Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
4.Beoordeling van de middelen
Middel I
BNB2013/152.
Parket bij de Hoge Raad
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen vergrijpboetes opgelegd aan een vennootschap onder firma die een coffeeshop exploiteert. De Inspecteur stelde dat de administratie gebrekkig en oncontroleerbaar was, waardoor omzet en winst bewust werden verborgen voor de Belastingdienst. Na eerdere procedures en verwijzing door de Hoge Raad, oordeelde het Hof Amsterdam dat het ontbreken van een betrouwbare kas- en inkoopadministratie geen andere plausibele verklaring toelaat dan opzet om omzet buiten het zicht van de Belastingdienst te houden.
De belanghebbende voerde onder meer aan dat hij zijn administratie had ingericht conform instructies van controle-ambtenaren en dat dit een contra-indicatie vormde tegen opzet. Het Hof verwierp dit en stelde dat het conform de instructies inrichten van een administratie niet uitsluit dat de aangiften bewust te laag zijn. Het Hof baseerde zijn oordeel mede op niet-ontzenuwde vermoedens, waarbij het ondenkbaar werd geacht dat de belanghebbende niet wist van de aanzienlijke verschillen tussen werkelijke kasontvangsten en administratie.
De Procureur-Generaal concludeert dat het cassatieberoep ongegrond moet worden verklaard. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat opzet overtuigend moet worden aangetoond en dat het enkel feit dat inkomsten niet zijn aangegeven niet automatisch opzet bewijst. Het Hof heeft echter voldoende gemotiveerd waarom in deze zaak opzet aanwezig is. De bewijsmaatstaf ‘overtuigend aantonen’ sluit het gebruik van sterke niet-ontzenuwde vermoedens niet uit, mits deze het oordeel rechtvaardigen dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat het beboetbare feit is gepleegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de vergrijpboetes blijven in stand.