Conclusie
eiseres tot cassatie in het principaal cassatieberoep, verweerster in cassatie in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
verweersters in het principaal cassatieberoep, eiseressen in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
disclosure-test’voor toegevoegde materie speelt bij nawerkbaarheid plausibiliteit wel een rol. Daar komt Novartis volgens mij tevergeefs tegen op. Dat geldt ook voor de klachten gericht tegen de door het hof getrokken parallel met T 2842/18 en de klachten tegen een overweging ten overvloede over nieuwheid. Aan het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep van Mylan wordt dan niet toegekomen. Zou dat anders zijn, dan kunnen de klachten over de door het hof gehanteerde criteria voor toegevoegde materie en nawerkbaarheid evenmin slagen in mijn optiek.
1.Feiten en procesverloop
5.1 The single claim of the main request ("claim 1") is drawn up as a purpose-related product claim in accordance with Article 54(5) EPC. It is directed to the SlP receptor modulator fingolimod in free form or in a pharmaceutically acceptable salt form ("fingolimod (salt)") for use in the treatment of RRMS at a daily dosage of 0.5 mg per os (…).
Investigation of clinical benefit of a S1P receptor agonist, e.g. a compound of formula 1, e.g. Compound A. 20 patients with relapsing-remitting MS receive said compound at a daily dosage of 0.5, 1.25 or 2.5 mg p.o.” Resultaten van deze studie worden niet in de aanvrage vermeld.
in geval van een conclusie zoals conclusie 1 van EP ‘894, [wordt] het bereiken van het technische effect slechts (…) geopenbaard wanneer de vakman daadwerkelijk “the achievement of a clinical benefit” wordt geleerd”),terwijl de profetische studie in paragraaf 33 van de aanvrage die is voorgesteld met als doel “
Investigation of clinical benefit”, volgens haar dat klinisch effect wél direct en ondubbelzinnig zou openbaren. Daarbij merkt het hof nog op dat door Novartis niet is aangevoerd dat het onderscheid daarin zou zijn gelegen dat de aankondiging van de fase III studie geen nawerkbare openbaarmaking zou zijn en enkel om die reden niet nieuwheidsschadelijk zou zijn.
Deze beslissing bevestigt juist dat conclusie 1 van EP894 niet voldoet aan art. 123(2).”). Novartis heeft dat vervolgens niet weersproken. De TKB overwoog in die zaak onder meer:
It has now been found that S1P receptor modulators have an inhibitory effect on neo-angiogenesis associated with demyelinating diseases, e.g. MS”, par. 28: “
Accordingly, the S1P receptor modulators, e.g. a compound of formulae I to IXb as defined hereinabove, may be useful in the treatment of one or more of Relapsing-remitting (RR-MS), (…) en par. 30: “
Utility of the S1 P receptor modulators (…) , in preventing or treating neo-angiogenesis associated with a demyelinating disease as hereinabove specified, may be demonstrated in animal test methods as well as in clinic, for example in accordance with the methods hereinafter described.”. In die passages wordt de groep van verbindingen waartoe fingolimod behoort genoemd als mogelijk nuttig voor de behandeling van RRMS, wat kan worden aangetoond in diermodellen en klinische studies. Bovendien bevatten deze passages geen informatie over specifieke doseringen. Dát het klinisch voordeel zal opleveren bij de specifieke geclaimde dagelijkse dosis van 0,5 mg valt daaruit niet direct en ondubbelzinnig op te maken. De gemiddelde vakman zal immers begrijpen dat de klinisch studie beschreven in par. 33, zoals ook in par. 30 is vermeld, juist wordt voorgesteld om dat vast te stellen (vgl. par. 48 uit T2482/18).
Compound A significantly blocks disease-associated neo-angiogenesis when administered to the animals at a dose of from 0.1 to 20 mg/kg p.o. For example, Compound A, in the hydrochloride salt form, fully blocks disease-associated angiogenesis and completely inhibits the relapse phases when administered daily at a dose of 0.3 mg/kg p.o. The same effect is obtained when Compound A, in the hydrochloride salt form, is administered p.o. at 0.3 mg/kg every 2nd or 3rd day or once a week”. Novartis heeft niet gesteld dat dit een (impliciete) directe en ondubbelzinnige openbaarmaking is van klinisch voordeel dat optreedt bij de dagelijkse orale toediening van 0,5 mg fingolimod aan RRMS-patiënten.
