethamer laten zien.
Het oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze tot haar bewijsbeslissing is gekomen en zal de motivering in het vonnis overnemen en op onderdelen aanvullen. Het hof overweegt als volgt.
Onderhavige zaak maakt deel uit van het strafrechtelijk onderzoek ‘Macan’. Het onderzoek richtte zich op de handel in verdovende middelen en in vuurwapens op in eerste instantie onder meer medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ), zijnde de vader van verdachte.
Tijdens het opsporingsonderzoek zijn telefoongesprekken afgeluisterd, gevoerd door onder meer [medeverdachte] , in de periode 11 oktober 2017 tot en met 4 mei 2018. De woordelijke uitwerking daarvan is gevoegd in de relevante zaaksdossiers. Daarnaast zijn in de periode 14 december 2017 tot en met 4 mei 2018 beelden opgenomen met camera’s, die zicht hadden op - onder meer - de woning van [medeverdachte] . Prints van een deel van die beelden zijn opgenomen in de relevante zaakdossiers. Ook is gebruikgemaakt van het opsporingsmiddel Opnemen Vertrouwelijke Communicatie (OVC), afgegeven voor de woning van [medeverdachte] . Op 11 april 2018 is OVC-apparatuur in zijn woning aan de [a-straat 1] te [plaats] geplaatst en tot en met 4 mei 2018 zijn gesprekken opgenomen. Van de OVC-gesprekken zijn processen-verbaal opgemaakt en ook deze zijn opgenomen in de relevante zaakdossiers.
[…]
Gelet op het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat verdachte de “ [naam] ” is waarmee [medeverdachte] in zijn woning op 23, 26 en 21 april 2018 in gesprek was.
Het hof ziet zich voorts gesteld voor de vraag of uit die gesprekken kan worden afgeleid dat verdachte een wapen voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen aan [medeverdachte] . Daartoe overweegt het hof als volgt.
[…]
Hoewel het gemak waarmee hier over de handel in wapens wordt gesproken, en, naar het lijkt, ook wapens worden bekeken (en opmerkingen van verdachte tegen zijn vader, op andere momenten tijdens dit OVG-gesprek over ‘oppassen met vingerdrukken’, te denken geven), blijkt uit de inhoud van dit gesprek niet zonder meer dat verdachte ook daadwerkelijk een wapen voorhanden heeft gehad.
Datzelfde geldt voor het gesprek dat op 27 april 2018 plaatsvindt. […]
Anders ligt het voor wat betreft het gesprek dat op 26 april 2018 tussen verdachte en [medeverdachte] wordt gevoerd. Dit gesprek houdt het volgende in:
[medeverdachte] : Van de clip af is he....van uh van dat clippie.. Hey.. als dat clippie er uit
doet, magazijnen ding, moet je eens kijken, zit er zo in...dat veertje, moet je kijken als ie niet roestig zijn, als die iets roestig zijn moet je afblijven.
(tussendoor een geluidje te horen, trekker die overgehaald wordt?)
Vanaf 02:40 uur komt [naam] de woning binnen.
[naam] : Een grappig ding hoor.
(geluid te horen van overgaan van trekker? geritsel van een zak/tas te horen)
[medeverdachte] : Neem je die zelf?
[naam] : Ja.
[medeverdachte] : Zitten er patronen bij?
[naam] : Nee
[medeverdachte] : Als ‘ie het maar doet.
[naam] : Hij doet 100 procent.
[medeverdachte] : Is wel een hele ouwerwetse. dit.
[naam] : Mooi he? (paar keer het geluid te horen van overgaan trekker) ‘Old school’
of niet?
[naam] : Uh andere kant. Kijk, 9.. en mooie stempels erin, andere kant ook.. .laat
andere kant eens zien.
[medeverdachte] : Hey wat is hier. [naam] ?
[medeverdachte] : Nee wat zit hierin? Kiek eens. Oh. dat is niks. (onverstaanbaar) zijkant,
(geschuif te horen)
[medeverdachte] : Kijk eerst even in de loop.
[medeverdachte] : Old schooltje.
[naam] : Old school, of niet? Kan je mee onder water mee en alles.
[medeverdachte] : Jawel.
[medeverdachte] fluistert en zegt: Laat eens even kijken. (metaal geluiden te horen)
[naam] zegt dat die niet zo heel mooi is.
[medeverdachte] : Kijk, daar was ik al bang voor.
[naam] : Ja, je drukt, je moet naar beneden drukken.
[medeverdachte] : Ja, maar als (onverstaanbaar) dan krijg je de pareltjes niet goed omhoog.
[naam] : jawel, (er zijn klik geluiden te horen) ja, hij gaat...Daar heb ik naar gekeken,
zie, is een ‘old school’.
