Conclusie
1.Gemeente Rotterdam,
Markthal Rotterdam B.V.,
Provastgoed Nederland B.V.,
Karmedia. Verweersters worden hierna ieder afzonderlijk aangeduid als
de gemeente,
Markthalrespectievelijk
Provastgoed, en gezamenlijk als
de gemeente c.s.Verweersters onder 2 en 3 worden gezamenlijk aangeduid als
Provastgoed c.s.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
de Markthalovereenkomsten). Na allonges hebben deze overeenkomsten als gevolg gehad dat de gemeente de betrokken ondergrond heeft verkocht aan Markthal en dat Provastgoed c.s. het openbare deel van een nog te ontwikkelen parkeergarage heeft verkocht aan de gemeente. De gemeente heeft de realisatie van de parkeergarage niet aanbesteed.
Karmedia I.
het controleren van de naleving op het staatssteunverbod” zijn toegevoegd de woorden: “
en de handhaving daarvan”. [10]
Metroprop c.s.) [11] hebben op 8 juli 2019 een overeenkomst gesloten met Karmedia waarin zij aan Karmedia last hebben gegeven om de gemeente en Provastgoed c.s. en/of andere vennootschappen in rechte te betrekken omtrent de totstandkoming van de Markthal en om hen in gerechtelijke procedures te vertegenwoordigen.
de rechtbank) en daarbij vorderingen ingesteld die, samengevat, waren gericht op de vernietiging dan wel nietigverklaring van de Markthalovereenkomsten wegens strijd met het staatssteunverbod van art. 107 lid 1 VWEU Pro en op terugvordering van staatssteun.
ii) deze overeenkomsten nietig zal verklaren dan wel zal vernietigen;
iii) voor recht zal verklaren dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij de onrechtmatig verstrekte staatssteun niet heeft teruggevorderd;
iv) voor recht zal verklaren dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij de overeenkomsten heeft gesloten zonder dat zij een aanbestedingsprocedure heeft uitgeschreven;
v) de gemeente zal veroordelen om onder straffe van een dwangsom de gevolgen van de Markthalovereenkomsten, voor zover deze nietig zijn verklaard dan wel zijn vernietigd, ongedaan te maken door de onrechtmatige steun met rente terug te vorderen van Provastgoed c.s.;
vi) Provastgoed c.s. zal veroordelen om onder straffe van een dwangsom de gevolgen van de Markthalovereenkomsten, voor zover deze nietig zijn verklaard dan wel zijn vernietigd, ongedaan te maken door de onrechtmatige steun met rente terug te geven aan de gemeente; en
vii) de gemeente zal veroordelen tot vergoeding van de schade die Karmedia heeft geleden, nader op te maken bij staat.
Karmedia I.
het hof).
staatssteunrechtelijke grondslagvan de vorderingen van Karmedia. Ik citeer (onderstreping conform het origineel):
groepsvorderingenheeft ingesteld, oordeelt het hof als volgt. In zijn hiervoor onder 3.4 bedoelde beschikking heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een justitiabele kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 108 lid 2 VWEU Pro en artikel 1 onder Pro h Procedureverordening als de betrokken steunmaatregel zijn situatie concreet dreigt te beïnvloeden. Daarvan kan sprake zijn wanneer die justitiabele wordt geraakt door concurrentievervalsing als gevolg van de steunmaatregel of onderworpen is aan een heffing die daar integrerend deel van uitmaakt en die in strijd met het uitvoeringsverbod wordt geïnd.
algemeen belangvorderingenheeft ingesteld, geldt het volgende. In zijn hiervoor onder 3.4 bedoelde beschikking heeft dit hof geoordeeld dat een stichting als bedoeld in artikel 3:305a BW zich alleen kan beroepen op de opschortingsplicht van artikel 108 lid 3 VWEU Pro wanneer zij ingevolge haar statuten de belangen bundelt van personen waarvan de belangen door artikel 108 lid 3 VWEU Pro worden beschermd en die zich bij de nationale rechter kunnen beroepen op deze bepaling, en dat Karmedia daarom niet ontvankelijk was in haar vorderingen als zij zich met betrekking tot die bepaling opstelt als behartiger van het algemeen belang. De Hoge Raad heeft dat oordeel in cassatie in stand gelaten en het hof sluit zich bij dat oordeel aan als het gaat om de in deze procedure ingestelde vorderingen. Dat het in die eerdere zaak ging om een verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor maakt voor het hier aan de orde zijnde punt geen verschil.”
