Conclusie
family lifebescherming geniet) en gezien de bijzondere omstandigheden van deze zaak, een redelijke wetstoepassing van art. 4:3 lid 1 onder Pro a BW meebrengt dat de eis van een strafrechtelijke veroordeling in dit geval buiten toepassing moet blijven zodat [eiser] onwaardig is om uit de nalatenschap van zijn vrouw voordeel te trekken. Tegen dit oordeel komt [eiser] op in cassatie.
1.Feiten
Letsel en doodsoorzaak
A-G] in de middellijn was gespleten. Dit is veroorzaakt door bij leven uitgeoefend fors geweld op de hals. Gezien het ontbreken van uitgebreide bloeduitstortingen in de halsspieren acht de patholoog het ‘iets waarschijnlijker’ dat het letsel is ontstaan door een slag op de hals (‘uitwendig mechanisch botsend geweld’) dan door een wurghandeling (‘mechanisch omsnoerend/samendrukkend geweld’). Bij de sectie zijn tot slot letsels om en in de mond geconstateerd. Dit kan door botsend geweld dan wel door het afdekken van/drukken op de mond/smoren zijn ontstaan. Indien er sprake is geweest van het afdekken/smoren kan dit in combinatie met letsels aan de neus – zoals hiervoor overwogen – en de daardoor opgetreden zwelling hebben bijgedragen of hebben geleid tot verstikking.
A-G] gevonden;
A-G]. Verdachte heeft daarop een stuk uit het haar geknipt en weggegooid. Toen hij op 31 maart 2015 naast [slachtoffer] wakker werd, voelde zij koud aan. Toen de telefoon niet werkte, besloot hij om naar zijn broer en moeder te fietsen. Tot slot heeft verdachte verklaard dat hij op 29 of 30 maart 2015 bloedsporen op de muur heeft gezien.
A-G] moet worden vastgesteld dat zijn gedragingen en gedragskeuzes volledig werden bepaald door deze psychose en verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was.
Transmurale verlofstatus
A-G], [betrokkene 1] en [eiser] [ [eiser] ,
A-G] ontvangen. Hoewel ik [eiser] nog nooit van tevoren ontmoet had, kwamen ze direct ter zake en gingen meteen de discussie over de erfenis aan.
A-G] maar aan denk, bang maakten dat er iets met [verweerder] zou gebeuren.”
2.Procesverloop
Eerste aanleg
veroordelingnodig om tot onwaardigheid te kunnen concluderen.
het dan zou gaan om een arts die zijn eigen ouders heeft geëuthanaseerd en bovendien voor strafvervolging in aanmerking komt. Als dat niet zo is, komt dit geval helemaal niet bij een veroordeling terecht. Het moet dus iemand zijn die vervolgd wordt wegens euthanasie en die bovendien als schuldig wordt veroordeeld maar alleen geen straf krijgt.” (verslag van een wetgevingsoverleg van de vaste commissie voor Justitie met de minister van Justitie van 11 december 1997, Tweede Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 17 141, nr. 27, pagina 20).”
Tijdschrift Erfrecht:
A-G] verwezen ter onderbouwing van zijn stelling dat de uitbreiding van onwaardigheidsgronden in artikel 4:3 BW Pro ten opzichte van het oude recht is gebaseerd op de algemene rechtsbeginselen en de beginselen van openbare orde die inhouden dat wie opzettelijk de dood van een ander die hem begunstigt heeft veroorzaakt, uit die begunstiging als begunstigde geen voordeel behoort te trekken, en dat wie opzettelijk de erflater om het leven heeft gebracht, onwaardig is om van erflater te erven. In dit verslag vindt de rechtbank evenwel niet terug dat de wetgever de uitbreiding van de onwaardigheidsgronden in het huidige BW heeft gebaseerd op de door [eiser] [ [verweerder] ,
A-G] geformuleerde rechtsbeginselen en dat daaruit dan zou voortvloeien dat – in tegenspraak met de duidelijke tekst van de wet – een veroordeling niet vereist is. Uit de kamerstukken blijkt wel dat een kamerlid melding heeft gemaakt van een juridisch tijdschriftartikel waarin deze beginselen zijn genoemd. Ook onder het oude recht (artikel 4:885 (oud) BW) was een veroordeling voor het strafbare feit voorwaarde voor onwaardigheid. Ook toen gold in het geval dat de dader werd ontslagen van alle rechtsvervolging met oplegging van de maatregel van opneming in een krankzinnigengezicht, thans psychiatrisch ziekenhuis genaamd, dat onwaardigheid niet intrad (vgl. gerechtshof Amsterdam 13 mei 1976, ECLI:NL:[H]GHAMS:1976:AC3027). Nergens blijkt uit dat de wetgever heeft beoogd hiervan af te wijken bij de invoering van het huidige erfrecht in 2003. Het klopt dat de onwaardigheidsgronden ten opzichte van het oude recht zijn uitgebreid, maar er is geen reden te veronderstellen dat deze uitbreiding verband houdt met een gewijzigde opvatting over de toepassing van de in artikel 4:3 lid 1 sub a opgenomen Pro onwaardigheidsgrond en de in dat verband geëiste (onherroepelijke) veroordeling.
Redelijkheid en billijkheid
Omdat [verweerder] zich beroept op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, rust op hem de stelplicht en de bewijslast van de feiten en omstandigheden die dat beroep rechtvaardigen.”
- nadat [betrokkene 1] met [eiser] getrouwd was, heeft [eiser] haar het leven meer en meer onmogelijk gemaakt, onder meer door haar te isoleren van vrienden,
- [eiser] heeft altijd over de nalatenschap van de ouders willen beschikken en heeft zich onmogelijk opgesteld en de vereffening en verdeling van de nalatenschap van de ouders van [verweerder] en [betrokkene 1] gefrustreerd,
- als gevolg van de doodslag zou [eiser] indirect van de ouders van [verweerder] en [betrokkene 1] erven, terwijl de ouders dat niet wilden,
- [eiser] heeft [verweerder] en zijn familie ernstig mishandeld en bedreigd met de dood,
- [eiser] heeft ingebroken in de woning van de ouders van [verweerder] en [betrokkene 1] en goederen uit de nalatenschap kapot gemaakt,
- hij heeft tevens het geld op de ervenrekeningen geblokkeerd.”
onherroepelijk veroordeeld is ter zake dat hij de overledene heeft omgebracht (...)”.
1° Hij, die veroordeeld is, ter zake dat hij den overleden[e,
A-G]
heeft omgebracht (...)”.
veroordeeld” is toegevoegd “
onherroepelijk”.
Sont indignes de succéder, et, comme tels, exclus des successions:
veroordeeld” hier betekent. Duidelijk is dat het daarbij gaat om een strafrechtelijke veroordeling, zoals ook kan worden opgemaakt uit de hierna aangehaalde passage uit de wetsgeschiedenis (
Parl. Gesch. Boek 4 BW(Inv.wet), p. 1169). Voor een strafrechtelijke veroordeling is nodig een (1) menselijke gedraging die (2) valt onder een delictsomschrijving die (3) wederrechtelijk is en (4) aan de schuld van de dader te verwijten is. De eerste drie eisen zien op de gedraging, de vierde op de persoon van de dader. Er kunnen strafuitsluitingsgronden zijn die de wederrechtelijkheid (rechtvaardigingsgrond) of de schuld (schulduitsluitingsgrond) wegnemen.”