“(…) the requirements of Article 123(2) EPC differ from those of Article 83 EPC. Article 123(2) EPC aims more particularly to prevent inventors from obtaining protection for inventions they had not thought of at the date of filing, respectively not put into their application as filed. Article 83 EPC aims more particularly to prevent them from obtaining protection for “theoretical” inventions which could not be carried out at the date of filing.”
57. (…) The appellants' further argument that the requirements of Article 123(2) EPC would be met since Example 1 renders the claimed therapeutic effect plausible, can thus not succeed for this reason alone.”
2.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
Inleiding
‘purpose-related product claim’in de zin van art. 54(5) EOV). Daarvoor is kenmerkend dat het bereiken van een therapeutisch of klinisch effect van de geclaimde medische behandeling (welke behandeling als zodanig niet octrooieerbaar is, volgens art. 53(3) EOV) wordt gezien als een
functioneel technisch kenmerk. Dat functioneel technisch kenmerk is hier dat met een dagelijkse oraal toegediende dosis van 0,5 mg fingolimod therapeutisch effect wordt bereikt bij de behandeling van een bepaald type MS, namelijk RRMS (rov. 5.5). Het was op de prioriteitsdatum al bekend dat dit met een dosering van 1,25 mg per dag therapeutisch effect had, zodat het octrooi ziet op een doseringsregime. Met dit aldus gerichte vizier bespreek ik nu het leerstuk van de (verboden) toegevoegde materie uit art. 123(2) EOV.
subonderdelen 1.1-1.3klaagt Novartis dat het hof te hoge eisen stelt aan de directe en ondubbelzinnige openbaarmaking in de oorspronkelijke aanvrage van het functioneel technisch kenmerk in conclusie 1 dat met de geclaimde medische behandeling therapeutisch effect/klinisch voordeel wordt behaald. Daarvoor is in weerwil van het hofoordeel volgens de klacht niet nodig dat de gemiddelde vakman wordt geleerd dat het therapeutisch effect
zaloptreden bij de behandeling van RRMS-patiënten met 0,5 mg/d fingolimod. Óf het therapeutisch effect zal optreden behoeft niet in de oorspronkelijke aanvrage te worden aangetoond, maar (hoogstens) pas daarna, in het kader van de vraag naar plausibiliteit of nawerkbaarheid van de uitvinding. Het hof heeft althans miskend dat voldoende is dat de gemiddelde vakman wordt geleerd dat het therapeutisch effect
kanoptreden. Het hof heeft althans ten onrechte te hoge eisen gesteld door te oordelen dat de klinische studie die in paragraaf 33 van de oorspronkelijke aanvrage is beschreven, geen directe en ondubbelzinnige openbaarmaking oplevert van het functioneel technisch kenmerk in conclusie 1 dat met de geclaimde medische behandeling therapeutisch effect/klinisch voordeel wordt behaald,
omdatdie klinische studie profetisch en nog niet uitgevoerd was en de resultaten daarvan (dus) nog niet bekend waren.
disclosure) die wordt vereist bij de vraag of sprake is van
toegevoegde materie(waarvoor de
disclosure-testwordt gehanteerd, ook wel de ‘gouden standaard’ genoemd), waar het hof de zaak op af doet, en
nawerkbaarheid(waarvoor plausibiliteit voldoende is bij dit soort claims). De klachten uit subonderdelen 1.1-1.3 halen die toetsen door elkaar en geven aldus blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof onderscheidt dit scherp en dat is conform geldend octrooirecht.
inhoud van de aanvrageis; daaraan mag immers geen materie worden toegevoegd. Een wijziging is toegelaten wanneer die direct en ondubbelzinnig (
‘directly and unambiguously’) uit de aanvrage is af te leiden, dat wil zeggen uit de beschrijving, de conclusies en de tekeningen [14] ; het
abstract, de titel, prioriteitsdocumenten en eventuele parallelle aanvragen zijn hier niet onder te begrijpen [15] .