aanbestedingsrechtelijke grondslagvan de vorderingen van Karmedia (onderstreping conform het origineel):
groepsvorderingenheeft ingesteld, oordeelt het hof als volgt. In de stelling van Karmedia ligt besloten dat de gemeente met betrekking tot de bouw van de betrokken parkeergarage een gunningsbeslissing heeft genomen in de zin van artikel 1.1 Aanbestedingswet 2012. De als resultaat van een gunningsbeslissing tot stand gekomen overeenkomst kan wegens strijd met de aanbestedingsregels alleen worden aangetast op de vernietigingsgronden vermeld in artikel 4.15 lid 1 Aanbestedingswet 2012. [20] Op grond van artikel 4.15 lid 2 Aanbestedingswet moet de betrokken vordering tot vernietiging (binnen een bepaalde termijn) worden ingesteld door “een ondernemer die zich door een gunningsbeslissing benadeeld acht”. Deze bepaling moet worden uitgelegd conform artikel 1 lid 3 Richtlijn Pro 89/665/EEG, [21] waarvan zij de omzetting vormt. Deze richtlijnbepaling schrijft voor dat beroepsprocedures in aanbestedingszaken op zijn minst toegankelijk zijn voor een ieder die belang heeft of heeft gehad bij de gunning van een bepaalde opdracht en die door een beweerde inbreuk is of dreigt te worden geschaad. Uit deze bewoording volgt dat de lidstaten niet verplicht zijn deze beroepsprocedures open te stellen voor eenieder die voor de gunning van een overheidsopdracht in aanmerking wenst te komen, maar dat zij als voorwaarde mogen stellen dat de betrokkene door de door hem gestelde schending is of dreigt te worden geschaad. [22] Uit de wordingsgeschiedenis van artikel 4.15 lid 2 Aanbestedingswet 2012 blijkt niet dat de Nederlandse wetgever bij de omzetting van artikel 1 lid 3 Richtlijn Pro 89/665/EG heeft willen voorzien in een breder belanghebbendenbegrip dan de Uniewetgever daar heeft gedefinieerd. [23] De als resultaat van een gunningsbeslissing tot stand gekomen overeenkomst kan daarom alleen wegens strijd met de aanbestedingsregels worden aangetast door personen die belang hebben gehad bij de gunning van de betrokken opdracht en die door de beweerde inbreuk op het aanbestedingsrecht zijn of dreigen te worden geschaad.
algemeen belangvorderingenheeft ingesteld, geldt het volgende. Het hof oordeelt ook hier dat een stichting als bedoeld in artikel 3:305a BW geen beroep kan doen op strijd met een aanbestedingsplicht als grondslag voor een algemeen belangvordering, omdat anders via de weg van die bepaling de rechtsbescherming van het aanbestedingsrecht zou worden uitgebreid tot personen die niet behoren tot de kring van belanghebbenden die artikel 1 lid 3 van Pro Richtlijn 89/665/EG beoogt te beschermen.”
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel Ibetreft het oordeel van het hof dat Karmedia niet-ontvankelijk is in haar vorderingen voor zover deze zijn gebaseerd op het
staatssteunrechten zijn ingesteld als een
groepsactie. Het middel vecht
niethet oordeel aan dat Karmedia niet-ontvankelijk is in haar vorderingen voor zover deze zijn gebaseerd op het
staatssteunrechten zijn ingesteld als
algemeenbelangactie(rov. 6.9 van het arrest).
Onderdelen II en IIIbetreffen de oordelen van het hof over de op het
aanbestedingsrechtgebaseerde vorderingen, waarbij
onderdeel IIzich meer in het bijzonder richt tegen de overwegingen met betrekking tot
groepsactieen
onderdeel IIItegen de overweging over de
algemeenbelangactie.
WCA) ingevoerd, waarmee art. 3:305a in het BW is opgenomen. Op grond van deze bepaling kunnen stichtingen en verenigingen met een volledige rechtsbevoegdheid (hierna ook:
belangenorganisaties) een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van de belangen
van anderen. Met een collectieve actie komt een belangenbehartiger op voor de gelijksoortige belangen van personen die zelf om uiteenlopende redenen vaak niet een procedure beginnen om hun eigen, individuele belangen te behartigen. [25] Het bundelen van vorderingen bevordert zowel de toegang tot de rechter als de efficiëntie van de procedure [26] (vgl. rov. 6.2, geciteerd in 3.10).
gelijksoortige belangenvan andere personen
ingevolge haar statuten moet behartigen, is niet gewijzigd (zie ook rov. 6.3 van het arrest).
