ECLI:NL:PHR:2024:826
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verwerping cassatieberoep inzake ongeldigverklaring rijbewijs en rijden zonder geldig rijbewijs
De verdachte werd door de rechtbank vrijgesproken, maar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde hem op 13 april 2022 wegens overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof stelde vast dat de verdachte op 2 augustus 2019 persoonlijk en ondubbelzinnig door de politie was geïnformeerd over de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs. Ondanks deze kennis reed de verdachte op 28 november 2020 met een voertuig terwijl zijn rijbewijs ongeldig was.
De advocaat van de verdachte stelde in cassatie dat het hof onjuiste en onvoldoende gemotiveerde gronden had voor de bewezenverklaring, met name over de kennis van de verdachte omtrent de ongeldigverklaring. De Procureur-Generaal concludeerde echter dat het bewijsmateriaal, waaronder het proces-verbaal van 2 augustus 2019, ondubbelzinnig aantoont dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was.
De Hoge Raad volgt deze conclusie en wijst het cassatieberoep af. Tevens wordt opgemerkt dat de behandelingstermijn in cassatie is overschreden, maar er zijn geen gronden voor ambtshalve vernietiging. De verbeurdverklaring van het voertuig blijft gehandhaafd. De straf van vier weken gevangenisstraf blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeelde straf van vier weken gevangenisstraf blijft in stand.