‘added matter’de zogenoemde ‘openbaringstest’ (‘
disclosure-test’), ook bekend als de ‘gouden standaard’ [16] , die in G 2/10 als volgt is omschreven:
anyamendment to the parts of a European patent application or of a European patent relating to the disclosure (the description, claims and drawings) is subject to the mandatory prohibition on extension laid down in Article 123(2) EPC and can therefore, irrespective of the context of the amendment made, only be made within the limits of
what a skilled person would derive directly and unambiguously, using common general knowledge, and seen objectively and relative to the date of filing, from the whole of these documents as filed(…). [17] (Onderstreping A-G)
‘directly and unambigiously derivable’uit de oorspronkelijke aanvrage als geheel (dus niet alleen de conclusies, ook de beschrijving en de tekeningen). Een wijziging is volgens deze test niet toelaatbaar wanneer de integrale nieuwe inhoud van de aanvraagtekst ertoe leidt dat de gemiddelde vakman daardoor wordt voorzien van informatie die niet direct en ondubbelzinnig is af te leiden uit de inhoud van de oorspronkelijke aanvrage als geheel beschouwd [18] . Daarbij heeft te gelden dat die oorspronkelijke aanvrage wordt bezien door de (fictieve) octrooirechtelijke maatpersoon, de ‘gemiddelde vakman’ genoemd, die algemene vakkennis heeft en dus leest en begrijpt ‘als vakman’. Zaken die niet expliciet in de oorspronkelijke aanvraag staan, maar voor de gemiddelde vakman op basis van zijn algemene vakkennis impliciet zijn geopenbaard, worden ‘meegelezen’ [19] . Het komt er op neer dat de gemiddelde vakman na wijziging
nietmag worden geconfronteerd met
nieuwe technische informatie [20] . Art. 123(2) EOV vereist niet dat de wijziging letterlijk in de betreffende gewijzigde vorm in de aanvrage moet zijn terug te vinden; het gaat erom of de gewijzigde of toegevoegde onderdelen dezelfde technische informatie weerspiegelen die de gemiddelde vakman die de oorspronkelijke aanvrage tot zich neemt, zou hebben afgeleid uit de inhoud van die aanvrage als geheel [21] .
sufficiency of disclosure’ heet dat in Engels vakjargon, niet te verwarren met de hiervoor besproken
disclosure-testof de ‘gouden standaard’). Dit vereiste heeft daarnaast te maken met de aard van een uitvinding: als de gemiddelde vakman niet kan nagaan hoe de uitvinding werkt, is ook niet te beoordelen of sprake is van een uitvinding die industrieel toepasbaar is (en of hier wel sprake is van inventiviteit). Het vereiste van nawerkbaarheid voorkomt dat een octrooi wordt verleend voor ideeën die nog onvoldoende zijn uitgewerkt om praktisch uitgevoerd te kunnen worden (speculatieve of ‘wens’-octrooien). Deze kernaspecten van octrooiverlening maken dan ook dat niet-nawerkbaarheid (ook) een nietigheidsgrond is.
andere criteriagelden.
medische indicatie conclusie, waarin het
bereiken van een therapeutisch (klinisch) effectvan de geclaimde medische behandeling als een
functioneel technisch kenmerkwordt beschouwd. Dat is vaste rechtspraak in München [25] . Art. 83 EOV Pro brengt bij dat type conclusies als gezegd mee dat getoetst wordt of het therapeutische effect van de samenstelling en het doseringsregime voor de geclaimde medische indicatie ‘
credible’ is. Het hof overweegt dan ook terecht in rov. 5.20 dat hier voor het voldoen aan het
nawerkbaarheidsvereistenoodzakelijk en voldoende is dat uit wat de aanvrage/het prioriteitsdocument openbaart voor de gemiddelde vakman
voldoende aannemelijkwordt gemaakt dat het geclaimde therapeutisch effect bij die dosering zich
zalvoordoen en dàt dat aannemelijk was op de prioriteits- of aanvraagdatum mag vervolgens met van na de aanvrage- of prioriteitsdatum daterend bewijs nader worden onderbouwd. Aldus is voor het halen van de
nawerkbaarheidsdrempelbij dit type doseringsregime-octrooien dus voldoende dat het geclaimde effect met de betreffende dosering
plausibelis [26] . Dat betekent dat wanneer het gewenste technische effect onderdeel is van de conclusie, maar in het octrooi niet plausibel wordt gemaakt dat dit technische effect bereikt wordt door de leer van het octrooi, er sprake is van niet-nawerkbaarheid. De GKB heeft dit recent bevestigd in G2/21 [27] :
renders it credible that the known therapeutic agent, i.e. the product, is suitable for the claimed therapeutic application. (…)” (Onderstreping A-G)
sufficiency of disclosure’ volgens art. 83 EOV Pro bij de aanvrage de geschiktheid voor de geclaimde therapeutische indicatie aannemelijk (
credible) moet zijn, tenzij dit bij de gemiddelde vakman op de prioriteitsdatum al bekend was. Klinische gegevens zijn niet altijd vereist, maar alleen mondelinge verklaringen zijn niet voldoende [28] . De octrooiaanvrage moet enige informatie verschaffen in de vorm van bijvoorbeeld experimentele tests waaruit het geclaimde effect kan volgen. Er kan rekening worden gehouden met achteraf gepubliceerd bewijsmateriaal, maar alleen ter ondersteuning van de bevindingen in de aanvrage/het prioriteitsdocument [29] . De maatstaf aangelegd in GKB in G2/21 voor achteraf gepubliceerd bewijsmateriaal is deze [30] :
post-published evidence’ is relevant bij zowel
nawerkbaarheid(art. 83 EOV Pro) [31] als
inventiviteit(art. 54 EOV Pro) [32] ; ook al heeft de GKB de vraagstelling in G2/21 niet expliciet door willen trekken naar nawerkbaarheid, maar er wel overwegingen aan gewijd, zoals punt 77 van de Reasons [33] .
