Conclusie
1.Inleiding
performance testingen geautomatiseerd functioneel testen van – kennelijk – IT-systemen. Op 30 oktober 2015 heeft haar kleindochtervennootschap [B] BV ( [B] BV) alle aandelen in [E] BV ( [E] BV) gekocht. [E] BV hield zich bezig met
security testing,
developmenten
hosting. Na de overname zijn haar
security testingen
developmentactiviteiten overgedragen aan belanghebbendes dochter [A] Group BV resp. haar kleindochter [B] BV. De
hostingis achtergebleven in [E] BV.
hosting– verkocht aan een derde, waardoor de fiscale eenheid ten aanzien van [E] BV werd verbroken.
security testingen
developmentin 2016 binnen de fiscale eenheid zijn overgedragen of al eerder, vóór [E] BV’s voeging in de fiscale eenheid, en in het eerste geval: (ii) of de heffing ex art. 15ai(1) Wet Vpb 1969 over de stille reserves en
goodwillin de binnen de fiscale eenheid verschoven vermogensbestanddelen en activiteiten wordt voorkomen door de uitzondering in lid 3(a) voor overdrachten “in het kader van een bij de aard en omvang van de overdrager en de overnemer passende normale bedrijfsuitoefening.”
Rechtbank Den Haag [1] zijn de
security testingen
developmentbinnen de fiscale eenheid overgedragen, maar beroept de belanghebbende zich terecht op de uitzondering van art. 15(3)(a) Wet Vpb. Zij achtte aannemelijk dat al vóór de overname van [E] BV binnen de [A] -groep een taakverdeling bestond en dat toen [E] BV gevoegd werd, dier
security testing-en
development-activiteiten en -personeel volgens diezelfde taakverdeling in de groep zijn ondergebracht. Volgens haar gaat het dan om normale bedrijfsuitoefening.
Hof Den Haag [2] dat de
security testingen
developmentpas in 2016, na voeging in de fiscale eenheid, binnen de groep zijn overgedragen, zodat art. 15ai Wet Vpb van toepassing is. Anders dan de Rechtbank, achtte hij de uitzondering voor normale bedrijfsvoering in art. 15ai(3)(a) Wet Vpb daarop niet van toepassing. Hij baseerde zich daarbij op de parlementaire geschiedenis van (art. 30(3) (oud) van) de Wet Vpb 1969, waaruit volgt dat de uitzondering bedoeld is voor “normale expansie, waartoe ook behoren op grond van de normale bedrijfsuitoefening gewenst geachte verschuivingen met het oog op de taakverdeling der werkzaamheden binnen de fiscale eenheid” en de verklaring van de wetgever van 2001 dat hij geen wijziging beoogde ten opzichte van de vroegere 16e standaardvoorwaarde voor een fiscale eenheid. Dat binnen een groep een taakverdeling bestaat die consequent wordt gevolgd, maakt de overdracht volgens het Hof op zichzelf nog geen normale bedrijfsuitoefening in de zin van art. 15ai(3)(a) Wet Vpb. Het Hof wees er op dat (i) de groep vóór [E] BV’s overname dier activiteiten nog niet uitoefende, (ii) bijna al [E] BV’s activiteiten (80%) zijn overgedragen en (iii) de overdracht de omzet van [B] BV met 150% heeft doen toenemen.
in cassatiegaat het om de twee vragen
(i)of art. 15ai(1) Wet Vpb van toepassing is en zo ja,
(ii)of de belanghebbende dan gered wordt door de uitzondering in lid 3(a) voor normale bedrijfsuitoefening.
Ad (i)stelt de belanghebbende dat het Hof eraan voorbij is gegaan dat in wezen de
goodwillis overgedragen waarvoor zij bij de overname van [E] BV heeft betaald en dat van meet af aan de intentie bestond om die in 2015 over te dragen, dus vóór voeging van [E] BV in de fiscale eenheid. Het Hof had meer gewicht moeten toekennen aan haar intentie en minder aan administratieve handelingen. Zij verwijst naar een uitspraak van het Hof Den Haag [3] over resultaat uit overige werkzaamheden in de inkomstenbelasting (ROW), waarin de afwezigheid van de intentie tot doorverkoop bij de verkrijging van een woon-winkelpand beslissend was voor de (niet)belastbaarheid van de latere verkoopwinst. Zij ziet ook een parallel met de voorperiode van een BV i.o., waarin de BV nog niet bestaat maar desondanks, als de intentie tot inbreng van de IB-onderneming in de BV bestaat, fiscaalrechtelijk met terugwerkende kracht wordt gedaan of de BV al bestond.