Tevens wordt met de boven aangehaalde zinsnede uitgedrukt dat de rechtsvordering alleen betrekking kan hebben op belangen van personen wier belangen door de organisatie behartigd worden. Alleen voor zover dit het geval is, is de organisatie in haar vordering ontvankelijk. (…)
Ten slotte brengt de formulering met zich mee dat de organisatie het belang waarom het in de procedure gaat ook feitelijk moet behartigen. De enkele vermelding van het belang in de statuten is niet voldoende.”
uit de statuten blijkende voldoende concrete doelstelling”. [30] Jongbloed merkt over dit vereiste op: [31]
groepsactiesgaat het om de behartiging van de gebundelde belangen van een bepaald of bepaalbaar aantal individuele (rechts)personen. Bij
algemeenbelangactiesgaat het om de behartiging van belangen met een ideëel doel, die niet individualiseerbaar zijn omdat zij toekomen aan een veel grotere groep van personen, die in de regel diffuus en onbepaald is. [32] Het verschil tussen deze twee typen collectieve acties zit volgens Jongbloed erin dat bij groepsacties de personen om wier belangen het gaat, zijn te individualiseren, terwijl dat niet mogelijk is bij algemeen belangacties. [33] Ook Schutgens en Sillen zien een duidelijk verschil tussen groepsbelangen en algemene belangen en daarvan afgeleid tussen groepsacties en algemeenbelangacties. [34] Zij betogen dat algemeenbelangacties ook kunnen worden ingesteld voor niet-rechtssubjecten. Barbiers en Klaassen relativeren dat verschil. Zij benadrukken dat het ook bij een ideële collectieve actie niet kan gaan om een zuiver abstract algemeen belang dat niet gekoppeld is aan rechtssubjecten. [35] Zij wijzen erop dat ook in een algemeenbelangactie een belangenorganisatie opkomt voor de belangen en rechten van rechtssubjecten.
publieke handhavingdaarvan. Haar bevoegdheden en de toepasselijke procedurebepalingen staan in Verordening 2015/1589 [40] (hierna:
Procedureverordening). Ingevolge art. 1, aanhef en onder h, van de Procedureverordening wordt onder ‘belanghebbende’ verstaan:
private handhaving [43] van de staatssteunregels. Het is de taak van de nationale rechter om op schending van de standstillverplichting gebaseerde vorderingen en verzoeken te beoordelen ‘
ter bescherming van de belangen van de justitiabelen, inzonderheid van de partijen die zijn geraakt door een verstoring van de concurrentie als gevolg van de toekenning van onrechtmatige steun’. [44] De nationale rechter moet ‘
de justitiabelen die zich kunnen beroepen op niet-nakoming van de aanmeldingsplicht’ waarborgen dat volgens het nationale recht alle consequenties daaruit worden getrokken, zowel wat betreft de geldigheid van handelingen tot uitvoering van de steunmaatregelen, als wat betreft de terugvordering van in strijd met deze bepaling verleende financiële steun. Ook partijen die heffingen moeten betalen waarmee een onrechtmatige staatssteun wordt gefinancierd, kunnen beroep doen op een schending van de standstillverplichting en eventueel betaalde heffingen terugvorderen. [45] Dit alles geldt in zijn algemeenheid en staat los van wat de nationale rechter in
een collectieve actiekan of moet doen.
Karmedia I(zie hiervoor 2.4) heeft de Hoge Raad moeten oordelen over de vraag of Karmedia ter zake van vermeende onrechtmatige staatssteun een algemeenbelangactie op de voet van art. 3:305a BW kon instellen.
Karmedia Iuit de arresten van het HvJEU in de zaken
Commissie/Kronoply en Kronotex [48] en
3F/Commissie [49] afgeleid dat voor het antwoord op de vraag of een justitiabele als belanghebbende in de zin van art. 108 lid 2 VWEU Pro en art. 1, aanhef en onder h, Procedureverordening kan worden aangemerkt, van belang is dat de steun
haar situatie concreet dreigt te beïnvloeden. De Hoge Raad heeft aldus het Unierechtelijke begrip belanghebbende, dat is ontwikkeld in het kader van de publieke handhaving van het staatssteunverbod, doorgetrokken naar de private handhaving van dat verbod voor de vraag wie beroep kan doen op een schending van de standstillverplichting van art. 108 lid 3 VWEU Pro. In
Karmedia Iging het om het procesbelang bij een voorlopig getuigenverhoor, maar het uitgangspunt dat het Unierechtelijke begrip belanghebbende bepalend is voor de procesbevoegdheid en daarmee de ontvankelijkheid van een belangenorganisatie gaat ook op in een actie als de onderhavige.