plausibiliteitof geloofwaardigheid van klinisch voordeel
geen rolspeelt bij de vraag of sprake is van
toegevoegde materie,ook niet bij medische indicatie conclusies. De hier besproken rechtsklachten verweven deze twee toetsen in wezen en ketsen daar eigenlijk al meteen op af [34] . Het hof heeft dit in rov. 5.20 terecht overwogen en ter onderbouwing gewezen op T 2842/28 waaruit in rov. 5.17-5.19 uitvoerig is geciteerd [35] . Uit deze uitspraak volgt dat plausibiliteit van klinisch voordeel (een nawerkbaarheidsvraag) niet gelijk is te stellen met een ondubbelzinnige openbaarmaking in de aanvrage dat het therapeutisch effect zich zal voordoen (en dat is de toets bij toegevoegde materie). Dat uit de aanvrage blijkt dat het geclaimde therapeutische effect plausibel is, maakt nog niet dat geen sprake is van toegevoegde materie. Daarmee valt het doek al voor de subonderdelen 1.1-1.3. Het hof heeft dat voorbeeldig nader uiteen gezet, zoals ik nu zal bespreken.
disclosure-testniet alleen geldt bij de toets naar toegevoegde materie, maar een uniform concept is voor art. 54, 87 en 123 EVO. In G 2/10 heeft de GKB overwogen dat voor prioriteit, toegevoegde materie en nieuwheid één en dezelfde
disclosure-testgeldt (punt 4.6 van de Reasons):
disclosure-testvoor de beoordeling van
toegevoegde materiedezelfde is als voor
nieuwheid, Novartis niet toelicht waarom de profetische, nog niet uitgevoerde, klinische studie over een 0,5 mg/d dosering uit paragraaf 33 van de oorspronkelijke aanvrage de gemiddelde vakman
welde technische informatie zou verschaffen dat die dosering
zalwerken bij de behandeling van RRMS (waarmee het hof het oog heeft op de vraag of sprake is van toegevoegde materie), terwijl zij de nieuwheidsaanval van Mylan met de aankondiging in de press release (D10) van een fase III klinische studie met zo’n 0,5 mg/d dosering heeft gepareerd met de stelling dat D10
niet nieuwheidsschadelijkis,
omdat daarin geen klinisch effect wordt geopenbaarden dus aan de gemiddelde vakman niet direct en ondubbelzinnig de technische informatie van de kenmerken van conclusie 1 verschaft. Het is immers dezelfde
disclosure-testdie hier gehanteerd moet worden voor toegevoegde materie en voor nieuwheid en, zo voegt het hof in rov. 5.9
in finenog toe, Novartis heeft niet gesteld dat de aankondiging van de fase III studie geen
nawerkbareopenbaarmaking zou zijn en om die reden niet nieuwheidsschadelijk zou zijn. In rov. 5.10 bespreekt het hof dat ook de TKB in haar beslissing van 8 februari 2022 in beroep tegen de afwijzing van de verlening van EP 894 door de Examiner heeft geoordeeld dat de aankondiging van de fase III studie niet nieuwheidsschadelijk is (anders dan de Examiner had geoordeeld) en dat niet vanwege een
nawerkbaarheidsgebrek, maar omdat daarin het
therapeutisch effectvan de behandeling van RRMS met het doseringsregime van 0,5 mg per dag
niet is geopenbaard, onder het citeren van punten 6.4.1-6.4.3 van de Reasons. Volgens het hof had het bij deze stand van zaken op de weg van Novartis gelegen om toe te lichten waarom paragraaf 33 van de oorspronkelijke aanvrage de gemiddelde vakman wel iets meer of anders zou openbaren dan de aankondiging van de fase III in het persbericht van D10 (rov. 5.11), zodat de gemiddelde vakman net als in het persbericht van D10 ook uit paragraaf 33 van de oorspronkelijke aanvrage niet direct en ondubbelzinnig afleidt dat therapeutisch effect optreedt bij de behandeling van RRMS met een fingolimod dosering van 0,5 mg/d.
