ECLI:NL:PHR:2024:676

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juli 2024
Publicatiedatum
23 juni 2024
Zaaknummer
24/00595
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 94a SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens voortijdige beoordeling beslag in witwaszaak

In deze zaak betreft het cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam die klaagschriften van een verdachte inzake beslaglegging op roerende en onroerende goederen gegrond en ongegrond verklaarde. Het klassieke en conservatoire beslag werd deels opgeheven en deels gehandhaafd, met name het conservatoire beslag op een pand bleef gehandhaafd.

De Procureur-Generaal stelt dat de rechtbank in haar beslissing te ver vooruitgelopen is op de mogelijke uitkomst van de nog te voeren hoofdzaak. De rechtbank heeft zonder voldoende motivering geoordeeld dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter de inbeslaggenomen voorwerpen zal verbeurd verklaren of dat de hoogte van een eventuele geldboete of ontnemingsmaatregel de waarde van het pand zal overstijgen.

De conclusie is dat de rechtbank onvoldoende blijk heeft gegeven van een concrete en zorgvuldige belangenafweging en het voorlopige karakter van het onderzoek niet heeft gerespecteerd. Daarom adviseert de Procureur-Generaal vernietiging van de beschikking en terugwijzing naar de rechtbank Amsterdam voor herbeoordeling van het bestaande beklag.

De zaak betreft een strafrechtelijk onderzoek naar witwassen en valsheid in geschrift, waarbij beslag is gelegd op luxe goederen en onroerend goed. De procedure omvatte klaagschriften, raadkamerzittingen en schriftelijke standpunten van partijen.

De Procureur-Generaal concludeert dat het cassatieberoep gegrond is en dat de rechtbank haar oordeel moet herzien met inachtneming van het juiste toetsingskader en een zorgvuldige motivering.

Uitkomst: Bestreden beschikking wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank Amsterdam voor herbehandeling van het beklag.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00595 B
Zitting2 juli 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klaagster],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de klaagster

1.Het cassatieberoep

1.1
De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 14 november 2023 het ex art. 552a Sv ingediende klaagschrift voor zover dat strekt tot opheffing van het klassieke beslag gegrond verklaard en teruggave gelast van de op grond van art. 94 Sv Pro inbeslaggenomen roerende en onroerende goederen aan de klaagster. De rechtbank heeft het beklag over het conservatoir beslag ongegrond verklaard ten aanzien van het beslag op het pand [a-straat 1] te [plaats] en het beklag voor het overige gegrond verklaard, en teruggave gelast aan de klaagster van het op grond van art. 94a Sv inbeslaggenomen saldo op de bankrekening en de roerende en onroerende goederen, met uitzondering van het pand [a-straat 1] te [plaats].
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/03148 en 24/00591, waarin ik vandaag ook zal concluderen.
1.3
Tegen de beschikking is door K. van der Willigen, officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam, cassatieberoep ingesteld.
1.4
Namens het openbaar ministerie heeft H.H.J. Knol, advocaat-generaal bij het ressortsparket Den Haag, een schriftuur houdende twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel richt zich tegen de gegrondverklaring van het beklag over het klassieke beslag en klaagt kort gezegd dat de rechtbank in haar beoordeling van dit beklag te ver vooruitgelopen is op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak, dan wel dat de beslissing op het beklag onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd. Het tweede middel richt zich tegen de gegrondverklaring van het beklag over het conservatoir beslag en klaagt eveneens dat de rechtbank in haar beoordeling van het beklag te ver vooruitgelopen is op de mogelijke uitkomst in een nog te voeren procedure in de hoofdzaak, dan wel dat de beslissing op het beklag onvoldoende blijk geeft van een concrete en zorgvuldige belangenafweging en/of onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.