justitiabelen en organisaties zonder belang om de nietigverklaring van een staatssteunbesluit op grond van artikel 263 VWEU Pro te vragen” ziet op de ontvankelijkheidsvoorwaarden voor een beroep tot nietigverklaring tegen een ‘handeling’ van de Commissie, bijvoorbeeld een besluit waarbij staatssteun wordt verboden of toegestaan. Anders dan lidstaten, die als ‘geprivilegieerde verzoekers’ geen belang bij hun beroep hoeven aan te tonen (dat belang wordt verondersteld), staat voor partijen die niet geadresseerde zijn van een dergelijk besluit, alleen beroep open als zij door het besluit rechtstreeks én individueel worden geraakt. In de praktijk betekent dit een hoge drempel voor toegang tot de Europese bestuursrechter, het Gerecht van de Europese Unie. Partijen
with no standingzijn dus partijen die niet bij het Gerecht in beroep kunnen tegen een staatssteunbesluit omdat zij niet aan de strikte ontvankelijkheidsvoorwaarden voldoen.
in de gelegenheid moeten worden gesteld de steun of de maatregelen tot uitvoering van de steun aan te vechten voor de nationale rechter en op grond van artikel 267 VWEU Pro een verzoek om een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie over de uitlegging of geldigheid van het besluit van de Commissie tot goedkeuring van die steun uit te lokken”. Hier wordt gedoeld op het in de rechtspraak ontwikkelde verband tussen de mogelijkheid een staatssteunbesluit van de Commissie bij de nationale rechter ter discussie te stellen en het ontbreken van
standingvoor een rechtstreeks beroep bij het Gerecht. Dit verband vormt het voorwerp van de zogenoemde ‘
Deggendorf-rechtspraak’: een partij (bijvoorbeeld, de begunstigde van een steunmaatregel die door de Commissie was verboden) kan de rechtsgeldigheid van een staatssteunbesluit van de Commissie niet bij de nationale rechter ter discussie stellen als zij daarvan rechtstreeks in beroep had kunnen gaan maar dat niet heeft gedaan waardoor zo’n besluit onherroepelijk is geworden. [54] Als een partij niet in beroep kon komen bij het Gerecht vanwege genoemde ontvankelijkheidsdrempel, dan kan zij ten overstaande van de nationale rechter de rechtsgeldigheid van een Commissiebesluit langs indirecte weg aanvechten door in beroep te gaan tegen nationale uitvoeringsmaatregelen en in de nationale procedure een prejudiciële verwijzing over de rechtsgeldigheid van het besluit uitlokken. De gedachte achter deze rechtspraak is dat of de ene of de andere rechtsgang openstaat.
Greenpeace Energy,waarnaar in voetnoot (36) van de Mededeling wordt verwezen, was beroep gedaan op art. 47, eerste alinea, van het EU-Handvest van de grondrechten, dat het recht op een doeltreffende voorziening in rechte behelst.
Greenpeace Energybetoogde dat het voor haar niet mogelijk was om nationale maatregelen ter uitvoering van een Commissiebesluit waarbij een steunmaatregel was goedgekeurd, aan te vechten bij de nationale (Britse) rechter. Daarop baseerde zij haar betoog dat zij het Commissiebesluit zelf rechtstreeks moest kunnen aanvechten omdat zij anders geen effectieve rechtsbescherming zou hebben. Het Hof laat de strikte ontvankelijkheidvoorwaarden van art. 263, vierde alinea, VWEU niet wijken voor art. 47 EU Pro-Handvest, er daarbij op wijzend dat er effectieve rechtsbescherming bestaat als een partij bij de
nationalerechter terecht kan om de rechtsgeldigheid van een staatssteunbesluit aan te vechten (punt 61), wat volgens Greenpeace Energy nu juist in haar niet mogelijk was.
in die situatie kunnen niet alleen economische belangen, maar ook andere belangen van justitiabelen en organisaties relevant zijn om hun procesbelang te bepalen in procedures ten aanzien van de nationale maatregelen tot uitvoering van de steun.” Deze passage ziet op ‘de situatie’ beschreven in de zin daarvoor, namelijk de situatie waarin de Commissie steun heeft goedgekeurd en een partij die zich daardoor benadeeld voelt, nationale maatregelen ter uitvoering van die goedgekeurde steun moet kunnen aanvechten. De verwijzing in voetnoot (37) naar andere belangen dan economische belangen is beperkt tot milieubescherming. Voor milieuaangelegenheden gelden namelijk specifieke bepalingen over toegang tot de rechter.
Commission decision authorising the aid. Een dergelijk besluit ligt hier niet voor. De besproken passages zeggen verder niets over de ontvankelijkheid (
standing) bij de nationale rechter van een belangenorganisatie die - los van enig handelen of besluit van de Commissie - stelt dat inbreuk op de staatssteunregels is gemaakt en op die stelling een collectieve vordering baseert.
