ECLI:NL:PHR:2024:867

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 augustus 2024
Publicatiedatum
29 augustus 2024
Zaaknummer
23/04237
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 149 lid 1 RvArt. 151 lid 2 RvArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad bij doorverkoop kantoorpand en benadeling mede-eigenaar

In deze zaak stond de vraag centraal of eiser als bestuurder van vennootschappen aansprakelijk was voor schade aan Evemij door onrechtmatig handelen bij de verkoop en doorverkoop van een kantoorpand. Evemij was mede-eigenaar en schuldeiser van de vennootschappen en stelde dat eiser door een samenstel van rechtshandelingen de opbrengst van de verkoop had gemanipuleerd om Evemij te benadelen.

De feiten betroffen een complexe vastgoedtransactie waarbij het pand eerst werd verkocht aan een vennootschap van eiser voor 1,1 miljoen euro, waarna het direct werd doorverkocht aan een derde voor 1,4 miljoen euro. Evemij was niet op de hoogte van de doorverkoop en stelde dat hierdoor haar hypotheekrecht werd gefrustreerd en zij schade leed.

De rechtbank wees de vorderingen van Evemij af, maar het hof vernietigde dit vonnis en veroordeelde eiser tot betaling van schadevergoeding wegens bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Eiser stelde cassatieberoep in tegen het arrest, onder meer over de uitleg van de koopprijs en de toelaatbaarheid van bewijs, maar de Hoge Raad verwierp dit beroep. Het hof had terecht geoordeeld dat eiser persoonlijk ernstig verwijtbaar had gehandeld en dat de vordering van Evemij toewijsbaar was.

De Hoge Raad bevestigde dat het hof niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd was getreden en dat het verweer van eiser onvoldoende gemotiveerd was om de vastgestelde feiten te betwisten. Daarmee bleef het arrest van het hof in stand en werd het cassatieberoep verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser is verworpen, waardoor het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden blijft staan en eiser aansprakelijk blijft voor schadevergoeding aan Evemij.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/04237
Zitting30 augustus 2024
CONCLUSIE
B.F. Assink
In de zaak
[eiser] (hierna:
[eiser]),
tegen
Evemij B.V. (hierna:
Evemij).
Inleiding
In deze zaak is [eiser] in hoger beroep veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan Evemij op grond van bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. [eiser] komt in cassatie op tegen deze veroordeling, m.i. zonder succes.

1.Feiten

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 2.2-2.10 van het bestreden arrest [1] (hierna: het
arrest).
1.1
Evemij is een indirect door [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]) bestuurde vennootschap die zich bezighoudt met het beheren, exploiteren en vervreemden van vastgoed. In het verleden heeft Evemij met [A] B.V. (hierna:
[A]) vastgoedobjecten aangekocht en ontwikkeld, waaronder kantoorgebouwen aan de [a-straat 1] in [plaats] (hierna: het
pand) en aan de [b-straat 1] en [b-straat 2] te [plaats] . [A] wordt indirect, want via [B] B.V. (hierna:
[B]), bestuurd door [eiser] .
1.2
Door de kredietcrisis kon [A] haar hypothecaire verplichtingen niet meer nakomen. Evemij heeft die schulden toen als hoofdelijk medeschuldenaar betaald. Op 16 april 2015 heeft Evemij aan [B] en [A] € 289.794,30 geleend. Daarnaast is aan [A] een krediet in rekening-courant verstrekt van € 149.000,-. Tot zekerheid voor de terugbetaling van beide bedragen hebben [B] en [A] aan Evemij een (tweede) recht van hypotheek verstrekt voor € 650.000,-, mede op de aan [A] toebehorende onverdeelde helft van het pand. Daarnaast heeft [eiser] zich hoofdelijk borg gesteld voor de terugbetaling van € 156.893,91.
1.3
In 2017 heeft [eiser] met de belastingdienst afgesproken dat hij de destijds bestaande juridische structuur van zijn vennootschappen zou ontmantelen en [B] en [A] zou opheffen of liquideren.
