ECLI:NL:PHR:2024:675

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juli 2024
Publicatiedatum
23 juni 2024
Zaaknummer
24/00591
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 94a SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking conservatoir beslag wegens voortijdige beoordeling hoofdzaak

In deze zaak staat het cassatieberoep centraal tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 14 november 2023, waarbij een klaagschrift ex art. 552a Sv werd behandeld. Het klaagschrift betrof de opheffing van conservatoir beslag op diverse goederen, waaronder een pand aan de [a-straat 1] te [plaats]. De rechtbank verklaarde het klaagschrift deels gegrond en deels ongegrond, waarbij het beslag op het pand werd gehandhaafd.

De rechtbank oordeelde dat het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat de strafrechter een geldboete of ontnemingsmaatregel zou opleggen, maar dat de waarde van het pand voldoende zekerheid bood. De Procureur-Generaal stelt in zijn conclusie dat de rechtbank zich hiermee te ver heeft voorgedaan door een voorlopige en summiere beoordeling van de hoofdzaak te maken, zonder concrete en zorgvuldige belangenafweging of onderbouwing.

De Hoge Raad volgt deze conclusie en vernietigt de bestreden beschikking. De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank Amsterdam voor hernieuwde behandeling van het klaagschrift, waarbij de rechtbank niet te ver vooruit mag lopen op de uitkomst van de hoofdzaak. De zaak hangt samen met twee andere procedures (24/03148 en 24/00595) waarin soortgelijke kwesties spelen.

De procedure betreft een strafrechtelijk onderzoek naar witwassen en valsheid in geschrift, waarbij conservatoir beslag is gelegd op diverse goederen sinds oktober 2021. De beoordeling van de proportionaliteit en subsidiariteit van het beslag is cruciaal, maar moet plaatsvinden zonder prematuur oordeel over de hoofdzaak. De Hoge Raad benadrukt het voorlopige karakter van het onderzoek in de raadkamer en het belang van een zorgvuldige motivering.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling wegens voortijdige beoordeling van de hoofdzaak.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00591 B
Zitting2 juli 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de klager

1.Het cassatieberoep

1.1
De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 14 november 2023 het ex art. 552a Sv ingediende klaagschrift strekkende tot opheffing van het conservatoir beslag ongegrond verklaard ten aanzien van het pand [a-straat 1] te [plaats] en voor het overige gegrond verklaard, en teruggave gelast van de onder klager inbeslaggenomen saldo’s op bankrekeningen, contante geldbedragen, roerende en onroerende goederen, met uitzondering van het pand [a-straat 1].
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/03148 en 24/00595, waarin ik vandaag ook zal concluderen.
1.3
Tegen de beschikking is door K. van der Willigen, officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam, cassatieberoep ingesteld.
1.4
Namens het openbaar ministerie heeft H.H.J. Knol, advocaat-generaal bij het ressortsparket Den Haag, een schriftuur houdende één middel van cassatie voorgesteld. Het middel richt zich tegen de gegrondverklaring van het beklag. De steller van het middel klaagt kort gezegd dat de rechtbank in haar beoordeling van het klaagschrift te ver vooruitgelopen is op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak, dan wel dat de beslissing op het klaagschrift onvoldoende blijk geeft van een concrete en zorgvuldige belangenafweging en/of onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.