Ad (ii)acht de belanghebbende onjuist ’s Hofs oordeel dat voor de toepassing van art. 15ai Wet Vpb niet ter zake doet of de overdracht al dan niet zakelijk was,. Dat de wetgever in art. 15ai(3) Wet Vpb een uitzondering heeft opgenomen, geeft volgens haar aan dat art. 15ai Wet Vpb zich alleen richt tegen
ongewenst gebruik van de fiscale eenheid, waarvan in casu geen sprake is. Ook stelt zij dat [E] BV’s vermogensbestanddelen zijn overgedragen in het kader van een bij aard en omvang van overdrager en overnemer passende normale bedrijfsuitoefening ex art. 15ai(3)(a) Wet Vpb, nu [E] BV’s activiteiten binnen haar groep zijn verdeeld volgens de in die groep al bestaande taakverdeling.
hostingis verkocht aan een derde, heffing over de onbepaald voortgezette
security testingen
developmentbeantwoordt aan het doel van de wet.
nooit‘normaal’ zijn, maar óók dat een overdracht (van vastgoed)
nietincidenteel is als eerder vergelijkbare overdrachten hebben plaatsgevonden in verband met een ‘van oudsher’ bestaande taakverdeling (vastgoedvennootschap) binnen de groep (warenhuizen). Dat een overname gevolgd door integratie van de activiteiten van de
targetvaker dan één keer gebeurt, neemt echter haar incidentele karakter niet weg. Bovendien is zo’n overdracht bezien vanuit de overdrager stellig wél ‘incidenteel’. Ook zou de eerste overname van een
targetgevolgd door integratie van dier activiteiten in het concern volgens een ‘van oudsher’ bestaande taakverdeling
nooitals ‘normale bedrijfsuitoefening’ kunnen gelden, maar elke volgende overname en integratie volgens die verdeling wél. Dat lijkt mij niet houdbaar. Eens moet de eerste keer zijn en niet valt in te zien waarom die eerste keer minder ‘normaal’ zou zijn dan een volgende. Uit het proces-verbaal van ‘s Hofs zitting blijkt dat de belanghebbende in 2022 nog twee overnames heeft gedaan.
enigedaartoe behorende – ‘wenselijke verschuivingen met het oog op de taakverdeling’. Ik zie niet in waarom een overdracht van activiteiten na voeging die geheel past in de bestaande werkzaamhedenverdeling en bedrijfseconomische doelen van het concern niet onder de uitzondering voor normale bedrijfsvoering kan vallen, hoezeer zo’n overdracht mogelijk ‘incidenteel’ zou zijn, nu ook de NnavV voorbij gaat aan het evident incidentele karakter van de overdracht van het vastgoed van de
targetaan de overneemster.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De belanghebbende is vanaf 2014 moedermaatschappij van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting met daarin haar dochter [A] Group BV ( [A] BV) en haar kleindochters [B] BV ( [B] BV), [C] BV ( [C] BV) en [D] BV. De [A] -groep houdt zich bezig met
performance testingen geautomatiseerd functioneel testen van – kennelijk – IT-systemen. Ik maak uit het dossier op dat mogelijk nog meer groepsvennootschappen gevoegd zijn, maar voor zover van belang voor dit geschil zag de
corporate treeer kennelijk als volgt uit:
security testing: verkoop en uitvoering van losse korte-termijn
security-testprojecten; omzet in 2015 € 900.000;
(ii)
development:
in housedetachering van
developersbij drie klanten; omzet 2015 € 1,3 mio;
(iii)
hosting:
hosting-contracten met kleine bedrijven en particulieren; omzet 2015 € 550.000.