1.4
In 2019 speelde de verkoop van het pand, onder dreiging van parate executie door de hypotheekhoudende bank. Op 16 april 2019 heeft [eiser] aan [betrokkene 1] laten weten dat hij van Vastbouw B.V. (hierna:
Vastbouw) een bieding van € 1.100.000,- had ontvangen in het kader van een met [A] voorgenomen gezamenlijke herontwikkeling. Evemij voelde op dat moment zelf niet voor herontwikkeling met [A] en wilde haar deel wel verkopen.
1.5
Op 13 juni 2019 heeft Evemij haar onverdeelde helft van het pand voor € 550.000,- verkocht en geleverd aan [A] , die het hele pand op dezelfde datum voor € 1.100.000,- heeft verkocht en geleverd aan een andere vennootschap van [eiser] : Hoofddorp Staete B.V. (hierna:
Hoofddorp Staete). Dit bedrag is aangewend voor aflossing van de bank en gedeeltelijke aflossing van de vordering van Evemij op [B] en [A] . De borgtocht van [eiser] werd verhoogd naar € 225.000,- en het tweede hypotheekrecht van Evemij op de onverdeelde helft van [A] van het pand is doorgehaald.
1.6
Diezelfde dag heeft Hoofddorp Staete het (gehele) pand voor € 1.400.000,- doorverkocht aan Alvast Pensioen B.V. (hierna:
Alvast). Die vennootschap maakte deel uit van de vastbouwgroep van wijlen [betrokkene 2] (hierna:
[betrokkene 2]). Evemij was van deze transactie niet op de hoogte. Gezamenlijke herontwikkeling door [A] en Vastbouw was toen niet meer aan de orde.
1.7
Op 2 september 2019 is het kantoorpand aan de [b-straat 1] te [plaats] door [A] en Evemij voor € 1.050.000,- verkocht aan Sylvius 06 B.V. De resterende vorderingen van de bank op [A] zijn met de verkoopopbrengst afgelost, evenals een deel van de vordering van Evemij op [A] . Hierna resteerde een vordering van Evemij op [A] van € 305.446,04. Door voldoening van de borgtocht door [eiser] op 23 juni 2021 [2] verminderde de vordering van Evemij op [A] tot € 80.446,04. Die schuld is vervolgens onbetaald gebleven.
1.8
Op 29 februari 2020 respectievelijk 10 maart 2020 zijn [A] en [B] na een turboliquidatie ontbonden en uit het handelsregister geschreven.
1.9
Evemij heeft op 16 september 2020 conservatoir beslag laten leggen op onroerende zaken van [eiser] .

2.Procesverloop

In eerste aanleg

2.1
Evemij heeft op 30 september 2020 [eiser] gedagvaard voor de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen (hierna: de
rechtbank)
.Zij heeft in conventie, samengevat, gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van (i) de nog openstaande vordering op [A] van € 80.446,04 en (ii) de helft van het verschil tussen de koopprijs die Alvast voor het pand heeft betaald en die Hoofddorp Staete voor het pand heeft betaald, zijnde € 150.000,-.
2.2
[eiser] heeft verweer gevoerd en in reconventie, samengevat, gevorderd dat de door Evemij gelegde beslagen worden opgeheven en dat Evemij wordt veroordeeld tot vergoeding van de door het beslag geleden schade.
2.3
Op 2 november 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt.
2.4
Bij vonnis van 2 maart 2022 [3] (hierna: het
vonnis) heeft de rechtbank, samengevat, de vorderingen in conventie afgewezen en de vorderingen in reconventie toegewezen.
In hoger beroep
2.5
Bij dagvaarding van 12 mei 2022 is Evemij in hoger beroep gekomen van het vonnis bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden (hierna: het
hof).
2.6
Op 9 augustus 2022 heeft Evemij een memorie van grieven genomen.
2.7
Op 18 oktober 2022 heeft [eiser] een memorie van antwoord genomen.
2.8
Op 22 november 2022 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt.
2.9
Bij het arrest heeft het hof, samengevat, het vonnis vernietigd en [eiser] veroordeeld tot betaling aan Evemij van € 230.446,04 (plus wettelijke rente), met veroordeling van [eiser] in de proces- en beslagkosten.