Karmedia I- voor de onderhavige zaak zonder belang.
onder 12) dat het hof diende te beoordelen of de groepsactie van Karmedia aansluit bij de
belangendie zij zich volgens haar statuten heeft aangetrokken; niet meer en niet minder. Niet is vereist dat uit de statuten blijkt dat Karmedia opkomt voor belangen van personen die concreet dreigen te worden beïnvloed door de Markthalovereenkomsten (rov. 6.7) of voor bepaalde of bepaalbare staatssteunmaatregelen (rov. 6.8). Het onderdeel klaagt dat voor zover het hof meer of anders heeft verlangd van Karmedia dan uit de statuteneis van art. 3:305a BW blijkt, die overwegingen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk zijn.
teneinde duidelijkheid te verkrijgen over de feitelijke toedracht van de realisatie van de Markthal”, afgewezen wegens gebrek aan belang omdat Karmedia geen zicht had op een succesvolle vordering in de bodemprocedure nu zij - als behartiger van het algemeen belang - geen beroep kan doen op de rechtsbescherming ingevolge art. 108 lid 3 VWEU Pro. [55] In de onderhavige bodemprocedure heeft Karmedia echter in verschillende opzichten de bakens verzet. Onder meer stelt zij zich tevens op als behartiger van belangen van anderen, dat wil zeggen van van Metroprop c.s. [56]
om op te komen voor de belangen van een groepof groepen van personen
en voor hen een actie in te stellen.
nieteen oordeel te lezen van de strekking dat Metroprop c.s., die in dit verband door Karmedia zijn opgevoerd, niet zouden zijn aan te merken als justitiabelen in de hiervoor bedoelde zin, dus als personen wier belangen door art. 108 lid 3 VWEU Pro worden beschermd. Het hof heeft die kwalificatie juist in het midden gelaten. Het heeft geoordeeld dat uit de statuten van Karmedia niet blijkt dat zij mede de belangen behartigt van “
personen van wie de situatie concreet dreigt te worden beïnvloed door de Markthalovereenkomsten” (rov. 6.7) c.q. van “
(een groep of groepen van) bepaalde of bepaalbare individuele personen van wie de situatie concreet dreigt te worden beïnvloed door bepaalde of bepaalbare staatssteunmaatregelen” (rov. 6.8). Dit dient mijns inziens
nietzo te worden begrepen, zoals het middel wél lijkt te doen, dat volgens het hof de statuteneis met zich brengt dat de statuten in dit geval op de Markthalovereenkomsten hadden moeten zijn toegespitst. Het hof heeft met de hiervoor aangehaalde zinsneden, klaarblijkelijk (slechts) verwezen naar de (afgebakende) kring van personen die als belanghebbenden beroep kunnen doen op schending van art. 108 lid 3 VWEU Pro. Uit de statuten blijkt niet dat Karmedia opkomt voor de belangen van een groep van dergelijke belanghebbenden omdat daaruit niet eens blijkt dat zij de belangen van
een groepkan behartigen. Het hof acht met andere woorden het in de statuten benoemen van een algemeen belang zonder dat daarbij iets is vermeld over de wijze waarop of de middelen waarmee dat algemeen belang kan worden nagestreefd, niet een voldoende grondslag bieden voor het starten van een procedure voor een groep rechtssubjecten. Dat oordeel van het hof acht ik juist. Het hof hoefde niet te specificeren hoe de statutaire omschrijving zou moeten of kunnen luiden om wél een voldoende grondslag te bieden voor een groepsactie.
special purpose vehicles’ aan zou kunnen worden voldaan, gaat het middel uit van een onjuiste lezing van de bestreden overwegingen. Het hof heeft niet verlangd dat de statuten zijn toegespitst op het concrete geschil. Het hof heeft klaarblijkelijk in rov. 6.8 verlangd, zo begrijp ik die overweging, dat uit de statuten
op enigerlei wijzeblijkt dat de belangenorganisatie zich (mede) inzet ter behartiging van de belangen van de rechtspersonen waarvoor Karmedia stelt op te komen (en geoordeeld dat in dit geval aan die eis niet is voldaan). Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de uit art. 3:305a BW voortvloeiende eis dat de belangenorganisatie de gelijksoortige belangen waarvoor zij in de procedure opkomt, ingevolge haar statuten behartigt. Mijns inziens heeft het hof hiermee voor belangenorganisaties de lat niet te hoog gelegd. Uit de statuten moet blijken dat de belangen van personen voor wie de organisatie stelt op te komen, ingevolge de statuten door de belangenorganisatie worden behartigd. Het kan niet moeilijk zijn dat goed op te schrijven.