security testing-diensten aan gecombineerd met diensten op het gebied van
performance-testing. Bestaande en nieuwe klanten worden vanuit [B] BV bediend. Contracten voor
developmentzijn herzien en worden ook vanuit [B] BV gefactureerd en betaald. Ook het betrokken personeel is overgegaan naar [B] BV. De materiële vaste activa (inventaris en hardware) van [E] BV zijn overgebracht naar [A] BV. Alleen de
hostingis in [E] BV achtergebleven.
goodwillen stille reserves in de overgedragen vermogensbestanddelen van [E] BV die volgens de Inspecteur op grond van art. 15ai(1) Wet Vpb belast moet worden. De correctie is als volgt berekend:
alszij heeft plaatsgevonden ná voeging van [E] BV in de fiscale eenheid, getroffen wordt door de sanctie in art. 15ai(1) Wet Vpb.
security testingen
developmentactiviteiten al vóór haar voeging in de fiscale eenheid heeft overgedragen aan andere groepsvennootschappen. Subsidiair achtte zij de uitzondering in art. 15ai(3)(a) Wet Vpb (normale bedrijfsuitoefening) van toepassing omdat de groep al vóór de verwerving van [E] BV een taakverdeling kende: alle materiële vaste activa waren ondergebracht in [A] BV en al het personeel was in dienstbetrekking bij [B] BV. De belanghebbende had bij de voeging van [E] BV niet de bedoeling om onbelast vermogen over te dragen. Er werd alleen maar overgedragen met het oog op de bestaande taakverdeling. Het was altijd de bedoeling om de activiteiten duurzaam samen te voegen. Dat [E] BV binnen 8 maanden weer is verkocht, is niet vooraf bedacht, maar en gevolg van de bevinding dat de
hosting-activiteiten van [E] BV toch niet goed bij de groep pasten. [6]
security testingen
developmentwerden tot de overdracht ook niet zelf door haar uitgeoefend.
sales-medewerker en een
junior developer) bij [B] B.V. in dienst zijn getreden, maakt eiseres niet aannemelijk dat de overdracht van de (goodwill met betrekking tot de) Security-testing en Development-activiteiten (reeds) in 2015 heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de
junior developer,van wie eiseres een arbeidsovereenkomst heeft overgelegd, daarvoor net bij [E] B.V. in dienst was getreden en de andere persoon een
sales-medewerker betrof. Met de door eiseres overgelegde ‘invoice’, afkomstig van [B] B.V., waarbij [B] B.V. door werknemers in december 2015 en januari 2016 verrichte diensten heeft gefactureerd aan een klant, maakt zij dit evenmin aannemelijk. De rechtbank heeft hierbij voorts in aanmerking genomen dat eiseres geen stukken heeft overgelegd van de daadwerkelijke overdracht van de contracten of projecten van [E] B.V. naar de [A] Groep, hoewel verweerder meerdere malen om overeenkomsten, specificatie van overdrachten van klantcontracten, correspondentie, uitgewerkte becijferingen en mogelijke overige bescheiden heeft gevraagd. Eiseres heeft voorts ter zitting verklaard dat niet alle 35 personeelsleden van [E] B.V. reeds in 2015 naar de [A] Groep waren overgegaan.”
securityvoor haar een zeer interessante en aantrekkelijke markt is, de activiteiten van [E] B.V. en de dienstverlening van de [A]-groep elkaar perfect aanvullen als het gaat om diensten, markt, DNA en cultuur, en Security het portfolio van de [A]-groep compleet maakte, hetgeen tezamen van extra waarde zou zijn voor de cliënten en medewerkers van zowel [E] B.V. als de [A]-groep. Ook was het samenvoegen van de diensten volgens eiseres een logische stap na jarenlang te hebben samengewerkt, de [A]-groep wilde haar diensten daarmee uitbreiden. Van belang hierbij is ook dat de [A] Groep (slechts) interesse had in de Security-testing en Development-activiteiten van [E] B.V. maar zij niet anders kon dan de aandelen [E] B.V. inclusief de (web)hosting-activiteiten te kopen, nu de verkoper van [E] B.V. dit vereiste. Van een incidentele overdracht kan niet worden gesproken, reeds omdat eiseres ter zitting onweersproken heeft gesteld dat zij onlangs nog een (soortgelijke) overname heeft gedaan en dat zij de activiteiten volgens de taakverdeling van de [A] Groep heeft verdeeld. De omstandigheid dat voor de overdracht van de activiteiten van [E] B.V. naar [B] B.V. geen overdrachten binnen de [A] Groep hebben plaatsgevonden, doet hieraan niet af.”