disclosure-testvoor toegevoegde materie en nieuwheid. Het hof oordeelt dat het niet aangaat een nieuwheidsaanval te pareren met de stelling dat de aankondiging van een fase III clinical trial met een dosering van 0,5 mg/d gelet op de
disclosure-testde gemiddelde vakman niet direct en ondubbelzinnig de technische informatie verschaft dat dit zal werken, om dan vervolgens bij de toegevoegde materie-vraag aan een vergelijkbare aankondiging van nog uit te voeren clinical trials uit paragraaf 33 van de beschrijving in de oorspronkelijke aanvraag te willen vastknopen dat de gemiddelde vakman die technische informatie daar wel zou worden verschaft, nu daarvoor immers dezelfde
disclosure-testmoet worden toegepast.
disclosure-testis geen sprake; het hof heeft dit juist gedaan, zodat subonderdeel 1.1. tevergeefs is. Dat daarvoor voldoende is dat het geclaimde effect plausibel is, zoals subonderdeel 1.2 aanvoert, is onjuist, want dat is een maatstaf die niet geldt voor toegevoegde materie, maar voor nawerkbaarheid. Dat sprake is van te hoge eisen stellen aan de technische informatie die de gemiddelde vakman wordt verschaft door in paragraaf 33 van de oorspronkelijke aanvrage geen directe en ondubbelzinnige openbaarmaking te zien dat een 0,5 mg/d dosering werkt, valt in het door het hof geschetste zwaard dat Novartis zelf de press release (D10) met een vergelijkbare inhoud niet nieuwheidsschadelijk vond en miskent wat de strenge
disclosure-testhier betekent, namelijk dat de gemiddelde vakman daarin
clearly and unambiguoulsyde technische informatie wordt verschaft dat het geclaimde therapeutische effect optreedt. Dat is op grond van een nog uit te voeren testprogramma in beginsel lastig, maar niet onvoorstelbaar (zoals Novartis bij s.t. 3.18 betoogt), alleen oordeelt het hof daarover dat Novartis niet heeft toegelicht waarom dat hier niettemin zo zou zijn. Bij gebreke van die toelichting oordeelt het hof in rov. 5.20 dat de gemiddelde vakman uit de aanvrage hooguit als technische informatie een bepaalde verwachting verkrijgt dat het effect kan wordt bereikt, maar zou begrijpen dat het ook mogelijk is dat uit de klinische studie zal blijken dat het klinische voordeel niet optreedt. Daarmee heeft hof geen onjuiste maatstaf gehanteerd.
subonderdeel 1.4dat het hof in rov. 5.18 ten onrechte een plausibiliteitsafweging in de toegevoegde materie-beoordeling heeft geïntroduceerd, althans ten onrechte heeft vereist dat in de oorspronkelijke aanvrage al zekerheid bestaat over het behalen van het therapeutisch effect, mist voor wat het eerste deel betreft feitelijke grondslag; dat heeft het hof juist heel duidelijk niet gedaan [37] . Bovendien volgt uit de ‘gouden standaard’ dat het geclaimde therapeutische effect direct en ondubbelzinnig als technische informatie aan de gemiddelde vakman wordt geopenbaard in de oorspronkelijke aanvrage en daarvan is geen sprake, zoals hiervoor is besproken. De klachten falen.