onder 13,over de overweging dat de statuten uitsluitend gericht
lijkente zijn op het algemeen belang (rov. 6.8). Het onderdeel wijst erop dat het hof niet toelicht waarop het die uitleg baseert. Het onderdeel betoogt dat de statuten een objectiefrechtelijk karakter hebben en (in ieder geval in beginsel) objectief moeten worden uitgelegd, en het klaagt dat de overweging van het hof in dat verband blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is gemotiveerd. Het hof noemt geen enkele omstandigheid die spreekt vóór de door het hof kennelijk aannemelijk geachte uitleg. Het onderdeel klaagt voorts dat, voor zover het hof aansluiting heeft gezocht bij het standpunt van de gemeente, de overweging blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting (over de uitlegmaatstaf dan wel over art. 24 Rv Pro), althans het hof een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven van de stellingen van de gemeente, kort gezegd, omdat de gemeente niet heeft betoogd dat uit de statuten blijkt dat deze uitsluitend gericht (lijken) te zijn op het algemeen belang. Voor welk belang Karmedia
steltop te komen, is bovendien in het kader van een objectieve uitleg niet relevant althans doorslaggevend, en in elk geval had het hof moeten ingaan op hetgeen Karmedia onder 5 -13 van de spreekaantekeningen in hoger beroep heeft betoogd, aldus het middel.
uitsluitend gericht lijkt op het algemeen belang’ en daarmee niet (tevens) op bepaalde of bepaalbare individuele personen. De lezing die het hof daaraan geeft acht ik niet onjuist omdat de statuten alleen spreken over: het controleren van de naleving op het staatssteunverbod en de handhaving daarvan. Die formulering wijst erop dat een algemeen belang wordt nagestreefd. Een algemeen belang, zoals hier het streven naar naleving van het verbod van staatssteun is echter niet een doel op zich, omdat het nastreven van dat doel veronderstelt dat daarvoor middelen worden ingezet c.q. activiteiten worden ontplooid. Dat betekent echter niet dat in de ‘kale’ statutaire doelstelling moet worden ingelezen dat zij mede omvat de
activiteitbestaande in het optreden in rechte voor ondernemingen die een gezamenlijk belang hebben bij de naleving van het verbod van staatssteun in een bepaalde situatie. Het nastreven van een algemeen belang zou in dit geval bijvoorbeeld net zo goed uitdrukking kunnen krijgen in persberichten of petities, waarin (vermoede of vermeende) niet-naleving van het verbod van staatssteun aan de kaak wordt gesteld. Ik kan uit het middel ook niet opmaken dat het hof wordt verweten een onjuiste dan wel onvolledige lezing van de statuten te hebben gegeven.
ingevolge haar statutende belangen bundelt van personen wier belangen door artikel 108 lid 3 VWEU Pro worden beschermd.
alleburgers en ondernemingen. Dat is haar goed recht, maar daarmee richt Karmedia zich ingevolge haar statuten dus op de behartiging van belangen die – volgens het hof en de Hoge Raad – de reikwijdte van de rechtsbescherming ingevolge art. 108 lid 3 VWEU Pro ver te buiten gaan.”
steltop te komen, falen de klachten onder 13.
onder 14een klacht die ervan uitgaat dat de beslissing van het hof is gebaseerd op de stelling van de gemeente dat Karmedia per 1 januari 2020 een zogeheten ‘algemeen nut beogende instelling’ (anbi) is geworden. Het bestreden arrest bevat echter geen enkel aanknopingspunt waaruit zou kunnen blijken dat de omstandigheid dat de anbi-status is verkregen heeft meegewogen voor het hier bestreden oordeel. Het hof heeft deze door de gemeente gestelde omstandigheid ook niet als vaststaand feit aangemerkt. De klachten die van genoemde lezing uitgaan, missen dan ook feitelijke grondslag.
dus(ook) op de belangen van de justitiabele ‘wiens situatie door de steun concreet dreigt te worden beïnvloed door bepaalde of bepaalbare steunmaatregelen’ respectievelijk ‘van wie de situatie concreet dreigt te worden beïnvloed door de Markthalovereenkomsten’, respectievelijk op de belangen van de justitiabele waar zij in rechte voor opkomt, namelijk de belangen van de concurrenten van Provastgoed c.s. Het onderdeel klaagt dat rov. 6.7 en 6.8 in het licht hiervan blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk zijn. Het hof heeft het voorgaande miskend, althans is aan die stelling van Karmedia onvoldoende begrijpelijk voorbijgegaan.
daarmeeingevolge haar statuten belangen van die justitiabelen behartigt, zoals het onderdeel kennelijk ingang wil doen vinden. Het afgebakende beschermingsbereik van art. 108 lid 3 VWEU Pro beïnvloedt niet in die zin (de invulling van) de uit art. 3:305a BW voortvloeiende statuteneis. Hierop stuiten de klachten onder 15 af.