- een presentatie getiteld " [...] ” van 2 november 2015;
- een nota van een verhuisbedrijf, waaruit blijkt dat de operaties van [E] BV op 6 november 2015 zijn verhuisd naar de bedrijfslocatie van de [A] -groep in [Q] ;
- een arbeidsovereenkomst met een medewerker die op 1 december 2015 bij [B] BV in dienst treedt;
- een presentatie getiteld “HARMONISATIE VAN ARBEIDSVOORWAARDEN" van 8 december 2015;
- een factuur van 8 januari 2016 voor onder meer "Testing Services" in de periode van 7 tot en met 11 december 2015.
3.Het geding in cassatie
goodwillis overgedragen waarvoor bij de overname van [E] BV is betaald en dat dat ook van meet af aan de bedoeling was, dus vóór voeging van [E] BV in de fiscale eenheid. Het Hof had meer gewicht moeten toekennen aan haar intentie en minder aan administratieve handelingen. Zij verwijst naar een uitspraak van het Hof Den Haag [9] over resultaat uit overige werkzaamheden in de inkomstenbelasting, waarin de intentie van de koper bij de verkrijging van een woon-winkelpand beslissend was voor de vraag of latere verkoopwinst belast was als ROW. Zij zoekt ook een parallel met de voorperiode van een BV i.o., waarvoor, als de intentie tot inbreng van de IB-onderneming in de BV bestaat, fiscaalrechtelijk met terugwerkende kracht wordt gedaan of de BV al bestond.
4.De wet en diens achtergrond en uitvoering
goodwillen stille reserves in vermogensbestanddelen die binnen een fiscale eenheid – dus zonder fiscale gevolgen – zijn overgedragen als die eenheid binnen korte tijd na die overdracht wordt verbroken. De bepaling luidt als volgt:
1. de samenstelling van het vermogen van de dochtermaatschappij is gewijzigd ten gevolge van transacties binnen de fiscale eenheid en voorts
2. aannemelijk is dat een bedrag ter grootte van de tegenwaarde van de stille reserves (waaronder begrepen een vervangingsreserve als bedoeld in artikel 14 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 alsmede goodwill) die onmiddellijk na de laatste transactie in de dochtermaatschappij aanwezig zijn, dan wel een bedrag ter grootte van een deel daarvan, hetzij bij vervreemding van aandelen in de dochtermaatschappij, hetzij op enigerlei andere wijze ten goede is gekomen aan de moedermaatschappij en/of de vennootschap die met haar verenigd is of is geweest, worden bij het einde van het boekjaar dat onmiddellijk aan het splitsingstijdstip voorafgaat de activa en passiva van de dochtermaatschappij (alsnog) gesteld op de waarde in het economische verkeer en de tot haar vermogen gerekende vervangingsreserve (alsnog) opgenomen in de winst van de combinatie. (…). Onder transacties ten gevolge waarvan de samenstelling van het vermogen van de dochtermaatschappij wijzigt wordt mede begrepen het op de kosten van vervanging of herstel van een bedrijfsmiddel in mindering brengen van een vervangingsreserve door een andere tot de fiscale eenheid behorende of behoord hebbende vennootschap dan die welke de desbetreffende boekwinst heeft behaald, alsmede het op grond van een bij de dochtermaatschappij aanwezig voornemen tot vervanging of herstel reserveren van een boekwinst behaald door een andere tot de fiscale eenheid behorende of behoord hebbende lichaam.