Hij die opzettelijk een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan doodslag, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
NW 6 (p. 9). Algemeen gedeelte onder 2: De nieuwe bepaling is geformuleerd als een van rechtswege werkende onwaardigheid indien een strafrechtelijke veroordeling wegens een der bedoelde misdrijven (poging en deelneming daaronder begrepen) heeft plaatsgehad. Daartoe geeft de ernst van de hier aan de orde zijnde omstandigheden alle aanleiding.’’ (Parl. Gesch. Boek 4 BW(Inv.wet), p. 1169)
VvW (p. 19). Minister Sorgdrager: Artikel 4.1.3, lid 1, onder a en b, gaat over de veroordeling door de rechter. Moet dat een onherroepelijke veroordeling zijn? Is het van belang of de veroordeling voor of na het overlijden plaatsvond etc.? Inderdaad is er geen sprake van onwaardigheid om te erven wanneer bijvoorbeeld een strafrechtelijke veroordeling voor moord op de erflater in hoger beroep geen stand houdt. Vrijspraak heeft dat gevolg. De formulering ‘is veroordeeld’ zonder ‘onherroepelijk’ is overgenomen uit artikel 885, boek 4 BW. Wellicht is het niet helemaal duidelijk. Bedoeld is natuurlijk een onherroepelijke veroordeling. Wij zullen nagaan of dit duidelijker in de omschrijving kan worden aangegeven.” (Parl. Gesch. Boek 4 BW(Inv.wet), p. 1172)
VvW (p. 34). Minister Sorgdrager: De heer Van den Berg heeft in verband met de onwaardigheid gevraagd of alleen de veroordeling door een rechter relevant is en of dat ook geldt voor een schikking die is getroffen met de officier van justitie. Dat laatste geval geldt niet. Alleen een veroordeling door de rechter is relevant.” (Parl. Gesch. Boek 4 BW(Inv.wet), p. 1174)
Daar is noch misdaad, noch wanbedrijf, zo wanneer de beklaagde ten tijde van het feit in staat van krankzinnigheid was, of wanneer hij door overmagt gedwongen werd.” [21] ”
Kamerstukken II2000/2001, 17 213, 6, p. 10). Dat betekent dat deze vernietigbaarheid niet speelt als de dader niet strafbaar is omdat het feit hem wegens een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap niet kan worden toegerekend (artikel 39 Sr Pro) dan wel sprake is van een andere strafuitsluitingsgrond.”
Aan de overeenkomst kunnen geen rechten worden ontleend door degeen die onherroepelijk veroordeeld is ter zake dat hij de verwezenlijking van het risico opzettelijk teweeg heeft gebracht of daaraan opzettelijk meegewerkt heeft.”
Kamerstukken II1985/1986, 19 529, 2, p. 11):
Artikel 7.17.3.8. Aan de overeenkomst kunnen geen rechten worden ontleend door degeen die de verwezenlijking van het risico opzettelijk teweeg heeft gebracht.”
Kamerstukken II1985/1986, 19 529, 3, p. 44):
Dit artikel betreft de zogenaamde onwaardigheid. Het verschilt principieel van het overeenkomstige artikel in het voorontwerp. Daarin werd de onwaardigheid afhankelijk gesteld van een vonnis van de strafrechter. In het thans voorgestelde artikel wordt de strafrechtelijke achtergrond geheel verlaten, ook in die zin dat geen aansluiting meer wordt gezocht bij strafrechtelijke begrippen, zoals medeplichtigheid.”
Kamerstukken II1999/2000, 19 529, 5, p. 50):
De verzekeringsrechtelijke variant van de uit het erfrecht bekende onwaardigheid is uitgebreid met het geval dat de begunstigde de verwezenlijking van het risico – veelal: de dood van de verzekerde – niet zozeer opzettelijk heeft veroorzaakt, doch daaraan wel medewerking heeft verleend (vergelijk voor het erfrecht artikel 4.1.3, eerste lid, onder a). Deze uitbreiding komt overeen met het strafrechtelijke begrip ‘medeplichtigheid’, tegenover het ‘plegen’ waarvan het opzettelijk veroorzaken het equivalent is. Tevens is gevolg gegeven aan het pleidooi van Kalkman (diss., p. 146 e.v.) om de werking van dit artikel te beperken tot gevallen dat een strafrechtelijke veroordeling heeft plaatsgevonden. (...). In de polisvoorwaarden kan worden bepaald dat ook zonder strafrechtelijke veroordeling opzettelijk veroorzaakte schade niet tot uitkering leidt. Artikel 7.17.3.8a (hof: artikel 7:974 BW Pro) staat immers niet in de weg aan een uitbreiding van de gevallen waarbij geen recht op uitkering bestaat (vergelijk de memorie van toelichting, Kamerstukken II 1985/86, 19 529, nr. 3, p. 44).”
A-G] oordeelde over de klacht van de vader dat ‘family life’ niet alleen ziet op sociale, morele of culturele belangen, maar ook op materiële belangen zoals erfrechtelijke kwesties tussen naaste verwanten. Vervolgens zet het Hof de twee belangen tegenover elkaar, te weten die van de vader van de vermoorde echtgenote (die wil dat de echtgenoot onwaardig wordt verklaard) en het belang van de broer van de echtgenoot/de dader om te kunnen erven van zijn broer (waaronder begrepen dus ook de erfenis van de vermoorde echtgenote). De eis van een onherroepelijk[e] veroordeling voor moord als vereiste voor onwaardigheid kan zijn rechtvaardiging vinden in de bescherming en de rechten en vrijheden van anderen (artikel 8 lid 2 EVRM Pro). Niet is vereist, zo vervolgt het Hof, dat een lidstaat bepalingen opneemt die zien op onwaardigheid. Maar als die bepalingen er wel zijn dan moeten ze worden toegepast op een wijze die overeenstemt met het doel daarvan. Een te strikte toepassing van de wettelijke bepaling kan in strijd komen met artikel 8 EVRM Pro, aldus nog steeds het Hof. Over deze Roemeens[e] zaak oordeelt het hof dat, gezien de bijzondere omstandigheden daarvan, de interpretatie van de Roemeense gerechten over de onwaardigheid te restrictief is geweest, waardoor het ‘family life’ van de vader van de vermoorde echtgenote is geschaad. Die bijzondere omstandigheden kenmerkten zich hierdoor dat er geen enkele twijfel bestond over de schuld aan de dood van de echtgenoot, de bekentenis van de echtgenoot en de erkenning door de familie van de echtgenoot. Het hof concludeert uiteindelijk dat, gezien de zeer bijzondere omstandigheden van de zaak en rekening houdend met de beperkte beoordelingsruimte die een verdragsstaat heeft in zaken betreffende ‘family life’, geen juist evenwicht is gevonden tussen de belangen van de vader van de vermoorde echtgenote en de belangen van de rechtsopvolger (de broer) van de echtgenoot. Unaniem wordt een schending van artikel 8 EVRM Pro aangenomen.”
A-G] trouwde; hun huwelijk heeft net twee jaar geduurd. De nalatenschappen van de ouders moeten nog worden afgewikkeld. Als [eiser] erfgenaam zou zijn, zou [verweerder] samen met [eiser] die afwikkeling moeten regelen.”
3.Inleidende opmerkingen over art. 4:3 lid 1 onder Pro a BW
Inleiding en plan van behandeling
onherroepelijk veroordeeld” precies inhoudt. Uit de parlementaire geschiedenis van art. 4:3 lid 1 BW Pro blijkt dat het moet gaan om een (onherroepelijke)
strafrechtelijkeveroordeling. [41] Een oordeel van de civiele rechter kwalificeert dus niet. [42] Voor een strafrechtelijke veroordeling is nodig dat de strafrechter tot het oordeel is gekomen dat het tenlastegelegde feit is bewezen en verder moeten ook het tenlastegelegde feit en de verdachte strafbaar zijn. [43] Als de strafrechter heeft vastgesteld dat het tenlastegelegde feit is bewezen, kan een strafuitsluitingsgrond nog een veroordeling in de weg zitten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen rechtvaardigingsgronden en schulduitsluitingsgronden. Een rechtvaardigingsgrond [44] ontneemt de strafbaarheid aan de gedraging van de dader, terwijl een schulduitsluitingsgrond [45] strafbaarheid van de dader zelf in de weg zit. [46] Heeft de strafrechter een strafuitsluitingsgrond aangenomen, dan kan hij de verdachte niet veroordelen; hij komt dan tot de einduitspraak van ontslag van alle rechtsvervolging. [47] In zo’n geval kan hij geen straf opleggen. Gaat het om een schulduitsluitingsgrond, dan is de rechter wel bevoegd om een maatregel als tbs (art. 37a Sr) op te leggen. [48] De veroordeling is onherroepelijk als daar geen gewoon rechtsmiddel meer tegen openstaat. [49]
onherroepelijk” is toegevoegd, maar hiermee werd geen inhoudelijke verandering gerealiseerd; met de toevoeging is enkel beoogd dit zeker te stellen. [51] Ook onder het regime van art. 885 lid 1 BW Pro (oud) werd onder de eis van ‘veroordeling’ een strafrechtelijke veroordeling verstaan. Een uitspraak die veelvuldig in de literatuur over art. 885 lid 1 BW Pro (oud) wordt aangehaald, is het arrest van 13 mei 1976 van het hof Amsterdam. [52] Een erfgenaam die de erflater om het leven heeft gebracht maar vervolgens is ontslagen van alle rechtsvervolging en de maatregel heeft opgelegd gekregen van opneming in een krankzinnigengesticht was volgens het hof niet onwaardig om te erven op grond van art. 885 lid 1 BW Pro (oud) omdat een strafrechtelijke veroordeling ontbrak. Daarbij merkte het hof op dat de wetgever ten tijde van invoering van art. 885 BW Pro (oud) niet mede het oog kan hebben gehad op de situatie waarin iemand is ontslagen van alle rechtsvervolging:
A-G], ten tijde van het begaan van het feit zozeer lijdende was aan gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing van zijn geestvermogens dat – naar het oordeel van de strafrechter – zelfs voor toepassing van art. 37a jo. art. 37, lid 3, Sr. geen plaats was en van wie met toepassing van art. 37 Sr Pro. de plaatsing in een krankzinnigengesticht is bevolen.”