subonderdeel 1.9:ontoereikend is gemotiveerd waarom conclusie 1 ook toegevoegde materie zou opleveren ten opzichte van de beschrijving in samenhang met de conclusies van de oorspronkelijke aanvrage, althans waarom in de conclusies daarvan niet zou zijn gesteld dat het met de in conclusie 1 onder bescherming gestelde behandeling beoogde klinisch voordeel zich voordoet. Die motivering was wel nodig volgens de klacht, omdat de conclusies van de oorspronkelijke aanvrage (verwezen wordt naar oorspronkelijke conclusies 1 en 7) , in samenhang met par. 25, 31-32 en 33 van de beschrijving, niet anders kunnen worden begrepen dan dat daarin wordt gesteld dat het met de onder bescherming gestelde behandeling beoogde klinisch voordeel zich voordoet, dan wel dat er minst genomen ‘een enkele stelling’ is ingenomen dat de behandeling klinisch voordeel oplevert [41] .
mogelijknuttig voor de behandeling van RRMS, wat
kanworden aangetoond in diermodellen en klinische studies. De door het hof aangehaalde par. 25 stelt immers expliciet en zonder twijfel of voorbehoud dat S1P receptor modulatoren een remmend effect hebben op neo-angiogenesis die geassocieerd wordt met een demyeliniserende ziekte zoals bijvoorbeeld MS.
disclosure-test in dit vergelijkbare geval van een aankondiging van een clinical trial in de beschrijving en ook het onderscheid dat moet worden gemaakt tussen de aan te leggen criteria voor toegevoegde materie en nawerkbaarheid. Op dit een en ander ketst deze klacht ook inhoudelijk af.
onderdeel 3.1,dat verder geen klacht bevat, toe dat het hof in rov. 5.8-5.11 aandacht heeft besteed aan Novartis’ verweer tegen de nieuwheidsaanval van Mylan, maar nieuwheid blijkens rov. 5.25 niet heeft beoordeeld, zodat dit overwegingen ten overvloede zijn die het oordeel van het hof niet dragen. Die oordelen getuigen volgens de klacht niettemin van een onjuiste rechtsopvatting.
nieuwheid, maar is een herhaling van zetten uit de subonderdelen 1.8-1.9, namelijk dat bij toegevoegde materie de hele oorspronkelijke aanvrage moet worden bekeken, niet alleen of paragraaf 33 meer of anders leert dan D10, maar of de hele aanvrage dat doet. Besproken is al dat het hof dat ook heeft gedaan, zodat de klacht feitelijke grondslag mist. Subonderdeel 3.1.1 faalt.
plausibelis, welke openbaarmaking de aanvrager nader mag onderbouwen met een beroep op zgn. ‘
post-filed evidence’(onder verwijzing naar rov. 5.10).
verweer tegen de nieuwheidsaanvalvan Mylan gebaseerd op D10 besproken, maar daarmee geen oordeel gegeven over nieuwheid (zie andermaal rov. 5.25, nieuwheid is niet beoordeeld). Omdat zowel bij nieuwheid als bij toegevoegde materie de ‘gouden standaard’ gehanteerd moet worden – dezelfde test – kan die zoals eerder besproken niet bij nieuwheid (D10) en toegevoegde materie (paragraaf 33 met volgens het hof dezelfde inhoud als D10) tot verschillende resultaten leiden. Ik noemde dit eerder het in haar eigen zwaard vallen door Novartis. Het in die sleutel (aanvullend ook nog eens een keer) nieuwheidsaspecten betrekken bij het oordeel over toegevoegde materie is rechtens juist en goed te volgen.
3.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel
disclosure-test bij toegevoegde materie om gaat of de gemiddelde vakman, in aanmerking genomen zijn algemene vakkennis op de prioriteitsdatum, rechtstreeks en ondubbelzinnig uit de oorspronkelijke aanvrage kan afleiden dat sprake is van een bepaald functioneel kenmerk, respectievelijk dat het therapeutisch effect of klinisch voordeel zich voordoet [52] en dat daaraan niet al is voldaan met de enkele stelling van die strekking, zoals het hof in rov. 5.18 overweegt.