1. tussen het tijdstip van de (laatste) onder a.1 bedoelde transactie en hetzij het splitsingstijdstip, hetzij het tijdstip waarop het onder a.2 bedoelde ten goede komen heeft plaatsgevonden, tenminste zes boekjaren zijn geëindigd;
2. de onder a.1 bedoelde transacties plaatsvonden in het kader van een bij de aard en omvang van de dochtermaatschappij passende normale bedrijfsuitoefening.”
gehelevermogen van de te ontvoegen dochter) vaak zoek was. Art. 15ai Wet Vpb heeft deze
overkillgrotendeels weggenomen door (i) bij interne verschuiving gevolgd door verkoop van een betrokken vennootschap de verplichte herwaardering te beperken tot de verschoven vermogensbestanddelen en (ii) het criterium ‘ten goede komen’ te schrappen. De MvT vermeldt: [17]
(…).
arm’s lengthcorrecties bij binnengroepse overdrachten onmogelijk worden en (ii) antimisbruikbepaling tot voorkoming van omzetting van belaste boekwinst in onbelaste deelnemingsvoordelen. De eerste ratio is nieuw ten opzichte van standaardvoorwaarde 16; de tweede is dezelfde als die van die voorwaarde. De genoemde nota naar aanleiding van het verslag vermeldt desgevraagd dat een algemene tegenbewijsregeling niet aan de orde is omdat de medewetgever bij kortstondig bestaan van de eenheid de vraag naar fiscale of zakelijke motieven niet relevant acht: [20]
Artikel 15ai
Op grond van artikel 15ai Wet Vpb moet het overgedragen vermogensbestanddeel te boek worden gesteld op de waarde in het economische verkeer. Belastingplichtige beroept zich op artikel 15ai, lid 3, onderdeel a Wet Vpb - overdracht past binnen de normale bedrijfsuitoefening - en beargumenteert dit als volgt.
Is hier inderdaad sprake van een overdracht die past binnen de normale bedrijfsuitoefening zodat artikel 15ai Wet Vpb niet tot afrekening leidt?
Nee. De overdracht van activa zoals hierboven omschreven is te kwalificeren als incidenteel zodat de uitzondering van artikel 15ai, lid 3, onderdeel a van de Wet Vpb niet van toepassing is.
Toelichting:
De vraag of sprake is van een overdracht die past binnen de normale bedrijfsuitoefening moet niet beoordeeld worden aan de hand van de situatie bij overdrager of overnemer, maar aan de hand van de overdracht zelf. De argumentatie dat de activa wel overgedragen moesten worden, omdat het houden van de activa niet passend is in de bedrijfsuitoefening van de holding die alleen het beheer over andere vennootschappen voert (de overdrager), is derhalve niet afdoende.
Uit de parlementaire behandeling van de Wet herziening regime fiscale eenheid volgt dat een incidentele overdracht niet wordt aangemerkt als “normale bedrijfsuitoefening”. Dat geen sprake is van een incidentele overdracht kan aannemelijk gemaakt worden door te laten zien dat er regelmatig vergelijkbare overdrachten plaatsvinden.
Meer inzicht in de uitleg van de begrippen aard en omvang en normale bedrijfsuitoefening die de staatssecretaris voor ogen staat, is te vinden in het Besluit van 11 februari 2003, nr. CPP2002/3783M, BNB 2003/164. Dit besluit is weliswaar vervallen en gaat over het oude regime fiscale eenheid, maar omdat op dit punt geen wijziging is beoogd, is de kennisgroep van mening dat de vragen B.6 tot en met B.8 hun gelding ook onder het nieuwe regime hebben behouden.
Registratienummer R07-032-0001, herzien april 2020”
overkilleen beroep kan worden gedaan op de hardheidsclausule: [26]
,niet tot uitsluiting van de deelnemingsvrijstelling op koerswinsten zal leiden. Het is duidelijk, dat dit niet kan zijn het volstoppen van lege of het leeg halen van volle dochtermaatschappijen.” [29]
5.Rechtspraak
BNB1997/385 [31] betrof een BV die in 1989 een dochter-BV oprichtte, ter volstorting van dier aandelen haar onderneming (een carrosseriebedrijf) inbracht in die dochter en haar meteen opnam in een fiscale eenheid. De BV verkocht de aandelen in de dochter drie maanden later aan een derde, waardoor de fiscale eenheid werd beëindigd. In geschil was of de ingebrachte activa en passiva bij het einde van het boekjaar vóór ontvoeging op hun waarde in het economisch verkeer moesten worden gesteld op grond van de 16e standaardvoorwaarde, resulterende in heffing over de
goodwillen de stille reserves van het carrosseriebedrijf. Het Hof [32] verwierp belanghebbendes stelling dat het om normale bedrijfsuitoefening zou gaan, nu die geen steun vond in de tekst van de voorwaarde of dier totstandkomingsgeschiedenis. In cassatie betoogde de belanghebbende opnieuw dat de uitzondering wél van toepassing was omdat de inbreng spoorde met de statutaire doelomschrijving en de feitelijke werkzaamheden van de dochter en omdat de wetgever bij de totstandkoming van art. 30(3) (oud) Wet Vpb had opgemerkt dat een gewijzigde taakverdeling binnen de fiscale eenheid door normale groei en expansie van de werkzaamheden niet tot toepassing van de sanctie in die bepaling zou leiden.