schenkingsrechtelijke onwaardigheid”. [68] Anders dan art. 4:3 lid 1 BW Pro spreekt art. 7:184 lid 1 aanhef Pro en onder b BW niet van een onherroepelijke veroordeling. Uit de wetgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat een strafrechtelijke veroordeling niet vereist is, omdat van de schenker niet kan worden gevergd dat hij de schenking in stand laat zolang van een veroordeling (nog) geen sprake is. [69] Ook is in wetsgeschiedenis expliciet aan de orde gekomen of een beroep kan worden gedaan op deze bepaling als iemand wel strafrechtelijk is vervolgd maar deze vervolging uiteindelijk niet in een veroordeling is uitgemond vanwege een strafuitsluitingsgrond. Hierover merkte de toenmalige minister van Justitie Korthals op dat in de (civielrechtelijke) eis dat de begiftigde het misdrijf opzettelijk moet hebben gepleegd, besloten ligt dat aan die begiftigde een verwijt moet kunnen worden gemaakt. Dit laatste is niet het geval als de begiftigde een succesvol beroep kan doen op een strafuitsluitingsgrond. In dat geval kan volgens hem geen beroep worden gedaan op de vernietigingsgrond van art. 7:184 lid 1 aanhef Pro en onder b BW. [70]
family lifegeschaad. Volgens het EHRM bestond er immers geen twijfel over de schuld van Aurel A. gelet op de vaststelling door het openbaar ministerie, de bekentenis van Aurel A. en de erkenning van zijn schuld door zijn familie. Door hiermee geen rekening te houden is de Roemeense rechter verder gegaan dan nodig was om het rechtszekerheidsbeginsel te eerbiedigen (rov. 131.).
family lifeverlangt dat rekening wordt gehouden met de bijzondere en uitzonderlijke omstandigheden van het geval, teneinde een mechanische toepassing van art. 655 van Pro het Roemeense BW te vermijden. Gelet op de zeer bijzondere situatie van het geval en gelet op de smalle beoordelingsmarge van een verdragsstaat in kwesties die
family liferaken, is er volgens het EHRM geen billijk evenwicht gevonden tussen de belangen van de broer van Aurel A. als zijn erfgenaam enerzijds en de belangen van de vader van Tatiana anderzijds (rov. 133.). Het EHRM heeft unaniem een schending van art. 8 EVRM Pro aangenomen (rov. 134.).
die zo stuitend voor het rechtsgevoel zijn, dat het onaanvaardbaar voor het rechtsgevoel zou zijn de door de wet of uiterste wil geroepen erfgenaam als erfgenaam van de erflater toe te laten.” [91] De Vries schrijft op haar beurt in vergelijkbare bewoordingen dat het “
onder omstandigheden zo stuitend kan zijn dat een persoon die daartoe door de wet of het testament wordt aangewezen voordeel kan genieten uit de nalatenschap, dat het onaanvaardbaar is voor het rechtsgevoel dit toe te laten.” [92]
family lifegeen sprake is. Volgens Perrick bijvoorbeeld kan in het algemeen worden aangenomen dat het stellen van de eis van een onherroepelijke veroordeling voor onwaardigheid, ook als
family lifevan art. 8 EVRM Pro geen rol speelt, in strijd kan komen met wat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar is. Dat is volgens hem onder meer het geval wanneer de mogelijk onwaardige erfgenaam de erflater om het leven heeft gebracht maar voor zijn veroordeling is overleden, terwijl het aannemelijk is dat hij, mocht hij niet zijn overleden, onwaardig zou zijn geweest op grond van art. 4:3 lid 1 onder Pro a BW. Hij verwijst hierbij naar de hiervoor in randnummer 3.33 besproken uitspraak van de rechtbank Middelburg. [107] Ook noemt hij het voorbeeld waarin Tatiana uit ‘de Roemeense erflater’, voor het geval Aurel A. onwaardig zou zijn, een Algemeen Nut Beogende Instelling (hierna: ‘ANBI’) tot enig erfgenaam zou hebben benoemd. Uit ‘de Roemeense erflater’ volgt dan volgens Perrick niet dat Aurel A. als onwaardig dient te worden aangemerkt. Het aanvaarden van hem als erfgenaam van Tatiana leidt immers niet tot een inbreuk op het
family lifevan de ANBI. In zo’n geval zou, zo begrijp ik, de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid volgens Perrick ertoe kunnen leiden dat het toch onaanvaardbaar is om Aurel A. toe te laten in de nalatenschap van Tatiana. [108] De Vries komt in dit voorbeeld tot eenzelfde conclusie, zij het op grond van art. 14 EVRM Pro (verbod van discriminatie) in combinatie met art. 1 Eerste Pro Protocol bij het EVRM (bescherming van eigendom). [109] Daarnaast heeft De Vries betoogd dat, indien er sprake is van
family lifein de zin van art. 8 EVRM Pro en voldoende vaststaat dat een erfrechtelijk verkrijger de erflater opzettelijk om het leven heeft gebracht en dit aan zijn schuld te wijten is maar het niet tot een veroordeling is gekomen omdat hij onvindbaar of overleden is, de rechter met een beroep op ‘de Roemeense erflater’ art. 4:3 lid 1 sub a BW Pro verdragsconform moet uitleggen om tot onwaardigheid te komen. [110] De toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid heeft wat haar betreft in zo’n geval niet de voorkeur. Zij voert hiertoe aan dat het EHRM heeft benadrukt dat de eis van een strafrechtelijke veroordeling voor onwaardigheid de rechtszekerheid dient. Door de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid toe te passen wordt aan de rechtszekerheid volgens De Vries juist afbreuk gedaan.
onder meer” is voldaan aan een van de daarna opgenomen gronden. Hiermee krijgt de civiele rechter de ruimte om zelf te bepalen of een bepaalde gedraging die naar de letter niet onder een van de specifiek genoemde onwaardigheidsgronden valt toch dermate ernstig is dat onwaardigheid moet volgen. Daarnaast bepleit zij aanpassing van enkele onwaardigheidsgronden en de toevoeging van twee nieuwe specifieke gronden. Voor deze zaak is de door De Vries voorgestelde aanpassing van art. 4:3 lid 1 onder Pro a BW en een nieuwe aldaar op te nemen specifieke grond relevant. In haar voorstel is iemand onwaardig indien de strafrechter bewezen heeft verklaard dat hij de erflater opzettelijk heeft omgebracht, dan wel dat hij een misdrijf heeft gepleegd tegen de erflater met diens dood tot gevolg. De nadruk ligt in dit geval op de bewezenverklaring van de gedraging en niet op de onherroepelijke veroordeling van de dader. De Vries stelt verder, geïnspireerd door wetgeving in België (het hiervoor in voetnoot 79 al genoemde art. 4.6 van het nieuwe Belgisch BW), voor een nieuwe grond op te nemen bij art. 4:3 lid 1 onder Pro a BW. Onwaardig is hij van wie bij onherroepelijke uitspraak door de civiele rechter is vastgesteld dat hij een feit als bedoeld in art. 4:3 lid 1 sub a BW Pro heeft gepleegd, maar voor dat feit geen bewezenverklaring is gevolgd omdat hij is overleden. Met een dergelijke wijziging van art. 4:3 BW Pro neemt, aldus De Vries, (de noodzaak voor) toepassing van de (met onzekerheid gepaard gaande) beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid af, neemt de rechtszekerheid navenant toe en wordt voldaan aan de eisen van het EHRM. [111]
uitzonderlijke situaties” en dat “
zware eisen” moeten worden gesteld voordat de conclusie van onwaardigheid kan worden getrokken. [112] In wezen betreft het dus een met die van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid vergelijkbare toets. [113] Ik zie dan ook niet meteen welke meerwaarde het heeft om het limitatieve stelsel van art. 4:3 lid 1 BW Pro te vervangen door een gedeeltelijk open norm. Zie nog randnummer 3.39 hierna.
