Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
18 november 2014.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Officier van Justitie cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van de Rechtbank Noord-Holland, waarin een klaagschrift gegrond werd verklaard en teruggave van een in beslag genomen geldbedrag werd bevolen. De rechtbank oordeelde dat het belang van strafvordering zich niet verzette tegen teruggave, omdat het OM onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van witwassen en het hoogst onwaarschijnlijk was dat het geld verbeurd zou worden verklaard.
De Hoge Raad stelde vast dat de rechtbank bij haar oordeel niet had meegewogen dat het onderzoek in raadkamer een summier en voorlopig karakter draagt en dat zij niet ten gronde mag treden in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdprocedure. Dit is in strijd met eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad.
Hoewel het middel terecht was voorgesteld, leidde dit niet tot vernietiging van de beschikking omdat het cassatieberoep was ingetrokken en de Advocaat-Generaal bij het Hof geen belang meer had bij verdere behandeling. De Hoge Raad wees het beroep af en bevestigde daarmee de beschikking van de rechtbank.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt de beschikking tot teruggave van het in beslag genomen geldbedrag.