VI. De te nemen beslissing.
BNB1997/385) meende dat de feiten in deze zaak een schoolvoorbeeld waren van de situatie die de Besluitgever met de 16e standaardvoorwaarde op het oog had:
6.Literatuur
BNB1997/385 [33] heeft de A-G Van Soest diverse citaten opgenomen waaruit volgt dat de literatuur ook toen al onduidelijk vond hoe de term ‘normale bedrijfsuitoefening’, toen nog in de 16e standaardvoorwaarde, uitgelegd moest worden. Hij vervolgde:
Belastingadvies2022/23.3 bij de Rechtbankuitspraak in onze zaak) vindt de parlementaire geschiedenis onduidelijk over de reikwijdte van art. 15ai(3)(a) en vermoedt dat er daarom in de praktijk niet vaak een beroep op wordt gedaan:
NLF2024/0004 bij de Hofuitspraak in onze zaak) ziet belanghebbendes belang niet bij haar stelling dat de activiteiten van [E] BV al vóór voeging in de eenheid zouden zijn overgedragen. Hij betwijfelt de juistheid van ’s Hofs uitleg van art. 15ai(3) Wet Vpb omdat hij zowel ’s Hofs verwijzing naar oude parlementaire geschiedenis als het in 4.9 hierboven geciteerde kennisgroepstandpunt achterhaald acht, nl. een miskenning van hetgeen heden ten dage onder ‘normale’ bedrijfsuitoefening verstaan wordt:
FutD2023-3173 daarentegen begrijpt ’s Hofs oordeel wel:
(…). (…) is in de wetshistorie een tweetal voorbeelden gegeven. (…). Het tweede voorbeeld betreft de situatie waarin een concern een aparte onroerendezaakvennootschap heeft waarin van oudsher de bedrijfspanden zijn gesepareerd. Bij aankoop van een nieuwe dochtermaatschappij door dit concern zal het reeds in die dochtermaatschappij aanwezige bedrijfspand kunnen worden overdragen aan die onroerendezaakvennootschap zonder dat dit leidt tot toepassing van art. 15ai Wet VPB 1969. In dit geval is namelijk volgens de staatssecretaris sprake van een bij de aard en omvang van de normale bedrijfsuitoefening passende overdracht. In de wetsgeschiedenis is opgemerkt dat de term normale bedrijfsuitoefening incidentele overdrachten uitsluit. Dat geen sprake is van incidentele overdrachten kan volgens de wetsgeschiedenis blijken uit het feit dat reeds vergelijkbare overdrachten hebben plaatsgevonden. Uit het hiervoor genoemde voorbeeld over het centraliseren van onroerend goed kan worden afgeleid dat ook een eenmalige overdracht niet als incidenteel wordt aangemerkt, mits de overdracht past binnen de gedragslijn van het concern (in dit geval: het centraliseren van onroerend goed).”
van de overdraagster:
overdrager, zonder twijfel ‘incidenteel’ is en daarmee (wél) besmet zou moeten zijn:
overnemerpassende bedrijfsuitoefening, maar niet in die van de
overdrager.Vanuit de overdrager bezien is mijns inziens sprake van een incidentele overdracht. Wellicht is de staatssecretaris van mening dat indien voor de overdrager wel, maar voor de overnemer geen sprake is van een incidentele overdracht, maar de overdracht past binnen de taakverdeling in het concern, sprake is van een niet-besmette transactie. Het zou goed zijn als het standpunt van de staatssecretaris over besmette transacties in het vervolg van de parlementaire behandeling nog wordt toegelicht.”
