In deze zaak staat het cassatieberoep centraal tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 14 november 2023, waarbij een klaagschrift ex art. 552a Sv werd behandeld. Het klaagschrift betrof de opheffing van conservatoir beslag op diverse goederen, waaronder een pand aan de [a-straat 1] te [plaats]. De rechtbank verklaarde het klaagschrift deels gegrond en deels ongegrond, waarbij het beslag op het pand werd gehandhaafd.
De rechtbank oordeelde dat het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat de strafrechter een geldboete of ontnemingsmaatregel zou opleggen, maar dat de waarde van het pand voldoende zekerheid bood. De Procureur-Generaal stelt in zijn conclusie dat de rechtbank zich hiermee te ver heeft voorgedaan door een voorlopige en summiere beoordeling van de hoofdzaak te maken, zonder concrete en zorgvuldige belangenafweging of onderbouwing.
De Hoge Raad volgt deze conclusie en vernietigt de bestreden beschikking. De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank Amsterdam voor hernieuwde behandeling van het klaagschrift, waarbij de rechtbank niet te ver vooruit mag lopen op de uitkomst van de hoofdzaak. De zaak hangt samen met twee andere procedures (24/03148 en 24/00595) waarin soortgelijke kwesties spelen.
De procedure betreft een strafrechtelijk onderzoek naar witwassen en valsheid in geschrift, waarbij conservatoir beslag is gelegd op diverse goederen sinds oktober 2021. De beoordeling van de proportionaliteit en subsidiariteit van het beslag is cruciaal, maar moet plaatsvinden zonder prematuur oordeel over de hoofdzaak. De Hoge Raad benadrukt het voorlopige karakter van het onderzoek in de raadkamer en het belang van een zorgvuldige motivering.