[medeverdachte] : Is een hele ‘old school’, want als je de pareltjes er zo in gooit, heb je een
probleem met deze.
[medeverdachte] : Ik haal even pareltjes op, kan ik die old school proberen een keer toch? Als
ik pareltjes op haal?
[naam] bevestigt dit.
[medeverdachte] : Maar wat moet je ervoor hebben dan? Die pareltjes haal ik op. Die kost wel
duuzend, pareltjes.
NNman: Doe maar halve meier eraf.
[medeverdachte] : Een meiertje eraf? Geef [naam] geld hoor, ik betaal.
[medeverdachte] : Een meier eraf dus.
NNman: Moet je hem mee hebben.
[medeverdachte] : Nee, nee, nee, ik wil hem niet meer hebben!
[medeverdachte] fluistert tegen [naam] . [naam] mompelt iets en zegt: dan heb ik hem in de kar.
Er wordt aangebeld.
[medeverdachte] : Hier, wacht, wacht, in de zak.
Verdachte is bij de politie met dit gesprek geconfronteerd. Hij kon zich het gevoerde gesprek nog herinneren, maar had geen idee meer waar het over ging. De termen ‘Old school’, ‘9 millimeter’, en ‘pareltjes zeiden hem niks en de op de OVC-gesprekken te horen geluiden - zoals het overhalen van een trekker - evenmin.
Ter terechtzitting van de rechtbank van 17 juni 2020 heeft verdachte verklaard dat hij zich inmiddels weer kon herinneren dat hij toen met zijn vader over een schiethamer heeft gesproken. Hij wilde het advies van zijn vader bij de aankoop van dat gereedschap. Verdachte heeft verklaard dat hij die dag geen schiethamer bij zich had, maar kennelijk een filmpje daarvan aan zijn vader heeft laten zien. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte aangegeven bij die verklaring te blijven. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Naar het oordeel van het hof vindt het door verdachte geschetste scenario geen steun in het dossier en is het ook anderszins niet aannemelijk geworden. Uit niets blijkt dat verdachte advies aan zijn vader vraagt terwijl hij hem een filmpje toont. Integendeel: uit de inhoud van het gesprek is af te leiden dat zij op dat moment een voorwerp in handen hebben en bekijken. Immers: [naam] Iaat zijn vader de andere kant zien omdat daar mooie stempels op staan. Zijn vader vraagt: “Hey, wat is hier, [naam] ? Wat zit hierin? Kiek eens,” waarna geschuif te horen is en er iets naar beneden wordt gedrukt. Het hof betrekt daarbij ook de geluiden die worden gehoord en het feit dat [medeverdachte] aangeeft even “pareltjes” te gaan halen, zodat “hij ‘m kan proberen en dat hij ‘m in ieder geval niet meer wil hebben”. Dit alles past naadloos bij de situatie dat verdachte bezig is, met zijn vader, een vuurwapen te bekijken. Zodra wordt aangebeld, zegt [medeverdachte] bovendien: “Hier, wacht, wacht, in de zak”. Kennelijk zijn zij een voorwerp aan het bekijken dat niet voor ieders ogen is bestemd. Het hof schuift de alternatieve lezing van de verdachte - los van het gegeven dat hij daar in zo’n laat stadium mee is gekomen - dan ook als ongeloofwaardig terzijde. Gelet op het voorgaande - in combinatie met de gebezigde bewoordingen, zoals ‘loop’, patronen’ en ‘9 millimeter’ - komt het hof tot de conclusie dat het OVC-gesprek op 26 april 2018 over een vuurwapen ging.”
4.4
Volgens de steller van het middel is de verwerping van het alternatieve scenario onbegrijpelijk gemotiveerd, omdat het hof bij de aanduiding van het door en namens de verdachte geschetste alternatieve scenario heeft vastgesteld dat de verdachte ter terechtzitting van de rechtbank van 17 juni 2020 heeft verklaard “dat hij die dag geen schiethamer bij zich had, maar kennelijk een filmpje daarvan aan zijn vader heeft laten zien”, terwijl de verdachte verklaard zou hebben dat zij “misschien” een filmpje over een stuk gereedschap bekeken en dat hij het niet weet.
4.5
Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 17 juni 2020 houdt onder meer het volgende in:
“Verdachte verklaart – zakelijk weergegeven –:
[…]
Ik ben naar aanleiding van mijn verhoor over die gesprekken gaan nadenken. Ik heb het meer dan eens met mijn vader over een schiethamer gehad. Deze gesprekken moeten daarmee te maken hebben. Een schiethamer is een stuk gereedschap dat op een pistool lijkt. Ik was toentertijd een loods aan het demonteren. Daar had ik gereedschap voor nodig. Ik kwam dagelijks bij mijn vader over de vloer. Hoewel mijn vader niet erg handig was, vroeg ik hem wel vaker om advies.