7.Middel (i): Is art. 15ai(1) Wet Vpb in casu van toepassing?
goodwillvan [E] BV is overgedragen waarvoor zij bij de overname van [E] BV heeft betaald en dat juist van die winstcapaciteit kan worden gezegd dat die al in 2015 is overgedragen:
verweeracht de Staatssecretaris de vraag of [E] BV’s vermogensbestanddelen in 2015 of in 2016 zijn overgedragen een zuiver feitelijke. Het Hof heeft op basis van wat de partijen hebben gesteld en bewezen aannemelijk geoordeeld dat in 2016 is overgedragen. Dit bewijsoordeel is volgens de Staatssecretaris voorbehouden aan het Hof en niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Voor art. 15ai Wet Vpb is niet de intentie beslissend, maar de feitelijke overdracht. Intentie kan weliswaar worden meegewogen bij de vaststelling van het moment van feitelijke overdracht, maar geeft op zichzelf niet de doorslag, aldus de Staatssecretaris. De winstcapaciteit van [E] BV acht hij overigens onlosmakelijk verbonden met dier vermogensbestanddelen, zodat die winstcapaciteit pas overgaat bij de overdracht van die vermogensbestanddelen.
repliekbetoogt de belanghebbende dat juist omdat het overdrachtsmoment moet worden vastgesteld aan de hand van feiten en omstandigheden, de intenties van de betrokkenen moeten worden meegewogen. Het Hof is eraan voorbijgegaan dat uit andere feiten dan door hem in aanmerking genomen volgt dat er in 2015 niet alleen intentie, maar ook al uitvoering van overdracht was. Het Hof baseert zich ten onrechte alleen op de administratie van de betrokken vennootschappen. Met de overname van [E] BV stond vast dat dier activiteiten zouden worden ondergebracht in de andere onderdelen van de [A] -groep en was duidelijk dat winsten niet meer door [E] BV zouden worden genoten. Feitelijk was daarmee de winstcapaciteit al overgedragen. Met de stelling dat de winstcapaciteit van [E] BV onlosmakelijk is verbonden met dier vermogensbestanddelen en pas overgaat met die vermogensbestanddelen, gaat de Staatssecretaris voorbij aan het feit dat [E] BV
security testing-en
development-diensten verleende en dat de winstcapaciteit van die dienst-verlening niet direct verbonden is met vermogensbestanddelen. Niet in te zien valt dat de winstcapaciteit pas zou zijn overgegaan als alle vermogensbestanddelen zijn overgeheveld.
hostinghad willen laten verkopen en de aandelen [E] BV had willen aanhouden, in welk laatste geval er niets aan de hand zou zijn geweest. De intentie om geen besmette handeling te verrichten, neemt de besmetting niet weg als die handeling wél plaatsvindt.
8.Middel (ii): Is de uitzondering van art. 15ai(3)(a) Wet Vpb van toepassing?
verweerdat het Hof terecht uit de wetsgeschiedenis van art. 15ai(3)(a) Wet Vpb en art. 30(3) Wet Vpb (oud) heeft afgeleid dat art. 15ai(3)(a) Wet Vpb bedoeld is voor normale expansie. Daarbij is het Hof niet gebonden aan een conclusie van de A-G Van Soest of een ingetrokken besluit van 11 februari 2003. De beoordeling of het om normale expansie gaat, is feitelijk en daarmee voorbehouden aan het Hof, dat heeft vastgesteld dat 80% van [E] BV’s activiteiten binnen de eenheid is overgedragen. Het Hof kon volgens de Staatssecretaris daarom oordelen dat dit, bezien vanuit de [...] -vennootschappen, geen normale expansie was, mede gegeven dat die vennootschappen activiteiten zoals de overgenomene zelf niet verrichtten en dat de overname heeft geleid tot 150% omzettoename. Volgens de Staatssecretaris heeft het Hof verder wel degelijk ook beoordeeld of bezien vanuit [E] BV de overdracht paste binnen de aard en omvang van dier normale bedrijfsuitoefening. De belanghebbende heeft bij het Hof immers gesteld dat de overdracht synergie meebrengt die ook [E] BV ten goede komt en het Hof heeft geoordeeld dat synergie niets zegt over de vraag of de overdracht past binnen de aard en omvang van [E] BV’s normale bedrijfsuitoefening. Ook dit oordeel acht de Staatssecretaris feitelijk en niet onbegrijpelijk.