2.1
In het arrest overweegt het hof onder meer het volgende:

Twee samenhangende verwijten
3.2
Evemij voert aan dat de verkoop aan Hoofddorp Staete en de onmiddellijke doorverkoop legen drie ton extra aan Alvast Pensioen tot doel had de aanspraak van Evemij op de helft van dat verschil (€ 150.000) aan haar te onthouden en haar ook de mogelijkheid te ontnemen zich op de andere helft (van [A] ) te verhalen met gebruikmaking van haar hypotheekrecht. Daarmee is volgens Evemij betaling van de restantschuld van € 80.446,04 moedwillig door [eiser] gefrustreerd.
(…)
De vraag of [eiser] als bestuurder van [A] en Hoofddorp Staete onrechtmatig heeft gehandeld
3.5
Evemij heeft subsidiair aangevoerd dat [eiser] als bestuurder van zowel [A] als Hoofddorp Staete persoonlijk ernstig verwijtbaar - en daarmee onrechtmatig - heeft gehandeld, en dat Evemij door dit handelen schade heeft geleden. Dat verwijt treft doel als inderdaad, zoals Evemij aanvoert, sprake is geweest van een samenstel van door [eiser] als bestuurder van beide BV’s gecoördineerde rechtshandelingen, met de bedoeling anderhalve ton aan meeropbrengst aan Evemij te onthouden en haar te beletten om met gebruikmaking van haar hypotheekrecht tot uitwinning van haar restantvordering over te gaan. Bij de beoordeling van dit alles staat onbestreden voorop (i) dat de verkoop van het pand plaatsvond onder de dreiging van parate executie door de bank, (ii) dat beide partijen tot uitgangspunt hebben genomen dat Evemij voor haar aandeel de helft zou ontvangen van het bedrag dat het pand bij verkoop zou opbrengen, (iii) dat Evemij zich heeft gebaseerd op de mededeling van [eiser] dat met de heren van Vastbouw een overeenkomst was te sluiten voor (slechts) dat bedrag, zonder voorbehouden en (iv) waarbij zij haar tweede hypotheekrecht op het pand zou moeten doorhalen. Onder die omstandigheden handelde [eiser] inderdaad persoonlijk ernstig verwijtbaar wanneer hij zonder goede grond (i) als bestuurder van [A] de koop van het aandeel van Evemij op basis van een koopsom van 1,1 miljoen heeft bewerkstelligd, (ii) dat aandeel - zonder medeweten van Evemij - onmiddellijk voor anderhalve ton meer heeft doorverkocht aan ‘de heren van Vastbouw’ (in dit geval: Alvast Pensioen) en (iii) heeft bewerkstelligd dat elke verhaalsmogelijkheid van Evemij op het perceel voor vorderingen op [A] verloren ging.
3.6
Het verweer hiertegen luidt dat [betrokkene 2] slechts bereid was 1,1 miljoen voor het pand te betalen, vermeerderd met € 300.000 aan kosten. Volgens [eiser] strekte die verhoging tot vergoeding van plankosten die voor rekening van Hoofddorp Staete waren gekomen. Dat dergelijke kosten inderdaad door Hoofddorp Staete zijn gedragen, acht het hof op voorhand echter niet aannemelijk, omdat de vennootschappen van [eiser] in de relevante periode naar eigen zeggen in zwaar weer verkeerden, en omdat de vordering van Evemij juist betrekking heeft op kosten die zij om die reden heeft voorgeschoten aan [eiser] en zijn vennootschappen. Bovendien verdraagt zich dit verweer slecht met verhoging van de koopsom. Daarover moet immers overdrachtsbelasting worden betaald. [eiser] heeft niet uitgelegd welke argumenten hij had om die fiscaal ongunstige constructie voor lief te nemen.
3.7
Aan het verweer van [eiser] moet gelet op het voorgaande de eis worden gesteld dat de beweerdelijk gemaakte en door Hoofddorp Staete gedragen kosten deugdelijk worden onderbouwd. Dat is echter niet gebeurd, laat staan dat die kosten aannemelijk zijn gemaakt: volgens [eiser] gaat het om circa € 65.000 interne kosten, € 30.000 aan kosten van de architect en de door Techcomad in rekening gebrachte ontwikkelingskosten van € 150.000. Deze bedragen belopen in totaal ruim minder dan drie ton. Bovendien overweegt het hof het volgende.