onder 16 en 17dat rov. 6.8 (en rov. 6.7) onbegrijpelijk is, omdat het hof heeft verzuimd een achttal essentiële stellingen [62] van Karmedia, aangehaald met de letters a) tot en met h), in zijn overwegingen te betrekken. Ik loop deze stellingen na.
onder a)houdt in dat van een te ruime doestelling slechts sprake is als deze zo veelomvattend is, dat geen rechtstreeks verband kan worden gelegd tussen de statuten en het collectieve belang dat met de procedure wordt behartigd, en dat in dit geval een rechtstreeks verband wel kan worden gelegd. De toepasselijke statutaire doelstelling van Karmedia ziet op het bevorderen van eerlijke concurrentie tussen bedrijven, het controleren van de naleving daarvan en het onderzoeken van onrechtmatige overheidsdaden. De ingestelde vordering van Karmedia dient om eerlijke concurrentie te verwezenlijken en om het staatssteunverbod te handhaven. Daarmee bestaat er een voldoende rechtstreekse band tussen de vordering en de statuten.
onder b)houdt kort gezegd in dat Karmedia haar doelstelling ook feitelijk
heeftbehartigd, de stelling
onder c)dat Karmedia documenten heeft opgevraagd bij de gemeente via een Wob-verzoek en de stelling
onder d)dat Karmedia in de afgelopen jaren ook veel onderzoek heeft gedaan naar staatssteun in andere dossiers. Deze stellingen hebben betrekking op de eveneens in art. 3:305a lid 1 BW besloten liggende eis dat de belangenorganisatie daadwerkelijk activiteiten ontplooit. [63] Zij staan daarmee los van de vraag of uit de statutaire doelstelling van Karmedia blijkt dat zij (mede) door het instellen van collectieve vorderingen opkomt voor de belangen van een groep bepaalde of bepaalbare individuele personen [64] , en raken daarmee evenmin het oordeel van het hof dat in die sleutel staat.
onder e)houdt in dat er ‘daarnaast’ extra redenen bestaan om juist het staatssteunrecht via collectieve acties langs private (of civiele) weg te handhaven. Ondernemingen zouden niet geneigd zijn te procederen tegen staatssteunverlening, bang als ze zijn om hun eigen ruiten in te gooien. Karmedia daarentegen heeft geen afhankelijkheidsrelatie met de gemeente of met Provastgoed c.s. en kan via collectieve acties wel vrij optreden tegen onrechtmatige staatssteunverlening. De stelling dat ondernemingen niet snel geneigd zullen zijn te procederen tegen mogelijke staatssteunverlening - wat daar verder ook van zij - zou van belang
kunnenzijn voor het antwoord op de vraag of op de voet van art. 3:305a BW een groepsactie mogelijk is. Het hof heeft echter een groepsactie kennelijk
nietuitgesloten geacht, maar geoordeeld dat in dit geval niet aan de uit art. 3:305a lid 1 BW voortvloeiende ‘statuteneis’ is voldaan. De stelling onder e) kan aan dit oordeel niet afdoen.
onder f)komt erop neer dat zelfs indien burgers en individuele ondernemingen wel wensen te procederen tegen de staatssteunverlening, een collectieve actie nog steeds een aangewezen weg is. Voor een efficiënte en effectieve rechtsbescherming is het niet wenselijk dat iedere burger en onderneming voor zichzelf naleving van het staatssteunverbod moet vorderen. Dit moge zo zijn, maar deze stelling raakt om dezelfde reden als de hiervoor genoemde stelling niet aan het oordeel van het hof en doet daaraan dus ook niet af. Daar komt nog bij dat, aannemende dat Metroprop c.s. inderdaad gelieerde vennootschappen zijn en daarom één onderneming vormen, men zich kan afvragen of zij niet evengoed zelf een procedure tegen de gemeente hadden kunnen starten. Art. 3:305a BW is bedoeld voor
collectieveorderingen, en met name voor acties namens grotere aantallen personen of rechtspersonen (zie hiervoor 4.3).
onder g)houdt in dat uit de besproken beschikking van de Hoge Raad in het voorlopig getuigenverhoor volgt dat indien Karmedia opkomt voor justitiabelen van wie de situatie door de steun concreet dreigt te worden beïnvloed, zij zich wél op artikel 108 lid 3 VWEU Pro kan beroepen. Ook deze stelling raakt niet aan het oordeel van het hof, dat immers betrekking heeft op de omschrijving van de statutaire doelstelling. Ik verwijs naar wat ik zojuist in 4.51 heb opgemerkt.