family lifein de zin van art. 8 EVRM Pro. Om op dit punt voor de toekomst helderheid te verschaffen heeft De Vries al eerder een wetswijziging bepleit. Kamervragen over (het vonnis van de rechtbank in) de onderhavige zaak hebben ertoe geleid dat minister voor Rechtsbescherming Weerwind daadwerkelijk een wetswijziging van art. 4:3 BW Pro heeft aangekondigd. Deze vragen en de aankondiging naar aanleiding daarvan komen hierna ter sprake in paragraaf (iv) waarin ik ook stilsta bij de maatschappelijke impact van deze zaak.
de Beuningse martelmoord’ en meer specifiek het vonnis van de rechtbank in deze zaak, heeft tot de nodige maatschappelijke consternatie geleid. [114] Na het vonnis van de rechtbank verschenen verschillende nieuwsberichten waarin met ontzetting werd gereageerd op het feit dat [eiser] aanspraak kon maken op de erfenis van [betrokkene 1] . Op 24 september 2022 verscheen er bijvoorbeeld een artikel in de Gelderlander (een regionaal dagblad) met de kop “
[eiser] martelde zijn vrouw tot ze dood ging: nu wil hij haar erfenis, kan dat zomaar?” [115]
zeer onrechtvaardig voelt dat iemand van wie bewezen is verklaard dat hij zijn echtgenote om het leven heeft gebracht en daarvoor de maatregel tbs heeft opgelegd gekregen, nog aanspraak zou kunnen maken op haar erfenis. Voor de overige nabestaanden is dit heel pijnlijk. Ik snap dan ook de maatschappelijke verontwaardiging die hierover is ontstaan”. [116] Op de vraag of een wetswijziging nodig is opdat expliciet wordt gemaakt dat een dader – ontoerekeningsvatbaar of niet – geen voordeel kan hebben van zijn daad en dus niet kan erven van het slachtoffer dat is overleden, antwoordde de minister dat hij eerst het verdere verloop van de procedure wenste af te wachten. [117] Inmiddels is een wetsvoorstel “
onwaardigheid in het erfrecht” in interne voorbereiding. [118] De exacte inhoud van dit wetsvoorstel is (nog) niet bekend, maar de minister heeft reeds ten tijde van het hoger beroep in de onderhavige zaak aangekondigd art. 4:3 lid 1 BW Pro aan te passen zodat in de toekomst wordt uitgesloten dat iemand die tbs opgelegd heeft gekregen in verband met de moord op zijn vrouw, aanspraak kan maken op haar erfenis. [119] Het laatste nieuws op dit vlak is dat de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Van Ooijen, minister voor Rechtsbescherming Weerwind en minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Dijkgraaf op 7 juni 2024 een plan van aanpak ter voorkoming van femicide aan de Tweede Kamer hebben gestuurd, waaruit is op te maken dat deze cassatieprocedure met belangstelling wordt gevolgd. De uitspraak van Uw Raad in deze zaak “
zal worden betrokken bij de besluitvorming over een eventuele wijziging van beleid en/of regelgeving, specifiek artikel 4:3 BW Pro”. [120]
hij van wie de strafrechter bewezen heeft verklaard dat hij de erflater opzettelijk heeft omgebracht, dan wel bewezen heeft verklaard dat hij een misdrijf heeft gepleegd tegen de erflater met zijn dood tot gevolg”. [121] Onder dit regime zou de persoon die de erflater heeft omgebracht maar in verband hiermee is ontslagen van alle rechtsvervolging onwaardig zijn om te erven. Ook Diks & Lavrijssen bepleiten een aanpassing waardoor de civiele rechter meer mogelijkheden krijgt om een erfgenaam onwaardig te verklaren, ook als deze persoon niet strafrechtelijk is veroordeeld. [122] Brans & Raaijmakers zitten op hetzelfde spoor. Ook zij bepleiten een aanpassing van art. 4:3 lid 1 sub a BW Pro zodat een erfgenaam ook bij ontslag van alle rechtsvervolging geen voordeel kan genieten uit de nalatenschap van de erflater. [123]
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale cassatieberoep
family lifevan [eiser] gewogen en heeft het ten onrechte enkele niet ter zake doende omstandigheden meegewogen die bovendien niet in het wettelijke stelsel passen. Onderdeel D stelt dat het onwaardigheidsoordeel geen effectieve en proportionele maatregel is in de zin van het EVRM. Met onderdeel E, dat uiteenvalt in twee subonderdelen, ieder met eigen klachten, stelt [eiser] dat het hof met zijn onwaardigheidsoordeel buiten zijn bevoegdheid is getreden op een wijze die niet aansluit bij de wetsgeschiedenis en de opvattingen in andere verdragstaten. Onderdeel F bevat een herhaling van onderdelen A tot en met E maar dan voor zover het oordeel van het hof zou zijn gebaseerd op een rechtsverhouding beheerst door de redelijkheid en billijkheid die zou meebrengen dat [eiser] zijn rechten als erfgenaam niet geldend kan maken. Onderdeel G bevat een veegklacht.
zeer bijzondere situatie” waarin de dader ten onrechte door de Roemeense rechter niet als onwaardig was beoordeeld. Hierbij speelde (on)toerekeningsvatbaarheid van de dader geen enkele rol. Het onderdeel wijst vervolgens op de volgende zes (cruciale) punten waarop de zaak van de Roemeense erflater verschilt van de onderhavige zaak: [133]
family life) nu juist wel plaatsgevonden. [eiser] is volgens het onherroepelijke oordeel van de strafrechter ontoerekeningsvatbaar verklaard en dus niet veroordeeld. Daardoor is het ook uitgesloten dat hij op enig moment in de toekomst alsnog zal worden veroordeeld voor het feit dat hij [betrokkene 1] van het leven heeft beroofd (ne bis in idem-beginsel);
De strafbaarheid van de verdachte), huldigde de officier van justitie het standpunt dat [eiser] door zijn waanstoornis volledig los stond van de realiteit en daarom geheel ontoerekeningsvatbaar diende te worden verklaard. De verdediging heeft hierover geen standpunt ingenomen en [eiser] heeft zelf ter zitting verklaard dat hij geen waanstoornis, persoonlijkheidsstoornis of psychose had. Hij heeft er, zo bekeken, niet op aangestuurd dat een veroordeling achterwege zou blijven vanwege ontoerekeningsvatbaarheid en in het ontbreken van een veroordeling dus, anders dan Aurel A., ook niet zelf de hand gehad;
family lifeen dat het erfrecht hier een niet te verwaarlozen onderdeel van vormt (rov. 3.26.). Het heeft vervolgens oog gehad voor het feit dat de onwaardigheidsgrond van art. 4:3 lid 1 onder Pro a BW moet worden toegepast op een wijze die overeenstemt met het doel daarvan, waarbij het hof de nadruk heeft gelegd op de rechtszekerheid, en dat hier tot op zekere hoogte aan voldaan is omdat een strafrechter heeft vastgesteld dat [eiser] [betrokkene 1] opzettelijk om het leven heeft gebracht en enig inzicht in zijn handelen heeft gehad (rov. 3.25. en 3.28.). Dat de strafrechter heeft geoordeeld dat [eiser] zelf niet strafbaar was, heeft het hof erkend, maar gezien de bijzondere omstandigheden van deze zaak heeft het de eis van een strafrechtelijke veroordeling van art. 4:3 lid 1 onder Pro a BW, buiten toepassing gelaten om een te restrictieve en mechanische wetstoepassing te voorkomen (rov. 3.29.-3.32.). Ten aanzien van het door het EHRM geformuleerde uitgangspunt dat een onwaardigheidsbepaling moet worden toegepast in overeenstemming met haar doel, merk ik nog op dat het hof met zijn oordeel dat [eiser] uiteindelijk toch onwaardig is om voordeel te trekken uit de nalatenschap van [betrokkene 1] naar alle waarschijnlijkheid recht heeft gedaan aan de vermoedelijke wil van [betrokkene 1] als erflater (randnummer 3.3 hiervoor). Zo bekeken zou het art. 4:3 lid 1 onder Pro a BW naar zijn doelstelling hebben toegepast. Aangenomen mag worden dat [betrokkene 1] niet had gewild dat [eiser] van haar zou erven als zij had geweten wat [eiser] haar zou gaan aandoen, ongeacht of hij daarbij onder invloed van een psychose zou handelen of niet.