- De stukken van de architect die kort voor de zitting bij het hof zijn overgelegd, dateren goeddeels van 2015 en hebben ook volgens [eiser] zelf niet tot de kosten geleid waar hij zich op beroept.
- De rekening van Techcomad (dat kennelijk was gelieerd aan [betrokkene 2] ) is gericht aan [B] , en niet aan Hoofddorp Staete, en heeft volgens de omschrijving betrekking op ‘diverse projecten’. Nergens blijkt uit dat deze rekening geheel of gedeeltelijk kan worden toegerekend aan voorbereidingskosten voor de ontwikkeling van het pand, of dat die rekening is betaald en bij Hoofddorp Staete in rekening is gebracht.
- De administratief medewerkster van [eiser] en zijn vennootschappen, [betrokkene 3] , beperkt zich tot de opmerking dat Hoofddorp Staete werd belast voor bouwadvieskosten Techcomad, Cybele management, ontwikkelkosten, algemene kosten, administratiekosten en andere kosten. Als dat zo is, dan zou dat eenvoudig met stukken uit de boekhouding van deze vennootschap kunnen worden onderbouwd. Dat is echter niet gebeurd.
3.8
Het voorgaande betekent dat [eiser] in zijn verweer tegen de vorderingen tekortschiet. Om die reden ziet het hof geen ruimte voor bewijsvoering van zijn kant.
3.9
De hoogte van de twee schadeposten is niet bestreden. De gemiste opbrengst van het deel van Evemij spreekt ook voor zich. De schade ten aanzien van het gemiste verhaal begrijpt het hof als volgt: als Evemij ervan op de hoogte was geweest dat het pand voor 1,4 miljoen aan een vennootschap van [betrokkene 2] was verkocht, zou de hypotheek op het pand door Evemij niet zijn doorgehaald, en zou zij zich tot € 150.000 op de opbrengst hebben kunnen verhalen. Daarna zou - na het inroepen en eventueel verhogen van de borgtocht - ook het restant van de vordering van Evemij op [A] van € 80.446,04 zijn voldaan.”
In cassatie
2.11
Bij procesinleiding van 1 november 2023 [4] heeft [eiser] (tijdig) cassatieberoep ingesteld van het arrest. Hij heeft schriftelijke toelichting gegeven. Evemij is niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel van [eiser] begint (onder 0) met een inleiding zonder klachten. Het middel bestaat verder uit drie onderdelen (I-III), elk met een inleiding zonder klachten, waarvan de onderdelen I en II meerdere subonderdelen bevatten.
Onderdeel Ikomt op tegen ’s hofs verwerping van het verweer van [eiser] dat het verschil van € 300.000,- geen hogere koopprijs voor het pand betrof, maar een kostenvergoeding.
Onderdeel IIhoudt in dat het hof het grievenstelsel heeft miskend door te beoordelen of [eiser] aansprakelijk was op grond van bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad.
Onderdeel IIIklaagt over miskenning van het grievenstelsel door het hof met betrekking tot een bepaalde feitelijke vaststelling. Het slot van het middel bevat kennelijk nog een
voortbouwklachtinzake kosten.
