ECLI:NL:HR:2024:1494

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 oktober 2024
Publicatiedatum
18 oktober 2024
Zaaknummer
22/01554
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.2 WVW 1994Art. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak rijbewijsongeldigheid: kennis verdachte en bewijsvoering voldoende gemotiveerd

De Hoge Raad heeft op 22 oktober 2024 het cassatieberoep van de verdachte verworpen tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 april 2022. De zaak betrof het rijden terwijl het rijbewijs van de verdachte ongeldig was verklaard. In eerste aanleg was de verdachte vrijgesproken.

Het cassatiemiddel richtte zich tegen de bewezenverklaring, met name het oordeel van het hof dat de politie de verdachte persoonlijk en ondubbelzinnig had geïnformeerd over de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs en dat de verdachte begreep dat hij niet mocht rijden. De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit voldoende had gemotiveerd aan de hand van het proces-verbaal van de politie van 2 augustus 2019.

Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, maar dat dit geen aanleiding gaf tot andere rechtsgevolgen gezien de opgelegde straf van vier weken gevangenisstraf.

Het arrest werd gewezen door de vice-president Borgers en raadsheren Caminada en Dalebout. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het hofarrest in stand bleef.

Uitkomst: Hoge Raad verwierp cassatieberoep en bevestigde veroordeling voor rijden met ongeldig verklaard rijbewijs.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/01554
Datum22 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 april 2022, nummer 21-002833-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.L.A.M. Pluijmakers, advocaat in Almere, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de bewezenverklaring en klaagt dat het oordeel van het hof dat de verdachte op 2 augustus 2019 door de politie persoonlijk en ondubbelzinnig op de hoogte is gesteld van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs, onjuist dan wel ontoereikend is gemotiveerd.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van vier weken volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
22 oktober 2024.