cruciale verschillen” niet kunnen leiden tot het oordeel dat het hof heeft miskend dat de situatie in de zaak (en het arrest) van de Roemeense erflater op cruciale punten verschilt met onderhavige zaak en daarmee een te ruime toepassing van art. 8 EVRM Pro heeft gegeven. Het hof heeft enkele algemene uitgangspunten overgenomen uit ‘de Roemeense erflater’ en vervolgens zelf een belangenafweging gemaakt in de specifieke omstandigheden van de onderhavige zaak. Het enkele feit dat die omstandigheden verschillen van de omstandigheden die het EHRM heeft gewogen, maakt niet dat het hof in het bestreden arrest een te ruime toepassing aan art. 8 EVRM Pro heeft gegeven en zoals ik in randnummer 4.6 hiervoor heb toegelicht acht ik de wijze waarop het hof art. 8 EVRM Pro in deze zaak heeft toegepast juist en het daarop gebaseerde oordeel begrijpelijk. Ik merk, ten overvloede, in verband met de aangevoerde verschillen nog het volgende op: [136]
eerste klacht [137] van onderdeel B is gericht tegen rov. 3.29. Het hof heeft hierin overwogen dat met de uitkomst van de strafrechtelijke procedure, zonder te letten op het eindresultaat van ontoerekeningsvatbaarheid, vaststaat dat [eiser] de daad heeft gepleegd “
waaraan art. 4:3 lid 1 onder Pro a BW onwaardigheid verbindt”. Dit oordeel is volgens de klacht rechtens onjuist en onbegrijpelijk. De wetgever heeft met art. 4:3 lid 1 onder Pro a BW immers juist
nietonwaardigheid verbonden aan het enkele feit dat [eiser] volgens de strafrechter
de daad heeft gepleegd, maar aan een
veroordeling. Daarvoor is naar algemeen aanvaarde strafrechtelijke maatstaven meer vereist dan dat de verdachte de daad heeft gepleegd. Vereist is dat de verdachte ook een verwijt kan worden gemaakt. Dat is bij volledige ontoerekeningsvatbaarheid niet het geval en het door het hof in rov 3.29. genoemde “
(enig) inzicht” in zijn handelen is onvoldoende om een dergelijk verwijt te rechtvaardigen.
in zoverre” aldus het hof in rov. 3.29., is voldaan aan de eis dat voor onwaardigheid een strafrechtelijke veroordeling nodig is en staat vast dat aan die vereisten (die zien op de daad) in de onderhavige zaak is voldaan. In dit licht moet de laatste zin van rov. 3.29. worden gelezen waarin het hof heeft geoordeeld dat “
volgens de regels van het Wetboek van Strafrecht en van Strafvordering wordt bepaald of hij de ‘daad’ heeft gepleegd waaraan artikel 4:3 lid 1 onder Pro a BW onwaardigheid verbindt.” Vervolgens heeft het hof zich in rov. 3.30. gericht op de vierde voorwaarde die nodig is voor een strafrechtelijke veroordeling. Dit blijkt ook uit de eerste zin van die rechtsoverweging: “
De eis van een strafrechtelijke veroordeling dient er verder toe dat in een strafrechtelijke procedure wordt vastgesteld dat de dader strafbaar is”. Daarna heeft het hof vastgesteld dat [eiser] niet strafrechtelijk veroordeeld is omdat hij ontoerekeningsvatbaar was op het moment dat hij [betrokkene 1] van het leven beroofde. Vervolgens heeft het toegelicht waarom het toch tot het oordeel is gekomen dat art. 8 EVRM Pro in het onderhavige geval meebrengt dat de eis van een strafrechtelijke veroordeling buiten toepassing moet blijven. Uit het voorgaande volgt dat het hof dus wel degelijk oog heeft gehad voor het feit dat met een strafrechtelijke veroordeling is vereist dat is komen vast te staan dat de dader de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd
endat hij strafbaar is omdat hem een verwijt kan worden gemaakt.
tweede klacht [138] van onderdeel B heeft het hof uit het oog verloren dat onwaardigheid in de zin van art. 4:3 lid 1 onder Pro a BW door de eis van een strafrechtelijke veroordeling juist ook over de (strafbaarheid van de) persoon gaat en niet sec over de daad. Het hof heeft daarom ten onrechte, in de woorden van de klacht, aan het slot van rov. 3.22. overwogen dat het bij de erfrechtelijke onwaardigheid gaat om de gedraging. Dat sluit bovendien niet aan bij rov. 3.15., 3.18., 3.22.-3.23. en 3.30. over de reikwijdte van (het vereiste van) een strafrechtelijke veroordeling en de strekking van art. 4:3 lid 1 onder Pro a BW, waarin het gaat om de (strafbare) dader, waardoor het arrest innerlijk tegenstrijdig is.
om de gedraging”. De klacht miskent echter dat het hof direct daarna wel degelijk ook de eis van de strafbaarheid van de dader benoemt: “
De eis van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling dient ertoe juridisch vast te stellen dat de ‘dader’ de feiten heeft gepleegd en dat hij strafbaar is”. Ten slotte merk ik nog op dat het hof de eis van een strafrechtelijke veroordeling voor onwaardigheid niet categorisch opzij heeft gezet en heeft geoordeeld dat onwaardigheid moet volgen in alle gevallen waarin de erfgenaam volledig ontoerekeningsvatbaar is verklaard voor het om het leven brengen van de erflater. Het hof is vanwege de bijzondere omstandigheden van dit geval (rov. 3.30.-3.31.) tot het oordeel gekomen dat [eiser] , ondanks de eis van een strafrechtelijke veroordeling, onwaardig is om te erven van [betrokkene 1] .
derde klacht [139] is gericht tegen rov. 3.28. en 3.29. Het hof heeft hierin overwogen dat de eis van een strafrechtelijke veroordeling van art. 4:3 lid 1 onder Pro a BW de rechtszekerheid dient, maar heeft daarna overwogen (a) dat onverkort vasthouden aan een strafrechtelijke veroordeling vanwege de rechtszekerheid, afbreuk doet aan het familieleven van [verweerder] (rov. 3.28.) en (b) dat ook door het enkele vaststellen door de strafrechter dat de daad door [eiser] is begaan, zonder daarbij te letten op het uiteindelijke oordeel van ontoerekeningsvatbaarheid, toch voldaan is aan de eis van rechtszekerheid en afdoende rekening wordt gehouden met het belang van [eiser] (rov. 3.29.). Het hof heeft hiermee miskend, althans heeft onvoldoende (kenbaar) meegewogen, dat het bij uitstek in strijd met de door het EHRM in rov. 128. en 131. van zijn arrest van de Roemeense erflater genoemde rechtszekerheid is, en in strijd met de belangen van [eiser] , wanneer in een geval waarin een onherroepelijk strafrechtelijk oordeel van ontoerekeningsvatbaarheid bestaat, daaraan door het hof in een civiele zaak geen (kenbaar) belang of althans niet het juiste gewicht wordt toegekend.
zoverre” dus is voldaan aan de eis van rechtszekerheid (rov. 3.29.). Vervolgens is het hof, gezien de bijzondere omstandigheden die het heeft genoemd in rov. 3.30.-3.31., tot het oordeel gekomen dat een juist evenwicht tussen het belang van [eiser] en het door art. 8 lid 1 EVRM Pro beschermde belang van [verweerder] (respect voor zijn
family life) ontbreekt als in deze zaak geen rekening zou worden gehouden met de bijzondere omstandigheden die zien op de relatie van [eiser] met [betrokkene 1] en van [eiser] met [verweerder] en zijn familie. Daarmee heeft het hof ook geoordeeld dat het oordeel van de strafrechter dat [eiser] ontoerekeningsvatbaar is verklaard voor de doodslag van [betrokkene 1] , gezien deze omstandigheden, van onvoldoende gewicht is om tot het oordeel te kunnen komen dat [eiser] niet onwaardig is om te erven van [betrokkene 1] . Zoals blijkt uit randnummers 3.30-3.31 hiervoor, kon het hof uit ‘de Roemeense erflater’ afleiden dat het op grond van bijzondere omstandigheden de eis van een onherroepelijke veroordeling opzij kon zetten. Het voorgaande betekent dat de klacht niet kan worden gevolgd in haar stelling dat het hof geen (kenbaar) belang of althans niet het juiste gewicht heeft toegekend aan het oordeel van de strafrechter dat [eiser] ontoerekeningsvatbaar is verklaard voor de doodslag van [betrokkene 1] .