Onderdeel I
3.2
De drie subonderdelen van onderdeel I klagen over het oordeel dat aan Hoofddorp Staete € 1.400.000,- voor het pand is betaald. De klachten hebben als uitgangspunt dat [eiser] ’ verweer luidde dat aan Hoofddorp Staete maar € 1.100.000,- voor het pand is betaald; de resterende € 300.000,- betreft een vergoeding voor het overnemen van het projectplan van Hoofddorp Staete, welke vergoeding aan haar is betaald bovenop de € 1.100.000,- voor het pand. [5]
3.2.1
Subonderdeel I.1 [6] is mede gericht tegen de verwerping van het verweer van [eiser] in rov. 3.6-3.8 van het arrest. Het hof begrijpt het verweer van [eiser] zo dat [betrokkene 2] slechts bereid was € 1.100.000,- voor het pand te betalen, vermeerderd met € 300.000,- aan “kosten”; die verhoging van € 300.000,- strekte tot vergoeding van projectplankosten die voor rekening van Hoofddorp Staete waren gekomen. Daarmee miskent het hof het daadwerkelijke verweer van [eiser] als bedoeld onder 3.2 hiervoor. Het subonderdeel wijst op 12 citaten (aangeduid als de citaten A t/m L). [7] Daaruit zou volgen dat [eiser] niet verdedigde dat Hoofddorp Staete € 300.000,- aan zulke kosten had gemaakt (dat de aan haar betaalde € 300.000,- een vergoeding was voor die kosten), maar dat de koper € 300.000,- ervoor over had om het projectplan zelf te kunnen ontwikkelen (dat de aan Hoofddorp Staete betaalde € 300.000,- een vergoeding was voor dit plan). Daarmee berust het bestreden oordeel op een onbegrijpelijke uitleg van de gedingstukken. Dit geldt dan ook voor de totstandkoming van het kennelijke oordeel van het hof in rov. 3.5, in de woorden van het subonderdeel, dat sprake ervan was “dat [eiser] als bestuurder van [A] dat aandeel -zonder medeweten van Evemij- onmiddellijk voor anderhalve ton meer heeft doorverkocht aan ‘de heren van Vastbouw’ (in dit geval: Alvast Pensioen).”
3.2.2
Subonderdeel I.2 [8] klaagt naar de kern genomen dat ‘s hofs oordeel blijk geeft van miskenning van art. 149 lid 1 Rv Pro, door ondanks een zo uitdrukkelijke betwisting door [eiser] dat aan Hoofddorp Staete € 1.400.000,- voor het pand is betaald (met de stellingen in de citaten A t/m L) de dragende stelling van Evemij dat wél aan Hoofddorp Staete € 1.400.000,- voor het pand is betaald als feit aan te nemen. [9]
3.2.3
Subonderdeel I.3 [10] komt op tegen ’s hofs oordeel in rov. 3.8 dat het geen ruimte ziet voor bewijsvoering zijdens [eiser] . De
motiveringsklachtkomt op tegen een mogelijke lezing van het arrest (welke lezing is ingekleed als voorwaarde). Namelijk dat het hof geen ruimte ziet voor bewijsvoering zijdens [eiser] , omdat hetgeen [eiser] ten bewijze heeft aangeboden niet ter zake doet in ’s hofs redenering. De motiveringsklacht bevat de voortbouwklacht dat bij het slagen van subonderdeel I.1 het bestreden oordeel niet in stand kan blijven, omdat het niet-toelaten tot bewijs dan onbegrijpelijk is want voortbouwt op een onbegrijpelijke uitleg van de gedingstukken. De
rechtsklachthoudt in dat, bij een andere lezing dan hiervoor uiteengezet, het niet-toelaten tot bewijs onjuist is aangezien “het bewijs” hier tegenbewijs betreft en het hof aan het toelaten tot tegenbewijs - onjuist - eisen stelt die in strijd zijn met art. 151 lid 2 Rv Pro.
Behandeling
3.3
De subonderdelen falen, gelet op het volgende.
3.4
Te beginnen met
subonderdeel I.1.
3.4.1
Blijkens rov. 3.6-3.8 van het arrest - en naar het subonderdeel onderkent - begrijpt het hof het verweer van [eiser] zo dat [betrokkene 2] slechts bereid was € 1.100.000,- voor het pand te betalen, vermeerderd met € 300.000,- aan
kosten; die verhoging van € 300.000,- strekte tot vergoeding van projectplan
kostendie voor rekening van Hoofddorp Staete waren gekomen. Het hof verwerpt dit verweer in diezelfde rechtsoverwegingen. Zie onder 2.10 hiervoor.
3.4.2
Anders dan het subonderdeel aanvoert, is het geenszins onbegrijpelijk dat het hof wat betreft dit verweer van [eiser] de gedingstukken zo uitlegt dat volgens [eiser] die verhoging van € 300.000,- strekte tot vergoeding van projectplan
kostendie voor rekening van Hoofddorp Staete waren gekomen. Dus níet dat volgens [eiser] de koper € 300.000,- ervoor over had om het projectplan zelf te kunnen ontwikkelen (de aan Hoofddorp Staete betaalde € 300.000,- een vergoeding was voor dit plan), wat - naar het subonderdeel onderkent - niet hetzelfde is.