2.De procesgang

2.1
Op grond van de gedingstukken kan in deze zaak van het volgende worden uitgegaan.
2.2
In het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar de klaagster en haar partner inzake witwassen hebben in oktober 2021 doorzoekingen plaatsgevonden in woningen en ondernemingen die op naam zijn gesteld van de klaagster en haar partner. Bij deze doorzoekingen is onder klaagster op grond van art. 94 Sv Pro beslag gelegd op verschillende roerende en onroerende goederen. Volgens een aan de beschikking van de rechtbank van 14 november 2023 gehechte beslaglijst d.d. 26 oktober 2023, lag er op laatstgenoemde datum nog klassiek beslag op twee panden en diverse luxegoederen, waaronder dertien dure tassen.
2.3
Op 19 oktober 2022 is door de rechter-commissaris een machtiging tot het leggen van conservatoir beslag afgegeven voor een bedrag van € 1.303.000,-. Het openbaar ministerie heeft vervolgens conservatoir beslag gelegd op roerende en onroerende goederen en een saldo op een bankrekening. Volgens een aan de beschikking gehechte beslaglijst d.d. 11 juli 2023, lag er op dat moment nog conservatoir beslag op vier panden, diverse luxegoederen, waaronder dertien dure tassen en een saldo op een bankrekening.
2.4
Op 20 oktober 2023 is namens de klaagster een klaagschrift ex art. 552a Sv bij de rechtbank ingediend strekkende tot opheffing van het klassieke en het conservatoir beslag op de onder randnummer 2.2 en 2.3 vermelde goederen. In het klaagschrift is hiertoe onder meer aangevoerd dat geen sprake (meer) is van enig strafvorderlijk belang in de zin van art. 94 en Pro 94a Sv dat het voortduren van het beslag kan rechtvaardigen, en dat het beslag niet (langer) proportioneel is. Namens de klaagster wordt verder aangevoerd dat de inbeslagneming op grond van art. 94a Sv (deels) onrechtmatig is, omdat de waarde van het beslag de machtiging van de rechter-commissaris te boven gaat.
2.5
Op de raadkamerzitting van 31 oktober 2023 heeft de raadsman van de klaagster de raadkamer primair verzocht om het klassieke en conservatoir beslag ten aanzien van alle goederen op te heffen en subsidiair aangedragen om het klassieke beslag volledig op te heffen en het conservatoir beslag op te heffen met uitzondering van het conservatoir beslag op het pand [a-straat 1] te [plaats] en – desnoods – de [b-straat 1] te [plaats].
2.6
De rechtbank heeft bij beschikking van 14 november 2023 het beklag ten aanzien van het klassieke beslag gegrond verklaard en teruggave gelast van de onder 2.2 vermelde goederen. Het beklag ten aanzien van het conservatoir beslag op het pand [a-straat 1] te [plaats] is door de rechtbank ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beklag over het conservatoir beslag voor het overige gegrond verklaard en teruggave gelast van de onder randnummer 2.3 vermelde goederen, met uitzondering van het pand [a-straat 1].
2.7
In de samenhangende zaken waarin ik vandaag ook concludeer, zijn door de partner van klaagster eveneens klaagschriften ingediend ten aanzien van (sommige van) de onder randnummer 2.2 en 2.3 vermelde goederen. In de zaak met zaaknummer 24/03148 komt de partner van de klaagster op tegen het op grond van art. 94 Sv Pro onder hem gelegde beslag. De partner van de klaagster klaagt in de zaak met nummer 24/00591 over het onder hem gelegde conservatoir beslag. De rechtbank heeft het klaagschrift van de partner van de klaagster ten aanzien van het op grond van art. 94 Sv Pro onder hem gelegde beslag in haar beschikking van 4 juli 2023 gegrond verklaard en teruggave gelast van de inbeslaggenomen goederen. In haar beschikking van 14 november 2023 heeft de rechtbank het beklag van de partner van de klaagster ten aanzien van bijna alle goederen gegrond verklaard en teruggave van de goederen aan hem gelast. [1] Het openbaar ministerie heeft ook tegen deze beslissingen cassatieberoep ingesteld.