vierde klacht [140] denatureert het hof met dit “
cherrypicken” uit het strafvonnis het oordeel van de strafrechter. Het hof heeft geen (kenbaar) belang toegekend aan hetgeen het in (beide) [141] rov. 3.6. [142] van het bestreden arrest heeft overwogen, waarin het heeft geciteerd uit het strafvonnis. Dit brengt mee dat de weging van het hof in rov. 3.30. en 3.31. van de gedragingen van [eiser] , voor zover juridisch mogelijk (hierbij verwijst de klacht naar onderdeel C), in het verkeerde, onvolledige, kader is gebeurd en onvoldoende is gemotiveerd, in het bijzonder waar het hof zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de invloed van de psychose over een langere periode. Hierbij wijst de klacht nog op het volgende:
Psychische toestand verdachte” opgenomen informatie. De strafrechter heeft daarin overwogen dat getuige 2 en de broer van [eiser] hebben verklaard dat de achtervolgingswaan van [eiser] tijdens de relatie met [betrokkene 1] steeds sterker werd, dat uit het buurtonderzoek naar voren kwam dat [eiser] in de weken voor het overlijden van [betrokkene 1] verward gedrag heeft vertoond, verdwaasd rondliep, er verwaarloosd en vervuild uitzag en regelmatig liep te schreeuwen in de tuin. [144]
vijfde klacht [147] is gericht tegen rov. 3.29. tot en met 3.31. Door het negeren van de door de strafrechter vastgestelde, over een lange periode lopende, psychische gesteldheid van [eiser] , ook voorafgaand aan het overlijden van [betrokkene 1] , zijn de feiten die het hof in rov. 3.30.-3.31., [148] zonder enig onderscheid naar wanneer zij zouden zijn begaan, in zijn belangenafweging heeft betrokken, niet van het juiste kader voorzien. Ook is het oordeel van het hof in rov. 3.31., een juist evenwicht tussen het belang van [eiser] en het door art. 8 lid 1 EVRM Pro beschermde belang van [verweerder] ontbreekt als geen rekening wordt gehouden met de bijzondere omstandigheden van de relatie tussen [eiser] en [betrokkene 1] en tussen [eiser] en [verweerder] en zijn familie, onvoldoende gemotiveerd. Hier wreekt zich, aldus de klacht, het feit dat het hof zichzelf op de stoel van de strafrechter heeft geplaatst, zonder deskundige voorlichting door een psycholoog/psychiater, en het zelf onvoldoende ingevoerd is in de problematiek van psychische aandoeningen maar desalniettemin een moreel oordeel heeft geveld over hetgeen zich heeft voorgedaan. Dit wreekt zich in het bestreden arrest in het bijzonder in het oordeel dat voldaan is aan de eis van rechtszekerheid en bescherming van de belangen van [eiser] , waar het hof het afdoende heeft geacht dat een strafrechter de daad strafbaar heeft gevonden vanwege “
enig inzicht” in het handelen van [eiser] (rov. 3.29.) en daar waar het hof [eiser] verschillende daden heeft toegerekend waarvan de strafrechter heeft geoordeeld dat zij zijn begaan in de periode van een psychose (rov 3.31.).
zesde klacht [149] van onderdeel B dat het hof in rov. 3.31. als feit van algemene bekendheid heeft genegeerd dat een psychose zowel acuut kan ontstaan als sluipenderwijs. [150] De opmerking van het hof dat niet is vastgesteld dat [eiser] ten aanzien van “
al deze gedragingen” voor en na het ombrengen van [betrokkene 1] ontoerekeningsvatbaar was (rov. 3.31.), mist dan ook gewicht, of behoefde in ieder geval (nadere) motivering. Daarnaast is deze overweging onbegrijpelijk omdat het hof hier dan kennelijk wel ineens van belang heeft gevonden of [eiser] al dan niet ontoerekeningsvatbaar was. Door dit alles is het oordeel onvoldoende gemotiveerd.
family lifevan [eiser] heeft meegewogen. Het subonderdeel valt uiteen in drie klachten.
eerste klacht [158] heeft het hof op verschillende plaatsen in het bestreden arrest overwogen dat het de belangen van [eiser] heeft meegewogen (rov. 3.27. tot en met 3.29.), maar heeft het hof nergens (kenbaar) het
family lifevan [eiser] meegewogen. Ten onrechte heeft het hof het
family lifevan [eiser] niet genoemd in rov. 3.26. waarin het heeft overwogen dat het erfrecht tussen naaste familieleden nauw verbonden is met
family life. Door [eiser] onwaardig te verklaren zodat hij niet kan erven van zijn echtgenote [betrokkene 1] , heeft het hof diep ingegrepen in het
family lifevan [eiser] . In een arrest van 28 mei 1985 [159] heeft het EHRM bepaald dat het gegeven dat twee mensen getrouwd zijn,
family lifein de zin van art. 8 EVRM Pro veronderstelt. Het hof heeft in zijn oordeel echter niet (kenbaar) meegewogen, althans niet in voldoende mate, de bescherming van
family lifewaarop ook [eiser] als echtgenoot, ondanks zijn tijdens een psychose begane daad, op grond van art. 8 EVRM Pro aanspraak heeft. In rov. 3.27. heeft het hof weliswaar het belang van [eiser] betrokken in zijn overweging, maar dit was beperkt tot (enkel) het zijn van erfgenaam van [betrokkene 1] . Het hof heeft daarentegen wel het
family lifevan [verweerder] in zijn afweging betrokken (rov. 3.27., 3.28., 3.30. tot en met 3.32.). Van een toereikende weging is dus niet (kenbaar) sprake.
family lifedat door art. 8 EVRM Pro wordt beheerst. Waar het hof dus vervolgens in zijn belangenafweging aandacht heeft voor het belang van [eiser] om te kunnen erven van [betrokkene 1] , heeft het hof het
family lifevan [eiser] betrokken bij zijn afweging. Dit heeft het hof bijvoorbeeld gedaan in rov. 3.27. waar het hof het belang van [eiser] heeft benoemd om bij het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling erfgenaam van [betrokkene 1] te kunnen zijn. Vervolgens heeft het hof in rov. 3.31. specifiek een aantal omstandigheden genoemd die betrekking hebben op de relatie tussen [eiser] en [betrokkene 1] , zij het niet in het voordeel van [eiser] : de gruwelijke wijze waarop [eiser] [betrokkene 1] om het leven heeft gebracht en daarmee het door art. 2 EVRM Pro beschermde recht op leven van [betrokkene 1] heeft geschonden, de agressieve, grensoverschrijdende en angstwekkende wijze waarop [eiser] zich in de jaren daarvoor jegens [betrokkene 1] heeft gedragen, de omstandigheid dat [eiser] [betrokkene 1] heeft geïsoleerd van haar familie en vrienden en haar psychisch en fysiek heeft mishandeld en niet is gebleken dat hij toen ook ontoerekeningsvatbaar was, het gegeven dat het vermogen van [betrokkene 1] nagenoeg geheel bestaat uit hetgeen zij heeft geërfd van haar ouders terwijl [eiser] geen enkel vermogen had toen hij met [betrokkene 1] trouwde terwijl hun huwelijk net aan twee jaar heeft geduurd. Kortom, het hof heeft wel degelijk aandacht gehad voor het
family lifevan [eiser] , zowel wat betreft zijn erfrechtelijke aanspraak op de nalatenschap van [betrokkene 1] als zijn huwelijk met [betrokkene 1] . Dat het hof deze omstandigheden uiteindelijk in het nadeel van [eiser] heeft gewogen, maakt de weging niet, anders dan de klacht betoogt, ontoereikend. Ten slotte merk ik ook op dat [eiser] in feitelijke instanties zelf geen (andere) omstandigheden ten aanzien van zijn
family lifeheeft aangevoerd op basis waarvan de door het hof gemaakte belangenafweging in zijn voordeel zou moeten uitvallen. Voor zover daarbij moet worden gedacht aan de stelling van [eiser] dat [verweerder] € 300.000 zou hebben onttrokken aan het vermogen van zijn ouders, [160] moet worden bedacht dat [verweerder] deze stelling gemotiveerd heeft betwist en daarom niet in rechte is komen vast te staan dat [verweerder] dit bedrag daadwerkelijk heeft verduisterd. Zie ook randnummer 4.31 hierna.