2.De procesgang

2.1
Op grond van de gedingstukken kan in deze zaak van het volgende worden uitgegaan.
2.2
In het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar de klager inzake witwassen hebben in oktober 2021 doorzoekingen plaatsgevonden in woningen en ondernemingen die op naam zijn gesteld van de klager. Bij deze doorzoekingen is onder klager op grond van art. 94 Sv Pro beslag gelegd op een groot aantal roerende en onroerende goederen, saldo’s op bankrekeningen en contante geldbedragen. Op 6 december 2021 is namens de klager een klaagschrift ex art. 552a Sv bij de rechtbank ingediend strekkende tot opheffing van het beslag gelegd op de voornoemde goederen. Dit klaagschrift is door de rechtbank bij beschikking van 4 juli 2023 gegrond verklaard en door de rechtbank is teruggave gelast van de inbeslaggenomen goederen.
2.3
Op 19 oktober 2022 is door de rechter-commissaris een machtiging tot het leggen van conservatoir beslag afgegeven voor een bedrag van €1.303.000,-. Het openbaar ministerie heeft vervolgens conservatoir beslag gelegd op een deel van de goederen waarop sinds oktober 2021 reeds beslag was gelegd op grond van art. 94 Sv Pro. Volgens een aan de beschikking van de rechtbank van 14 november 2023 gehechte beslaglijst d.d. 11 juli 2023, lag er op 11 juli 2023 nog conservatoir beslag op de saldo’s van twee bankrekeningen, contante geldbedragen ter waarde van €11.345,-, op een vordering op een leasemaatschappij ter waarde van €16.267,75, op vijf panden, zes voertuigen en diverse luxegoederen, waaronder zeven dure horloges.
2.4
Op 14 juli 2023 is namens de klager een klaagschrift ex art. 552a Sv bij de rechtbank ingediend strekkende tot opheffing van het beslag op de onder randnummer 2.3 vermelde goederen. In het klaagschrift is hiertoe onder meer aangevoerd dat de inbeslagneming op grond van art. 94a Sv (deels) onrechtmatig is, omdat de waarde van het beslag de machtiging van de rechter-commissaris te boven gaat. Namens de klager wordt verder aangevoerd dat geen sprake (meer) is van enig strafvorderlijk belang in de zin van art. 94a Sv dat het voortduren van het beslag kan rechtvaardigen.
2.5
Op de raadkamerzitting van 31 oktober 2023 heeft de raadsman van de klager de raadkamer primair verzocht om het conservatoir beslag ten aanzien van alle goederen op te heffen en subsidiair aangedragen om het conservatoir beslag op te heffen met uitzondering van het beslag op het pand [a-straat 1] te [plaats] en – desnoods – op het pand aan de [b-straat 1] te [plaats].
2.6
Het beklag ten aanzien van het conservatoir beslag op het pand [a-straat 1] te [plaats] is door de rechtbank bij beschikking van 14 november 2023 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het klaagschrift voor het overige gegrond verklaard en teruggave gelast van de onder randnummer 2.3 vermelde goederen, met uitzondering van het pand [a-straat 1].
2.7
In de samenhangende zaken waarin ik vandaag ook concludeer, zijn door de klager en zijn partner eveneens klaagschriften ingediend ten aanzien van (sommige van) de onder randnummer 2.3 vermelde goederen. In de zaak met zaaknummer 24/03148 komt de klager op tegen het op grond van art. 94 Sv Pro onder hem gelegde beslag. De partner van de klager klaagt in de zaak met nummer 24/00595 over zowel het onder haar gelegde klassieke beslag als over het onder haar gelegde conservatoir beslag. De rechtbank heeft het klaagschrift van de klager ten aanzien van het op grond van art. 94 Sv Pro onder hem gelegde beslag in haar beschikking van 4 juli 2023 gegrond verklaard en teruggave gelast van de inbeslaggenomen goederen. In haar beschikking van 14 november 2023 heeft de rechtbank het klaagschrift van de partner van de klager ten aanzien van bijna alle goederen gegrond verklaard en teruggave van de goederen aan haar gelast. [1] Het openbaar ministerie heeft ook tegen deze beslissingen cassatieberoep ingesteld.