onder h)wijst erop dat Karmedia in tegenstelling tot de procedure inzake het voorlopig getuigenverhoor in deze bodemprocedure uitdrukkelijk niet enkel opkomt voor het algemeen belang, maar ook voor partijen wier situatie door de steun concreet dreigt te worden beïnvloed. Hiervoor zagen wij reeds dat het hof onder ogen heeft gezien dat Karmedia in deze procedure ook een groepsactie heeft ingesteld. Het hof heeft echter geoordeeld dat niet aan alle ontvankelijkheidseisen van art. 3:305a BW is voldaan.
aanbestedingsrechtgegronde vorderingen, voor zover Karmedia deze heeft ingesteld als
groepsvorderingen. Het onderdeel herinnert eraan dat Karmedia in eerste aanleg een verklaring voor recht heeft gevorderd dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door de overeenkomsten en allonges te sluiten zonder een aanbestedingsprocedure uit te schrijven (zie hiervoor 3.3, onder iv). De rechtbank heeft Karmedia in die vordering niet-ontvankelijk verklaard.
Grief 4: De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat aan de onder 4. gevorderde verklaring voor recht geen zelfstandige betekenis toekomt en dat Karmedia niet-ontvankelijk is in deze vordering
grondslagten opzichte van de staatssteunrechtelijke
grondslagbenadrukt (en niet ten opzichte van eventuele, andere en op het aanbestedingsrecht gestoelde vorderingen).
vorderingte beslissen (art. 23 Rv Pro), noch zijn beslissing dienaangaande onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Art. 23 Rv Pro vereist niet dat op iedere
griefwordt beslist.
onder 24klachten die uitgaan van de veronderstelling dat in rov. 6.11 besloten ligt (i) dat een verklaring voor recht tot aantasting van overeenkomsten leidt respectievelijk (ii) dat de gevorderde verklaring voor recht geen zelfstandige betekenis toekomt. Beide klachten falen bij gebrek aan feitelijke grondslag. Ik verwijs naar wat ik zo juist in 4.64 heb opgemerkt.
onder 25dat als in rov. 6.12 besloten ligt dat Karmedia niet aan de statuteneis voldoet wat betreft de gevorderde verklaring voor recht en/of de gevorderde veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat, die overweging eveneens blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is. Het onderdeel klaagt allereerst, in het verlengde van onderdeel I onder 12, dat het hof ook hier te strenge voorwaarden heeft gesteld aan de statuteneis. Het onderdeel klaagt verder dat het hof uit het oog heeft verloren dat art. 4.15 lid 2 Aanbestedingswet alleen ziet op de mogelijkheden tot
aantasting van de overeenkomst op vernietigingsgronden, en deze bepaling dus per definitie niet leidend kan zijn bij de invulling van de statuteneis in het kader van de gevorderde verklaring voor recht en bij de gevorderde veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat.
onder 26-27over de uitleg van de statuten door het hof in de tweede en derde volzin van rov. 6.12. In het verlengde van onderdeel I onder 13, wordt allereerst betoogd dat de overweging dat de statuten uitsluitend gericht lijken te zijn op het algemeen belang blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is gemotiveerd. Ten tweede klaagt het onderdeel dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden dan wel de stellingen van de gemeente op onbegrijpelijke wijze heeft uitgelegd, omdat de gemeente een dergelijke stelling met betrekking tot de op het aanbestedingsrecht gebaseerde vorderingen, althans de gevorderde verklaring voor recht en de gevorderde vergoeding tot schade op te maken bij staat, niet heeft ingenomen, terwijl Karmedia heeft gesteld dat sprake was van een groepsactie. Voor zover het hof aan de tekst van de statuten heeft ontleend dat de doelstellingen uitsluitend op het algemeen belang zijn gericht, klaagt het onderdeel dat die overweging eveneens onjuist dan wel onbegrijpelijk is. De doelstellingen
‘het bevorderen van eerlijke concurrentie tussen bedrijven’ en ‘
het onderzoeken van onrechtmatige overheidsdaden’ kunnen (grammaticaal) net zo goed plaatsvinden in het algemeen belang als in het belang van ondernemers die (mogelijk) last hebben van schending van aanbestedingsrechtelijke regels of in het belang van ‘
bepaalde of bepaalbare individuele personen (die belang hebben gehad bij de gunning van bepaalde of bepaalbare aanbestedingsplichtige opdrachten) en die door de gunning zonder voorafgaande aanbesteding zijn geschaad’.
jegens ondernemers die daardoor schade hebben geleden’. Ik verwijs naar 4.61 hiervoor. Deze vordering was dus niet ingestoken als algemeenbelangactie.
onder 30) een voortbouwklacht, die in het verlengde van de voorafgaande klachten faalt.