tweede klacht [161] geldt dat, voor zover het hof het
family lifevan [eiser] al gewogen zou hebben, het hier niet (kenbaar) bij heeft betrokken dat het EHRM in vaste rechtspraak heeft geoordeeld dat familiebanden tussen volwassenen en hun broers en zussen (zoals in dit geval tussen [verweerder] en [betrokkene 1] ), minder vergaande bescherming verdienen, tenzij er bewijs is van elementen in die relatie van een afhankelijkheid die meer inhoudt dan de normale emotionele banden. [162] Ook in het BW is de huwelijksband in het erfrecht een sterkere band dan de bloedband. Op grond van art. 4:10 BW Pro erft de echtgenoot, ook al zijn er broers en zussen. Het hof heeft dit miskend en is daarmee uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting bij zijn weging van de belangen van partijen (rov. 3.27. en 3.30. tot en met 3.32.).
derde klacht [163] stelt dat, voor zover het hof heeft geoordeeld of althans er vanuit is gegaan dat de familieband tussen [betrokkene 1] en [verweerder] zodanig uitzonderlijk is dat er een afhankelijkheidsrelatie zou bestaan als door het EHRM is bedoeld, dat oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd nu het daarover niets heeft overwogen. [eiser] heeft bovendien in feitelijke instanties steeds aangevoerd dat [betrokkene 1] sinds 2011 een conflict had met [verweerder] in verband met het vermoeden van [betrokkene 1] dat [verweerder] ruim € 300.000 had onttrokken aan het vermogen van hun ouders zonder dat dit aan de destijds nog levende vader ten goede kwam, dat zij al een advocaat in de arm had genomen en dat het uitsluitend door het overlijden van [betrokkene 1] niet tot een procedure daarover is gekomen. [164] Daarmee heeft [eiser] stellingen betrokken over het
family lifevan [verweerder] met [betrokkene 1] waarop het hof niet heeft gerespondeerd terwijl deze in een afweging van het
family lifevan [eiser] tegenover dat van [verweerder] gewicht in de schaal kunnen leggen.
subonderdeel C.2heeft het hof niet ter zake doende gegevens meegewogen, die bovendien niet in het wettelijk stelsel passen. Het subonderdeel bevat vier klachten.
eerste klacht [166] stelt [eiser] dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel dat hij zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, waar het hof in rov. 3.30. heeft verwezen naar de in rov. 3.7. tot en met 3.12. opgenomen verklaringen van de familie van [betrokkene 1] over de relatie tussen [eiser] en [betrokkene 1] en hetgeen [eiser] in die tijd deed of zou hebben gedaan jegens [betrokkene 1] en haar familie en hun vriend. Het hof heeft verschillende stellingen over deze “
bijzondere omstandigheden” opgesomd in rov 3.31., die meewegen in zijn oordeel in rov. 3.32.-3.33. Vele van deze “
bijzondere omstandigheden" die het hof bij zijn oordeel heeft betrokken voldoen echter niet aan het voor alle gronden van onwaardigheid geldende vereiste van een daad die is gepleegd jegens de erflater. De erfgenaam is immers onwaardig in die relatie en niet in de relatie tot de familie van de erflater of diens vrienden, die immers ook steeds een eigen belang hebben bij onwaardigheid van een (mede)erfgenaam. Dit blijkt ook, aldus de klacht, uit het feit dat het alleen de erflater is die vergiffenis kan schenken op grond van art. 4:3 lid 3 BW Pro.
tweede klacht [167] is het meewegen van dergelijke omstandigheden (zie de eerste klacht van subonderdeel C.2) ook in strijd met de door het EHRM benadrukte rechtszekerheid. Het al dan niet intreden van de sanctie van onwaardigheid, hetgeen van rechtswege geschiedt, wordt door het hof, doordat het de in rov. 3.31. genoemde omstandigheden in zijn oordeel betrekt, namelijk onderworpen aan de invloed van een onbepaald arsenaal gegevens en voorvallen die zich kennelijk ook na het overlijden [168] kunnen voordoen over een onbepaalde tijd en met betrekking tot een onbepaalde kring van derden. [169] Dit past niet binnen het wettelijk stelsel waarin vererving (en ook onwaardigheid daartoe) van rechtswege plaatsvindt door en bij het overlijden. Hiervoor is ook geen steun te vinden in het door het hof in zijn afwegingen betrokken arrest inzake de Roemeense erflater, noch in art. 8 EVRM Pro in het algemeen, nu een dergelijke benadering in strijd is met de door het EHRM benadrukte rechtszekerheid.
derde klacht [171] gaat de beslissing van het EHRM in het arrest van de Roemeense erflater in rov. 129. en 133. over een te mechanische en rigide toepassing van het nationale recht, niet zover dat bij de vraag naar onwaardigheid ook andere omstandigheden dan de levensberoving zelf op grond van art. 8 EVRM Pro in aanmerking genomen zouden moeten worden. Het mechanische en rigide karakter van de uitspraak van de Roemeense rechter zag volgens het EHRM enkel op het strikt vasthouden aan een strafrechtelijke veroordeling voor de levensberoving. Ook art. 4:3 lid 1 onder Pro a BW voorziet alleen onder voorwaarden in onwaardigheid wegens levensberoving, zodat het hof ten onrechte bij ‘de Roemeense erflater’ heeft aangeknoopt om te rechtvaardigen dat het ook andere omstandigheden heeft meegewogen.
vierde klacht [173] stelt dat het hof, met het afwijken van het vereiste zoals dat is neergelegd in art. 4:3 lid 1 onder Pro a BW en het in de plaats daarvan, naar ik begrijp, meewegen wat de verwijten van [verweerder] aan [eiser] zijn, een geheel nieuw en in Europa eenzaam juridisch pad is ingeslagen (hier verwijst de klacht ook naar onderdeel A en subonderdeel E.2). Dit hoefde [eiser] niet te verwachten en klemt met name waar het hof heeft geoordeeld dat de in rov. 3.7. tot en met 3.11. gestelde “
verwijten van [verweerder] terecht zijn” omdat [eiser] daarop geen verdere toelichting gaf, waarna het hof deze als waar heeft meegewogen (rov. 3.12. en 3.30. tot en met 3.32.). Het hof had [eiser] in de gelegenheid moeten stellen hier alsnog verweer tegen te voeren en heeft door dat niet te doen een verrassingsbeslissing genomen.
een geheel nieuw en in Europa eenzaam juridisch pad” zou hebben ingeslagen, kan ik niet zonder meer vaststellen en is ook niet relevant. Het gaat in deze zaak immers om de bijzondere omstandigheden die het hof in rov. 3.30.-3.31. heeft meegenomen in zijn belangenafweging en op grond waarvan het hof tot zijn oordeel is gekomen dat een redelijke wetstoepassing in dit geval meebrengt dat bij de toepassing van art. 4:3 lid 1 onder Pro a BW de eis van een strafrechtelijke veroordeling buiten toepassing moet blijven. Op voorhand kan niet worden gezegd hoe rechters in andere verdragstaten van het EVRM, bij bijzondere omstandigheden als in deze zaak, zouden oordelen. De klacht miskent eveneens dat [eiser] reeds in zijn memorie van antwoord de mogelijkheid heeft gehad om te reageren op de door [verweerder] gestelde verwijten en overgelegde producties. [verweerder] heeft de door het hof in rov. 3.7. tot en met 3.11. genoemde verklaringen [176] in zijn memorie van grieven in het geding gebracht [177] en toegelicht waarom [eiser] op grond van, onder meer, deze omstandigheden onwaardig is om van [betrokkene 1] te erven. [178] [eiser] heeft in zijn memorie van antwoord slechts beperkt op deze verklaringen gereageerd. Hij heeft de inhoud van de verklaringen enkel bloot ontkend en niet nader gemotiveerd waarom zij in zijn ogen onjuist zouden zijn. [179] Er bestond dus geen enkele reden voor het hof om [eiser] nog de mogelijkheid te geven om op de verklaringen te reageren. Van een verrassingsbeslissing is, als gezegd, dan ook geen sprake. Voor zover de klacht verwijst naar onderdeel A en subonderdeel E.2, verwijs ik naar mijn bespreking daarvan. Zie voor onderdeel A randnummers 4.3-4.8 hiervoor en voor subonderdeel E.2 randnummers 4.51-4.53 hierna.
onderdeel Dis het oordeel van het hof dat [eiser] onwaardig is om te erven van [betrokkene 1] geen effectieve en proportionele maatregel.