3.4.3
Ik citeer, ter illustratie, enkele sprekende passages uit [eiser] ’ stellingen in feitelijke instanties.
3.4.4
Uit de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie zijdens [eiser] :
“7. De kosten, die gepaard gingen met de voorbereidingen en uitwerking van het projectontwikkelingsplan, waren fors. Naast interne kosten van Hoofddorp Staete á circa EUR 65.000,-, hebben verschillende extern ingeschakelde partijen aan het plan gewerkt. Hoofddorp Staete heeft onder meer een bouwmanager ingeschakeld en een architect ( [betrokkene 4] ), waarvoor een bedrag van ongeveer EUR 30.000,- is doorbelast aan Hoofddorp Staete. Tot slot werd door Hoofddorp Staete opdracht gegeven aan ingenieursbureau Techcomad om de voorgenomen ontwikkelingen uit te werken, waarmee een kostenpost van ruim EUR 150.000,- gepaard ging. In totaal beliepen de kosten voor het opstellen en uitwerken van de plannen ongeveer EUR 280.000,-.
(…)
11. (…) De (hoge) kosten voor de uitwerking van het projectontwikkelingsplan waren immers gemaakt in Hoofddorp Staete en de vergoeding daarvan (die verdisconteerd was in de koopprijs van het pand) diende derhalve - logischerwijs - óók in Hoofddorp Staete te vallen.
(…)
29. Daar komt nog bij dat het verschil van EUR 300.000,- in de door [A] en Hoofddorp Staete ontvangen koopprijzen, niet een ‘winst’ van [eiser] is, die zij zou hebben onthouden aan Evemij, maar een vergoeding van de kosten die door Hoofddorp Staete zijn gemaakt (en dus niet door [A] ) in het kader van de uitwerking van een projectontwikkelingsplan. Vanzelfsprekend dient een vergoeding van kosten te vallen in de vennootschap die die kosten daadwerkelijk heeft gemaakt. [eiser] kan niet worden tegengeworpen dat zij dienovereenkomstig heeft gehandeld. In tegendeel. Juist in het geval waarin [eiser] de vergoeding van kosten die door Hoofddorp Staete zijn gemaakt zou hebben laten betalen aan [A] , zou dat ten aanzien van Hoofddorp Staete en haar schuldeisers een persoonlijk en ernstig verwijt in de richting van [eiser] opleveren. Bovendien valt niet te rechtvaardigen waarom Evemij aanspraak zou kunnen maken op vergoeding van kosten die door Hoofddorp Staete zijn gemaakt.”
3.4.5
Uit de spreekaantekeningen voor de mondelinge behandeling in eerste aanleg zijdens [eiser] :
“5. In het kort, (i) Toen [A] BV op 15 april 2019 met Evemij een prijsafspraak van € 1,1 miljoen maakte, was er geen bod van Vastbouw én was er geen afspraak met Vastbouw over (door)verkoop van het pand aan haar voor € 1,4 miljoen, (ii) het pand stond al meer dan 10 jaar te koop, (iii) Evemij heeft zelf op allerlei mogelijke manieren geprobeerd het pand te slijten, (iv) Evemij was ermee bekend dat [eiser] samenwerkte en ontwikkelde samen met Vastbouw, (v) dat het pand door [A] BV zou worden doorgeleverd aan een andere B.V., waarna het pand zou worden verkocht aan (een entiteit van) Vastbouw, (vi) de prijs van € 1,1 miljoen was op 15 april 2019 toen partijen overeenstemming bereikten een reële markt prijs, (vii) [eiser] heeft zelf ontwikkelingskosten gemaakt, (viii) kort vóór de levering op 13 juni 2019 deelde Vastbouw aan [eiser] mee het pand alleen te willen ontwikkelen, waarna [eiser] en Vastbouw een koopprijs van € 1,4 miljoen afspraken waarin een vergoeding zat van ontwikkelingskosten van [eiser] én (ix) heel belangrijk, Evemij zit in de handel in vastgoed. Evemij dwaalt niet over de waarde van onroerende zaken. Ze weet en kent als geen ander de onroerend goed markt en weet wat panden waard zijn. Van dwaling of bedrog gepleegd door [A] BV is dus geen sprake.
