ECLI:NL:HR:2014:3310

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 november 2014
Publicatiedatum
18 november 2014
Zaaknummer
14/01644
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 453 SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling belang strafvordering bij teruggave in beslag genomen geldbedrag

In deze zaak heeft de Officier van Justitie cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van de Rechtbank Noord-Holland, waarin een klaagschrift gegrond werd verklaard en teruggave van een in beslag genomen geldbedrag werd bevolen. De rechtbank oordeelde dat het belang van strafvordering zich niet verzette tegen teruggave, omdat het OM onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van witwassen en het hoogst onwaarschijnlijk was dat het geld verbeurd zou worden verklaard.

De Hoge Raad stelde vast dat de rechtbank bij haar oordeel niet had meegewogen dat het onderzoek in raadkamer een summier en voorlopig karakter draagt en dat zij niet ten gronde mag treden in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdprocedure. Dit is in strijd met eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad.

Hoewel het middel terecht was voorgesteld, leidde dit niet tot vernietiging van de beschikking omdat het cassatieberoep was ingetrokken en de Advocaat-Generaal bij het Hof geen belang meer had bij verdere behandeling. De Hoge Raad wees het beroep af en bevestigde daarmee de beschikking van de rechtbank.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt de beschikking tot teruggave van het in beslag genomen geldbedrag.

Uitspraak

18 november 2014
Strafkamer
nr. 14/01644 B
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 13 februari 2014, nummer RK 13/105, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
Het beroep is ingetrokken nadat de Advocaat-Generaal ter terechtzitting van de Hoge Raad zijn conclusie had genomen en derhalve na de aanvang van de behandeling van het beroep als bedoeld in art. 453 Sv Pro. De Hoge Raad doet de zaak op het bestaande beroep af (vgl. HR 30 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AH9919, NJ 2004/26).

2.Beoordeling van het middel

2.1.
Het middel klaagt over de motivering van de gegrondverklaring van het klaagschrift, waartoe is aangevoerd dat de Rechtbank bij de beoordeling van de vraag of het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van het in beslag genomen geldbedrag, is vooruitgelopen op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak.
2.2.
De bestreden beschikking houdt met betrekking tot de gegrondverklaring van het klaagschrift in hetgeen is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.2. Bij de beoordeling van het middel gaat het in het bijzonder om de volgende overwegingen van de Rechtbank:
"De rechtbank is op grond van de stukken en het verhandelde in raadkamer van oordeel dat het belang van strafvordering zich niet tegen de teruggave van het beslag verzet, nu enerzijds het belang niet kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen en/of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Anderzijds heeft het Openbaar Ministerie de verdenking, dat er met betrekking tot genoemd geldbedrag sprake is van witwassen onvoldoende aannemelijk gemaakt, zodat zich voordoet het geval dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het in beslag genomen geldbedrag verbeurd zal verklaren.
Immers, klager heeft een verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de legale herkomst van het in beslag genomen geld gegeven, terwijl het opsporingsonderzoek vooralsnog geen enkele aanknopingspunt heeft opgeleverd dat steun biedt aan de opvatting dat het in beslag genomen geld van enig misdrijf afkomstig zou kunnen zijn.
Het beklag zal dan ook gegrond worden verklaard."
2.3.
In die overwegingen heeft de Rechtbank met juistheid als haar oordeel tot uitdrukking gebracht dat het door art. 94 Sv Pro beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag verzet indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het geldbedrag zal bevelen. De Rechtbank heeft bij haar oordeel evenwel niet in aanmerking genomen dat het onderzoek in raadkamer een summier en voorlopig karakter draagt en dat zij niet ten gronde mag treden in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak. (Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).
2.4.
Het middel is terecht voorgesteld. Dat behoeft in dit geval niet te leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking, nu de Advocaat-Generaal bij het Hof, gezien de intrekking van het cassatieberoep, daarbij kennelijk geen belang meer heeft.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 november 2014.