3.De beschikking

3.1
Op de raadkamerzitting van 31 oktober 2023 hebben de officier van justitie en de raadsman van de klager het woord gevoerd aan de hand van hun schriftelijk standpunt en pleitnotities. De rechtbank heeft hetgeen door het openbaar ministerie en de verdediging is aangevoerd in haar beschikking van 14 november 2023 als volgt samengevat:
“De raadsman van klager heeft, naar aanleiding van het schriftelijke standpunt van het Openbaar Ministerie en ter toelichting op het klaagschrift, aan de hand van een pleitnota kort samengevat nog het volgende aangevoerd.
De essentie van deze zaak is dat er op dit moment geen enkel bewijs is dat klager zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit en dat het op basis van het dossier dat nu voorligt hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter een geldboete of ontneming zal op leggen. Daar komt bij dat het gelegde beslag de machtiging conservatoir beslag ver te boven gaat en daarmee onrechtmatig en disproportioneel is. Ten aanzien van het subsidiaire verzoek heeft de raadsman aangevoerd dat, gelet op de getaxeerde waarde van de panden gelegen aan de [a-straat 1] en desnoods de [b-straat 1] te [plaats], met handhaving van het conservatoire beslag op deze panden de beweerdelijke strafvorderlijke belangen voor dit moment meer dan veilig worden gesteld.
Standpunt van het Openbaar MinisterieDe officier van justitie heeft – onder verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verklaard zich te verzetten tegen opheffing van het beslag en teruggave van de in beslag genomen voorwerpen aan klager.
In raadkamer heeft de officier van justitie, kort samengevat, het volgende naar voren gebracht. Het strafrechtelijk onderzoek richt zich thans alleen nog op de verdenking van witwassen (geldstromen uit Indonesië) en valsheid in geschrift (m.b.t. hypotheekverlening [a-straat]). Het wachten is nog steeds op de resultaten van het rechtshulpverzoek aan Indonesië. Er zijn verklaringen in soft copy maar Indonesië moet nog instemmen met toevoeging aan het dossier van de desbetreffende verklaringen. Er is geen rechtshulpverdrag met Indonesië. Ook staat er een rechtshulpverzoek aan Singapore uit met betrekking tot de bankgegevens van de zussen van klager. Het is niet bekend wanneer hier een reactie op komt.
Klager stelt dat het beslag thans de machtiging van de rechter-commissaris ver te boven gaat en onderbouwt dit met een taxatierapport van de panden. Maar de executiewaarde ligt altijd een stuk lager en daarbij is er ook nog hypotheek gevestigd op de panden. Het is nog niet bekend tot welk ontnemingsbedrag gekomen gaat worden en er moet ook nog ruimte blijven voor een op te leggen geldboete ten aanzien van de valsheid in geschrift.
Er is nog geen zicht op een inhoudelijke behandeling. De officier van justitie vindt ook dat het onderzoek lang duurt, maar acht het nu nog te vroeg om te stoppen en wil kijken wat 2024 brengt. Daarna zal gekeken worden naar een datum voor de inhoudelijke behandeling.”
3.2
De rechtbank heeft bij beschikking van 14 november 2023 als volgt op het klaagschrift beslist:
“Bij de beoordeling van een klaagschrift van de klager gericht tegen een beslag op grond van artikel 94a, eerste of tweede lid, Sv dient de rechter eerst te onderzoeken of er ten tijde van zijn beslissing sprake is van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Als er geen sprake is van een dergelijke verdenking moet teruggave worden gelast.
Als er wel sprake is van een dergelijke verdenking moet de rechter onderzoeken of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een geldboete, dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.
Tegen klager bestaat thans nog de verdenking van witwassen en valsheid in geschrift.
Dit betreft een verdenking van misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Uit de stukken en hetgeen in raadkamer is besproken, is het volgende gebleken.
In 2020 is tegen klager een strafrechtelijk onderzoek gestart op verdenking van witwassen. In oktober 2021 hebben er doorzoekingen plaatsgevonden in woningen en ondernemingen op naam van klager. Daarbij zijn een groot aantal voorwerpen op grond van artikel 94 Sv Pro in beslag genomen. Na verkregen machtiging van de rechter-commissaris op 19 oktober 2022 tot een bedrag van € 1.303.000,- is eveneens conservatoir beslag gelegd. Bij beslissing van deze rechtbank van 4 juli 2023 is het nog bestaande beslag op grond van art. 94 Sv Pro opgeheven.
Al enige jaren ligt een groot aantal voorwerpen van klager onder beslag, thans alleen nog onder conservatoir beslag. De officier van justitie heeft ter zitting een lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen met een conservatoire beslagtitel van 11 juli 2023 overgelegd.
De verdenking van witwassen richt zich nu op een tweetal geldleningen uit Indonesië waarmee de aankoop van de [a-straat 1] te [plaats] is gefinancierd. Het gaat hierbij om een bedrag van € 950.000,-. Ook is er een verdenking van valsheid in geschrift. Klager zou een deel van de hypotheek van de [a-straat] hebben gebruikt voor de aanschaf van een ander pand.
De rechtbank is van oordeel dat het op dit moment niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, in het onderhavige geval een geldboete dan wel verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De rechtbank oordeelt echter wel dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de hoogte van deze bedragen de waarde van de [a-straat 1] te [plaats] zal overstijgen. Aangezien dit pand dus in zoverre kan strekken tot zekerheid van de nakoming van die eventueel op te leggen verplichtingen, verklaart de rechtbank het klaagschrift voor het overige conservatoire beslag gegrond als zijnde disproportioneel.
BeslissingDe rechtbank verklaart het beklag ongegrond ten aanzien van het conservatoir beslag op het pand [a-straat 1] te [plaats] en verstaat dat dit beslag door deze beslissing niet wordt opgeheven.
De rechtbank verklaart het beklag voor het overige gegrond, heft de beslagen op en gelast de teruggave aan klager van de voorwerpen in de aangehechte beslaglijst conservatoir beslag d.d. 11 juli 2023, met uitzondering van het beslag op het pand [a-straat 1] te [plaats].”