family lifevan [eiser] (zie subonderdeel C.1) en in zijn recht op eigendom zoals bedoeld in art. 1 Eerste Pro Protocol van het EVRM, betekent dat hier sprake is van een niet effectieve en disproportionele maatregel in de zin van het EVRM. [181] De onwaardigheid van [eiser] om te erven is immers geen oplossing voor de weerzin en de angst van [verweerder] , zodat het in de zin van het EVRM
geen effectievemaatregel betreft. Die weerzin en angst zouden beter en proportioneler kunnen worden afgewend met andere maatregelen, zoals een contactverbod. Het onwaardig verklaren van [eiser] is bovendien een disproportionele maatregel in de zin van het EVRM. Het hof heeft aan het einde van rov. 3.31. meegewogen dat [eiser] en [verweerder] samen de afwikkeling van de nalatenschappen van de ouders van [verweerder] en [betrokkene 1] moeten regelen. Ook op andere, minder ingrijpende, manieren dan een verklaring van onwaardigheid kan juridisch en daarmee ook feitelijk afstand gecreëerd worden tussen [eiser] en [verweerder] en zijn familie. Zo heeft [verweerder] blijkens de verklaring van erfrecht een vertegenwoordiger inzake de afwikkeling aangewezen. [182] Dat verschillende, minder ingrijpende juridische mogelijkheden bestaan om aan de weerzin en angst tegemoet te komen en om eventuele problemen bij het afwikkelen van de nalatenschap op een minder ingrijpende manier op te lossen, heeft het hof ten onrechte niet in zijn oordeel betrokken.
datde erfenis van de ouders van [betrokkene 1] en [verweerder] met [eiser] moet worden gedeeld niet wegnemen.
Het hof treedt buiten zijn bevoegdheid en doet dit op een wijze die niet aansluit bij de wetsgeschiedenis en de opvattingen in andere verdragsstaten”
onderdeel Estelt [eiser] dat het hof, door aan de in rov. 3.30.-3.31. genoemde feiten en omstandigheden gewicht toe te kennen, is opgehouden de nationale wet over onwaardigheid in het licht van art. 8 EVRM Pro te interpreteren of buiten toepassing te laten en dat het hof is begonnen eigen regels te scheppen. Dit doet het hof op een manier die de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat. De regels die het hof heeft gemaakt zijn niet verenigbaar met de jurisprudentie van het EHRM over onwaardigheid [184] en met ons wettelijk stelsel. [185] Het hof heeft (de ernst van) de afwijking van de wil van de wetgever en de zwaarte die dit in zijn afweging moet hebben, miskend door een onvolledige en onjuiste weergave van de wetsgeschiedenis bij de verschillende wettelijke bepalingen (subonderdeel E.1). Ook heeft het hof niet (kenbaar) onder ogen gezien dat het met zijn oordeel is afgeweken van de rechtsopvatting binnen alle ons omringende verdragsstaten bij het EVRM (subonderdeel E.2). Het oordeel gaat door dit alles uit van een onjuiste rechtsopvatting en is onvoldoende gemotiveerd. [186] Het onderdeel valt uiteen in de twee subonderdelen, waarvan het eerste subonderdeel verschillende klachten bevat.
eerste klacht, [187] overwogen dat uit de wetsgeschiedenis enkel zou blijken dat er geen aanknopingspunt is om aan te nemen dat de wetgever de niet strafbare dader onder het bereik van de bepaling wilde brengen (rov. 3.17.) en dat slechts “
niet aannemelijk” is dat de wetgever het geval dat de dader niet strafbaar is onder onwaardigheid wilde brengen (rov. 3.18.). Eveneens ten onrechte heeft het hof in rov. 3.22. overwogen dat de wetgever bij de totstandkoming van art. 4:3 lid 1 onder Pro a BW niet onder ogen heeft gezien dat een verdachte ontslagen kan worden van alle rechtsvervolging vanwege een psychische stoornis. Immers, anders dan het hof heeft overwogen, blijkt uit de wetsgeschiedenis meer: de wetgever acht, van oudsher en conform de rechtsopvatting in de ons omringende landen, vanzelfsprekend dat de ontoerekeningsvatbare dader niet valt onder de reikwijdte van de bepaling. Blijkens het “
Stenografisch verslag van een wetgevingsoverleg van de vaste commissie voor Justitie” gaan daarom zowel de vraagsteller (Kamerlid Swildens-Rozendaal) als de Minister er in de vraagstelling respectievelijk het antwoord als vanzelfsprekend vanuit dat indien sprake is van overmacht of een andere strafuitsluitingsgrond, geen sprake is van onwaardigheid in de zin van art. 4:3 lid 1 onder Pro a BW. [188]
tweede klacht [189] strookt het brengen van een ontoerekeningsvatbare dader onder de figuur van onwaardigheid, anders dan het hof in rov. 3.22. heeft overwogen, niet met de uitdrukkelijke wens van de wetgever bij de regeling over vernietiging van een schenking bij “
onwaardigheid” (art. 7:184 lid 1 BW Pro). Bij een strafuitsluitingsgrond (zoals een psychische stoornis) kan door de schenker op deze bepaling geen beroep worden gedaan. [190] Niet valt in te zien waarom de wetgever zou menen dat voor vererving op dit punt iets anders zou moeten gelden dan bij schenking. De wetgever zag hier dus, anders dan het hof heeft overwogen, wel degelijk de mogelijkheid onder ogen dat de dader niet strafrechtelijk is veroordeeld maar is ontslagen van alle rechtsvervolging bijvoorbeeld wegens een psychische stoornis. Het bestreden arrest is hier innerlijk tegenstrijdig nu het hof dit wel in rov. 3.20. heeft onderkend, maar in rov. 3.22. heeft overwogen dat de wetgever een dergelijke situatie niet onder ogen heeft gezien.
niet aannemelijk” is dat onwaardigheid de ontoerekeningsvatbare dader bestrijkt, maar heeft, aldus de
derde klacht, [191] verzuimd te vermelden dat dit van oudsher simpelweg vanzelfsprekend niet zo was. De klacht verwijst hiervoor naar een commentaar op art. 727 Code Pro Civil uit 1837, [192] dat als volgt in de procesinleiding is vertaald:
ontkennendmoet worden beantwoord (rov. 3.14.-3.23.). Het hof is er dus, zoals de klachten klaarblijkelijk ook voorstaan, vanuit gegaan dat wanneer het gaat om een persoon die is ontslagen van alle rechtsvervolging wegens een strafuitsluitingsgrond niet is voldaan aan de eis van een strafrechtelijke veroordeling voor onwaardigheid in de zin van art. 4:3 lid 1 onder Pro a BW, zodat deze persoon dus in beginsel niet onwaardig is om te erven. Na deze tussenconclusie is het hof vervolgens ingegaan op de rol van art. 8 EVRM Pro in de onderhavige zaak en heeft het, na een belangenafweging, geoordeeld dat, gezien het bepaalde in art. 8 lid 1 EVRM Pro en gezien de bijzondere omstandigheden van onderhavige zaak, een redelijke wetstoepassing in dit specifieke geval meebrengt dat de eis van een strafrechtelijke veroordeling bij de toepassing van art. 4:3 lid 1 onder Pro a BW buiten toepassing moet blijven. Het gevolg daarvan is dat [eiser] uiteindelijk toch onwaardig is om uit de nalatenschap van [betrokkene 1] voordeel te trekken (rov. 3.23.-3.32.).
common ground-methode). Het hof heeft dit miskend door deze rechtsontwikkelingen niet (kenbaar) in zijn oordeel te betrekken. Dit klemt te meer omdat die rechtsopvattingen steeds behelzen dat ontoerekeningsvatbaarheid in de weg staat aan onwaardigheid, zowel voor als na het arrest in de zaak van de Roemeense erflater. Het subonderdeel verwijst hiervoor naar de rechtsstelsels van verschillende Europese landen, te weten: Frankrijk, België, Duitsland, Italië en Spanje. [194] Gezien de wetsgeschiedenis van de Nederlandse onwaardigheidsbepaling in het erfrecht en bij schenking (hierbij verwijst het subonderdeel naar subonderdeel E.1), de regeling in Frankrijk (en de jurisprudentie van de
Cour de Cassation), alsmede de regeling in België, Duitsland (met de jurisprudentie van het BGH), Italië (waaronder de jurisprudentie van het Italiaanse Hof van Cassatie) en Spanje is de kern van de onwaardigheid nog steeds de (strafrechtelijke) verwijtbaarheid en de afkeuring die ziet op de schuld van de erfgenaam aan een (levens)misdrijf jegens de erflater. De in art. 4:3 lid 1 onder Pro a BW opgenomen eis van een strafrechtelijke veroordeling kan dus niet met de door het hof in rov. 3.31. weergegeven omstandigheden op basis van een belangenafweging opzij worden gezet met een beroep op art. 8 EVRM Pro, aldus het subonderdeel. [195]