3.De beschikking

3.1
Op de raadkamerzitting van 31 oktober 2023 hebben de officier van justitie en de raadsman van de klaagster het woord gevoerd aan de hand van hun schriftelijk standpunt en pleitnotities. De rechtbank heeft hetgeen door het openbaar ministerie en de verdediging is aangevoerd in haar beschikking van 14 november 2023 als volgt samengevat:
“De raadsman van klaagster heeft, naar aanleiding van het schriftelijke standpunt van het Openbaar Ministerie en ter toelichting op het klaagschrift, aan de hand van een pleitnota kort samengevat nog het volgende aangevoerd.
De essentie van deze zaak is dat er op dit moment geen enkel bewijs is dat klaagster zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit en dat het op basis van het dossier dat nu voorligt hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter een geldboete of ontneming zal op leggen. Daar komt bij dat het gelegde beslag de machtiging conservatoir beslag ver te boven gaat en daarmee onrechtmatig en disproportioneel is. Ten aanzien van het subsidiaire verzoek heeft de raadsman aangevoerd dat, gelet op de getaxeerde waarde van de panden gelegen aan de [a-straat 1] en desnoods de [b-straat 1] te [plaats], met handhaving van het conservatoire beslag op deze panden de beweerdelijke strafvorderlijke belangen voor dit moment meer dan veilig worden gesteld.
Standpunt van het Openbaar MinisterieDe officier van justitie heeft – onder verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verklaard zich te verzetten tegen opheffing van het beslag en teruggave van de in beslag genomen voorwerpen aan klaagster.
In raadkamer heeft de officier van justitie, kort samengevat, het volgende naar voren gebracht. Het strafrechtelijk onderzoek richt zich thans alleen nog op de verdenking van witwassen (geldstromen uit Indonesië) en valsheid in geschrift (m.b.t. hypotheekverlening [a-straat]). Het wachten is nog steeds op de resultaten van het rechtshulpverzoek aan Indonesië. Er zijn verklaringen in soft copy, maar Indonesië moet nog instemmen met toevoeging aan het dossier van de desbetreffende verklaringen. Er is geen rechtshulpverdrag met Indonesië. Ook staat er een rechtshulpverzoek aan Singapore uit met betrekking tot de bankgegevens van de zussen van de partner van klaagster. Het is niet bekend wanneer hier een reactie op komt.
Klaagster stelt dat het beslag thans de machtiging van de rechter-commissaris ver te boven gaat en onderbouwt dit met een taxatierapport van de panden. Maar de executiewaarde ligt altijd een stuk lager en daarbij is er ook nog hypotheek gevestigd op de panden. Het is nog niet bekend tot welk ontnemingbedrag gekomen gaat worden en er moet ook nog ruimte blijven voor een op te leggen geldboete ten aanzien van de valsheid in geschrift.
Er is nog geen zicht op een inhoudelijke behandeling. De officier van justitie vindt ook dat het onderzoek lang duurt, maar acht het nu nog te vroeg om te stoppen en wil kijken wat 2024 brengt. Daarna zal gekeken worden naar een datum voor de inhoudelijke behandeling.”
3.2
De rechtbank heeft bij beschikking van 14 november 2023 als volgt op het klaagschrift beslist:
“Beslag op grond van artikel 94 Sv ProIn geval van een beklag tegen een op grond van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag dient de rechtbank eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast.
Als er geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave plaats aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave als het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer dat voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen, – ook in een zaak betreffende een ander dan de klager –, wanneer dat voorwerp kan dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen of indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer van dat voorwerp zal bevelen.
Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, op grond van deze verdenking de inbeslaggenomen voorwerpen zal verbeurd verklaren.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat bij het ontbreken van strafvorderlijk belang het beslag op grond van artikel 94 Sv Pro dient te worden opgeheven. Het beklag zal in zoverre gegrond worden verklaard.
Beslag op grond van artikel 94a SvBij de beoordeling van een klaagschrift van de klager gericht tegen een beslag op grond van artikel 94a, eerste of tweede lid, Sv dient de rechter eerst te onderzoeken of er ten tijde van zijn beslissing sprake is van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Als er geen sprake is van een dergelijke verdenking moet teruggave worden gelast.
Als er wel sprake is van een dergelijke verdenking moet de rechter onderzoeken of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een geldboete, dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.
Klaagster wordt – kort gezegd – verdacht van witwassen en valsheid in geschrift.
Dit betreft een verdenking van een misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat het op dit moment niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, in het onderhavige geval een geldboete dan wel verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De rechtbank oordeelt echter wel dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de hoogte van deze bedragen de waarde van de [a-straat 1] te [plaats] zal overstijgen. Aangezien dit pand dus in zoverre kan strekken tot zekerheid van de nakoming van die eventueel op te leggen verplichtingen, verklaart de rechtbank het klaagschrift voor het overige conservatoire beslag gegrond als zijnde disproportioneel.
BeslissingDe rechtbank verklaart het beklag gegrond ten aanzien van het beslag op grond van artikel 94 Sv Pro, heft de beslagen op en gelast de teruggave van de voorwerpen aan klaagster zoals opgenomen in de aangehechte beslaglijst: beslag met strafvorderlijke titel d.d. 26 oktober 2023.
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond ten aanzien van het conservatoir beslag op het pand [a-straat 1] te [plaats] en verstaat dat dit beslag door deze beslissing niet wordt opgeheven.
De rechtbank verklaart het beklag voor het overige gegrond, heft de beslagen op en gelast de teruggave aan klaagster van de voorwerpen in de aangehechte beslaglijst conservatoir beslag d.d. 11 juli 2023 met uitzondering van het beslag op het pand [a-straat 1] te [plaats].”