repliekherhaalt de belanghebbende dat het bestaan van art. 15ai(3)(a) Wet Vpb aangeeft dat de wetgever niet bedoelde elke overdracht binnen een eenheid te treffen. Uit het in 8.2 hierboven opgenomen citaat uit de NnavV leidt zij af dat het doel van de overdracht wel degelijk van belang is en dat een overdracht gericht op het behalen van fiscaal voordeel door kortstondig gebruik van de fiscale eenheid anders moet worden behandeld dan een overdracht uit zakelijke overwegingen waarbij fiscaliteit geen rol speelt, zoals de harem.
hostingactiviteiten te verkopen en de aandelen [E] BV zes jaar vast te houden. Er zullen redenen zijn geweest om dat niet te doen.
targetin die vastgoedvennootschap wordt ondergebracht, past dat volgens de wetgever in een normale bedrijfsuitoefening. Zoals ook de boven geciteerde literatuur signaleert, is dat om twee redenen opmerkelijk: (i) als dit vanuit het overnemende concern al als ‘normale bedrijfsuitoefening’ kan worden gezien, vanuit de (aard en omvang van de) overgenomen vennootschap bezien is deze overdracht stellig juist géén ‘normale bedrijfsuitoefening’; de NnavV spreekt de wettekst dus tegen; (ii) die Nota stelt ook expliciet dat ‘incidentele’ overdrachten nooit ‘normaal’ zijn, maar dat een overdracht niet incidenteel is als eerder vergelijkbare overdrachten hebben plaatsgevonden. Dat lijkt mij onhoudbaar. Dat een overname gevolgd door integratie vaker dan één keer gebeurt, neemt haar incidentele karakter niet weg. ‘Incidenteel’ is niet het tegendeel van ‘normaal’. Bovendien is zo’n overdracht, bezien vanuit de overdrager, stellig wél ‘incidenteel’, nl. met zekerheid eenmalig. Ook zou in deze benadering de eerste overname van een
targetgevolgd door integratie van dier activiteiten in het concern volgens een ‘van oudsher’ bestaande taakverdeling
nooitals ‘normale bedrijfsuitoefening’ c.q. ‘normale expansie’ kunnen gelden, maar elke volgende overname en integratie volgens die taakverdeling wél. De literatuur merkt mijns inziens terecht op (zie 6.3 en 6.4 hierboven) dat eens de eerste keer moet zijn en dat niet valt in te zien waarom die eerste keer minder ‘normaal’ zou zijn dan een volgende. Ik merk daarbij op dat uit het proces-verbaal van de zitting van het Hof blijkt dat de belanghebbende in 2022 nog twee overnames heeft gedaan. Zij heeft ter zitting verklaard dat zij in 2022 [F] BV en [G] BV heeft overgenomen en dat de activiteiten van die vennootschappen op dezelfde wijze zijn geïntegreerd in de groep’s taakverdeling als de activiteiten van [E] BV. [62] De Inspecteur heeft ter zitting gesteld dat in 2016 de materiële vaste activa naar [A] BV zijn overgegaan en het personeel naar [B] BV en dat in 2022 ‘alles’ naar Consultancy is overgegaan, [63] maar ook dat nog niet duidelijk was hoe een en ander in 2022 is verlopen omdat de aangifte 2022 nog niet was ontvangen. [64]
enigedaartoe behorende – ‘wenselijke verschuivingen met het oog op de taakverdeling’. Ik zie niet in waarom een overdracht van activiteiten na voeging die geheel past in de bestaande werkzaamhedenverdeling binnen en de bedrijfseconomische doelen van het concern niet onder de uitzondering voor normale bedrijfsvoering (normale expansie) kan vallen, hoezeer mogelijk ook zo’n overdracht naar spraakgebruik als ‘incidenteel’ aangemerkt kan worden, gegeven dat ook de parlementaire geschiedenis (in het voorbeeld van het vastgoed van een warenhuisketen) straal voorbij gaat aan het evident incidentele karakter van de vastgoedoverdracht bezien vanuit de overgenomen overdraagster.