4.Het middel

4.1
Het middel klaagt dat de rechtbank met haar oordeel dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de hoogte van een eventueel door de strafrechter op te leggen geldboete of ontnemingsmaatregel de waarde van het pand [a-straat 1] te [plaats] zal overstijgen, te ver vooruit gelopen is op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak. Het middel klaagt daarnaast dat de beslissing onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is, nu de rechtbank niets heeft vastgesteld over de waarde van het pand [a-straat 1] te [plaats], dan wel dat de beslissing onvoldoende blijk geeft van een concrete en zorgvuldige belangenafweging.
4.2
Bij beschikking van 14 november 2023 heeft de rechtbank het beklag ten aanzien van het conservatoir beslag op het pand [a-straat 1] te [plaats] ongegrond verklaard en het klaagschrift voor het overige gegrond verklaard als zijnde disproportioneel, en teruggave van de goederen gelast aan de klager, met uitzondering van het pand [a-straat 1]. Aan deze beslissing heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat het weliswaar niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter in de hoofdzaak een geldboete dan wel een ontnemingsmaatregel zal opleggen, maar dat het wel onwaarschijnlijk is dat de hoogte van deze geldboete dan wel ontnemingsmaatregel de waarde van de [a-straat 1] zal overstijgen.
4.3
Hiermee laat de rechtbank zich in feite uit over de te verwachten hoogte van een in de hoofdzaak op te leggen geldboete of geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank kan in sommige gevallen weliswaar gehouden zijn zich in het kader van een onderzoek naar de proportionaliteit en de subsidiariteit van het beslag uit te laten over de vraag of er een redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen goederen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichtingen, [2] maar van een dergelijk onderzoek geven de overwegingen van de rechtbank geen blijk. Door zonder nadere motivering te overwegen dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de hoogte van de eventueel op te leggen betalingsverplichtingen de waarde van het pand [a-straat 1] te [plaats] zullen overstijgen, miskent de rechtbank het summiere en voorlopige karakter van het onderzoek in de raadkamer. [3] Daarom is de rechtbank in haar beoordeling van het klaagschrift te ver vooruitgelopen op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak.

5.Slotsom

5.1
Het middel slaagt.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing naar de rechtbank Amsterdam teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De rechtbank verklaart in de zaak van de partner van de klager enkel het beklag ten aanzien van het conservatoir beslag op het pand [a-straat 1] te [plaats] ongegrond. Zie hierover de conclusie in de zaak 24/00595.
2.Zie onder meer: HR 31 januari 2023, ECLI:NL:2023:81, NJ 2023/150 m. nt. P. Mevis, rov. 2.4.1-2.4.5.
3.Zie onder meer: HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m. nt. P. Mevis, HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3310, HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:579, HR 31 januari 2023, ECLI:NL:2023:81, NJ 2023/150 m. nt. P. Mevis en HR 31 januari 2023, ECLI:NL:2023:128, NJ 2023/149 m. nt. P. Mevis.