added matter’toets niet uit het oog verloren. Het hof heeft klaarblijkelijk alleen willen aangeven dat het noodzakelijk en voldoende is bij de beoordeling van toegevoegde materie dat in de oorspronkelijke aanvrage rechtstreeks en ondubbelzinnig aan de gemiddelde vakman de technische informatie wordt geopenbaard dat het beoogde klinische voordeel zich met de onder bescherming gestelde behandeling voordoet. De ‘enkele zin’ in de beschrijving zou in onze zaak (dit is fictief, ik geef maar een voorbeeld) hebben kunnen luiden: ‘Voor de behandeling van RRMS is een orale dosering van 0,5 mg/d van Compound A geschikt’. Daarbij is niet vereist, zo vervolgt het hof in rov. 5.18, dat wordt aangetoond of aannemelijk (plausibel) gemaakt dat dit ook
daadwerkelijkzo is. Die laatste beoordeling geschiedt immers bij toetsing op nawerkbaarheid, een ander chapiter. Het hof onderscheidt consequent tussen toegevoegde materie en nawerkbaarheid, ook hier:
nawerkbareopenbaring van het geclaimde therapeutisch effect in de gewijzigde conclusie is geen element in het kader van
toegevoegde materie, zo besluit rov. 5.18. Dat klopt. De rechtsklacht van onderdeel 1 is tevergeefs.
redenengeeft waarom – omgekeerd aan de besproken situatie in rov. 5.18 – met gegeven plausibiliteit van een therapeutisch effect – anders dan waar Novartis van lijkt uit te gaan volgens het hof – nog niet is gegeven dat aan de ‘gouden standaard’ voor toegevoegde materie is voldaan, zoals het hof in rov. 5.19 overweegt met een verwijzing naar punt 57 van de Reasons uit T2842/18. Rov. 5.19-5.20 moeten dus tezamen worden gelezen en dan gaat het in de kern om de laatste zin van rov. 5.20: ‘Plausibiliteit van een klinisch voordeel is daarom niet gelijk te stellen aan een ondubbelzinnige – al dan niet nawerkbare – openbaarmaking in de aanvrage dat het therapeutisch effect zich zal voordoen (vgl. par. 43-48 uit T2842/18)’. De klacht concentreert zich niet op die kern, maar op een geïsoleerde passage uit rov. 5.20: hier zou zijn miskend dat het ‘noch bij de beoordeling van toegevoegde materie in de zin van artikel 123 lid 2 EOV Pro, noch bij de nawerkbaarheid in de zin van artikel 83 EOV Pro doorslaggevend is of de gemiddelde vakman de onderbouwing voor een door de octrooihouder gesteld therapeutisch effect zal kunnen vinden in
bepaalde informatieof direct zal afleiden uit die informatie.’ Na het formuleren van de ‘gouden standaard’ voor toegevoegde materie respectievelijk de test voor nawerkbaarheid vervolgt de klacht dan dat het ‘derhalve enkel (gaat) om de gegevens die in de octrooiaanvrage zijn vermeld. Het is immers op basis van deze informatie dat een octrooi nawerkbaar dient te zijn. Dit heeft het hof in zijn oordeel miskend.’
‘post-filed evidence’ter onderbouwing, zoals hiervoor al uitgebreid is besproken. In zoverre geeft de klacht blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ook ontbreekt in zoverre belang bij die klacht, omdat het oordeel van het hof over de nawerkbaarheidsmaatstaf niet dragend is voor zijn oordeel over toegevoegde materie, waar de zaak op wordt beslist. Verder heeft het hof beslist niet miskend dat het om gegevens gaat die in de octrooiaanvrage zijn vermeld, zodat de eigenlijke klacht aan het einde (geciteerd in het vorige randnummer) in zoverre feitelijke grondslag mist. Uit de overige overwegingen blijkt dat het hof (natuurlijk) telkens is nagegaan wat in de octrooiaanvrage is vermeld [53] . Het is duidelijk dat het hof met de woorden ‘bepaalde informatie’ en ‘die informatie’ doelt op bepaalde informatie
uit de octrooiaanvrageen dat dat begrip niet in het luchtledige hangt, zoals de klacht ten onrechte veronderstelt. Dit blijkt ook uit rov. 5.21 waar het hof tot de conclusie komt dat doordat het functionele technische kenmerk van conclusie 1 dat het klinisch voordeel zich zal voordoen niet direct en ondubbelzinnig in de aanvrage is geopenbaard, met conclusie 1 aan de gemiddelde vakman, ten opzichte van de aanvrage nieuwe technische informatie wordt verschaft. Onderdeel 2 kan op grond van dit één en ander ook niet tot cassatie leiden.