4.Het eerste middel

4.1
Het eerste middel klaagt dat de rechtbank met haar oordeel dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, op grond van deze verdenking de inbeslaggenomen voorwerpen zal verbeurd verklaren, te ver vooruit gelopen is op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak, dan wel dat de beslissing onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is.
4.2
Alvorens te oordelen over het beklag over het op grond van art. 94 Sv Pro gelegde beslag, zet de rechtbank in de onder randnummer 3.2 geciteerde passage uiteen op welke wijze getoetst dient te worden of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Vervolgens overweegt de rechtbank dat “
op grond van het bovenstaande(…) het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, op grond van deze verdenking de inbeslaggenomen voorwerpen zal verbeurd verklaren”. In ‘het bovenstaande’, waarnaar de rechtbank verwijst, is echter enkel het toetsingskader uiteen gezet, maar wordt het kader niet toegepast op het beklag dat voorligt. Door zonder motivering te overwegen dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter in de hoofdzaak de inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd zal verklaren, is de rechtbank te ver vooruitgelopen op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak.
4.3
Het eerste middel slaagt.

5.Het tweede middel

5.1
Het tweede middel klaagt dat de rechtbank met haar oordeel dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de hoogte van een eventueel door de strafrechter op te leggen geldboete of ontnemingsmaatregel de waarde van de [a-straat 1] te [plaats] zal overstijgen, te ver vooruit gelopen is op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak. Het middel klaagt daarnaast dat de beslissing onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is, nu de rechtbank niets heeft vastgesteld ten aanzien van de waarde van de [a-straat 1] te [plaats], dan wel dat de beslissing onvoldoende blijk geeft van een concrete en zorgvuldige belangenafweging.
5.2
Bij beschikking van 14 november 2023 heeft de rechtbank het beklag ten aanzien van het conservatoir beslag op het pand [a-straat 1] te [plaats] ongegrond verklaard en het klaagschrift voor het overige gegrond verklaard als zijnde disproportioneel, en teruggave van de goederen gelast aan de klaagster, met uitzondering van het pand [a-straat 1]. Aan deze beslissing heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat het weliswaar niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter in de hoofdzaak een geldboete dan wel een ontnemingsmaatregel zal opleggen, maar dat het wel onwaarschijnlijk is dat de hoogte van deze geldboete dan wel ontnemingsmaatregel de waarde van de [a-straat 1] zal overstijgen.
5.3
Hiermee laat de rechtbank zich in feite uit over de te verwachten hoogte van een in de hoofdzaak op te leggen geldboete of geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank kan in sommige gevallen weliswaar gehouden zijn zich in het kader van een onderzoek naar de proportionaliteit en de subsidiariteit van het beslag uit te laten over de vraag of er een redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen goederen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichtingen, [2] maar van een dergelijk onderzoek geven de overwegingen van de rechtbank geen blijk. Door zonder nadere motivering te overwegen dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de hoogte van de eventueel op te leggen betalingsverplichtingen de waarde van het pand [a-straat 1] te [plaats] zullen overstijgen, miskent de rechtbank het summiere en voorlopige karakter van het onderzoek in de raadkamer. [3] Daarom is de rechtbank in haar beoordeling van het klaagschrift te ver vooruitgelopen op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak.
5.4
Het tweede middel slaagt ook.

6.Slotsom

6.1
Beide middelen slagen.
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing naar de rechtbank Amsterdam teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De rechtbank verklaart in de zaak van de partner van de klaagster enkel het beklag ten aanzien van het conservatoir beslag op het pand [a-straat 1] te [plaats] ongegrond. Zie hierover de conclusie in de zaak 24/00591.
2.Zie onder meer: HR 31 januari 2023, ECLI:NL:2023:81, NJ 2023/150 m. nt. P. Mevis, rov. 2.4.1-2.4.5.
3.Zie onder meer: HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m. nt. P. Mevis, HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3310, HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:579, HR 31 januari 2023, ECLI:NL:2023:81, NJ 2023/150 m. nt. P. Mevis en HR 31 januari 2023, ECLI:NL:2023:128, NJ 2023/149 m. nt. P. Mevis.