[…]
U houdt mij de inhoud voor het OVC-gesprek voor van 26 april 2018. […] U houdt mij voor dat het gesprek tussen mijn vader en mij vanaf 14:11 uur verder gaat. U zegt dat ik het dan heb over ‘een grappig ding’ en dat [medeverdachte] aan mij vraagt of ik hem zelf hou en of er patronen bij zitten. [medeverdachte] vraagt of hij het doet omdat het een ouderwetse is, waarop ik zeg: “Mooi he? Old school’? en ‘andere kant, kijk 9...en mooie stempels erin, andere kant ook...laat andere kant eens zien. Er moet in de loop worden gekeken en moet er iets naar beneden worden gedrukt omdat de pareltjes anders niet goed omhoog komen. [medeverdachte] wil even wat pareltjes ophalen, om het te proberen. U zegt dat er volgens de politie tijdens het gesprek klikgeluiden te horen zijn.
U vraagt waar dit gesprek over gaat? Ik antwoord dat dit over een schiethamer ging. Bij een schiethamer zitten patronen, spijkers en magazijnen. Dergelijke schiethamers hebben allemaal een loop. Er gaan dikke spijkers in. Mijn raadsman zal stukken over schiethamers aan de rechtbank overhandigen. Mijn vader en ik waren geïnteresseerd in mijn werk. Ik koop regelmatig gereedschap via Marktplaats. Het kan kloppen dat wij het over een roestige loop hebben. Misschien zei mijn vader dat ik in de loop moest kijken, omdat de loop krom was. Misschien probeerde mijn vader me te waarschuwen omdat ik niet verzekerd was. Misschien bekeken we een filmpje over een stuk gereedschap. Ik weet het niet. Sommige gereedschappen moeten elk jaar worden gekeurd. Misschien ging het over stempels van een keuring. Ik weet niet waarom wij het over ‘pareltjes’.”
4.6
De steller van het middel merkt terecht op dat de vaststelling van het hof dat de verdachte ter terechtzitting van 17 juni 2020 heeft verklaard dat hij 26 april 2018 geen schiethamer bij zich had, maar kennelijk een filmpje daarvan aan zijn vader heeft laten zien, gelet op de inhoud van het proces-verbaal van die terechtzitting niet zonder meer begrijpelijk is. Dat maakt de verwerping van het alternatieve scenario naar mijn oordeel echter niet onbegrijpelijk.
4.7
Het oordeel van het hof dat het door de verdachte geschetste scenario geen steun vindt in het dossier en ook anderszins niet aannemelijk is geworden, berust namelijk niet alleen op het feit dat de verdachte zou hebben verklaard dat hij die dag geen schiethamer bij zich had maar kennelijk een filmpje daarvan aan zijn vader heeft laten zien, terwijl uit de inhoud van het gesprek is af te leiden dat de verdachte en zijn vader een voorwerp in handen hadden en bekeken en uit niets blijkt dat de verdachte aan zijn vader een filmpje heeft getoond.
4.8
Uit het bestreden arrest blijkt dat het hof bij de verwerping van het verweer ook – en mijns inziens voornamelijk – heeft betrokken dat de verdachte heeft verklaard dat hij niet over een vuurwapen, maar over een schiethamer heeft gesproken, terwijl:
- uit de inhoud van het gesprek af te leiden is dat de verdachte zijn vader “de andere kant laat zien omdat daar mooie stempels op staan”, geschuif te horen is en er iets naar beneden wordt gedrukt en [medeverdachte] aangeeft even “pareltjes” te gaan halen, zodat “hij ‘m kan proberen […]”, hetgeen volgens het hof naadloos past bij de situatie dat verdachte bezig is met zijn vader een vuurwapen te bekijken;
- het voorwerp dat zij aan het bekijken zijn kennelijk niet voor ieders ogen bestemd is, aangezien [medeverdachte] zodra wordt aangebeld zegt: “Hier, wacht, wacht, in de zak”;
- de woorden ‘loop’, ‘patronen’ en ‘9 millimeter’ zijn gebezigd.
4.9
Gelet hierop, is de verwerping van het door en namens de verdachte geschetste alternatieve scenario toereikend gemotiveerd.
5. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
6. Ambtshalve merk ik op dat namens de verdachte cassatie is ingesteld op 20 mei 2022. Dat betekent dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, en de mate waarin de redelijke termijn zal worden overschreden, zal de Hoge Raad kunnen volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. [1]
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.2 en HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,