6. Nogmaals, toen ten tijde van de prijsafspraak van € 1,1 miljoen op 15 april 2019 was er geen bod van Vastbouw én was er geen afspraak met Vastbouw over (door)verkoop van het pand aan haar voor € 1,4 miljoen (…).”
3.4.6
Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, p. 2-3:

Mr. Kroep[de advocaat van [eiser] , A-G]
Op 15 april 2019 had [eiser] met Vastbouw de afspraak om het pand samen te gaan ontwikkelen. Kort voor de levering meldde Vastbouw dat ze [eiser] uit wilden kopen. [eiser] heeft toen gezegd: ik heb kosten gemaakt. Daarna is een nieuwe prijs afgesproken. (…)
(…)
:
Ik ben bijna een jaar bezig geweest met het project en heb er vaak met [betrokkene 1] [ [betrokkene 1] , A-G] over gesproken. Het pand moest weg van [betrokkene 1] . Er zat druk op. Ik ben van origine projectontwikkelaar, vandaar dat ik het heb opgepakt. Ik ben met Vastbouw en een architect bezig gegaan en heb daar kosten voor gemaakt. Wij waren blij dat we Vastbouw konden vastleggen, dat was mijn verdienste. Ik heb daar daadwerkelijk veel kosten gemaakt (o.a. kosten voor een architect, constructeur en een bouwmanager).”
3.4.7
Uit de memorie van antwoord zijdens [eiser] :
“11. Volgens [eiser] bestonden er wel goede mogelijkheden om het pand aan de [a-straat 1] te ontwikkelen. Terwijl [betrokkene 1] - zonder succes - bleef proberen om een koper te vinden voor het pand aan de [a-straat 1] , is [eiser] begonnen met het uitwerken van een eigen projectontwikkelingsplan voor het pand, waarmee een potentiële ontwikkelingspartner zou kunnen worden benaderd. De uitwerking van het plan en de kosten daarvan zijn in- en voor rekening van de vennootschap Hoofddorp Staete B.V. (hierna: Hoofddorp Staete) (een vennootschap waarvan [eiser] (indirect) aandeelhouder en bestuurder was) uitgevoerd. [eiser] had daarvoor meerdere redenen:
1. de vennootschappen [B] en [A] hadden niet de middelen om de (hoge) kosten voor het uitwerken van het projectontwikkelingsplan te dragen, laat staan dat zij de kosten c.q. investeringen voor de latere uitvoering van het plan zouden kunnen dragen;
(…)
15. Via [betrokkene 2] was Vastbouw dus een potentiële ontwikkelingspartner. Nadat [betrokkene 2] in 2018 en aanvang 2019 op verzoek van [eiser] al eens had meegekeken en meegedacht bij het project aan de [a-straat] te [plaats] schoof [betrokkene 2] Vastbouw in het eerste kwartaal van 2019 naar voren als ontwikkelingspartner. Op dat moment had [eiser] samen met [betrokkene 2] al de nodige ontwikkelingswerkzaamheden verricht, zoals onderzoek naar de mogelijkheden van ontwikkeling door met de gemeente te spreken, overleg met de eigenaren van naburige panden over een gezamenlijke ontwikkeling (met de één werd er financieel niet uitgekomen, de ander heeft het pand aan een derde verkocht), overleg met de architect over de mogelijkheden, het laten maken van globale doorrekeningen en kostenramingen etc. Hierin heeft al heel veel tijd en kosten gezeten voor [eiser] c.q. Hoofddorp Staete die deze kosten betaalde. Toen Vastbouw aan boord kwam vonden er gesprekken plaats met en bij Vastbouw in de persoon van [betrokkene 2] en [betrokkene 5] (hierna: “ [betrokkene 5] ") over een gezamenlijke ontwikkeling.
(…)
19. Zoals hiervoor vermeld was een koopsom van € 1,1 miljoen ook een marktconforme prijs voor het pand aan de [a-straat] . Dat blijkt wel uit de eerdere biedingen van derden van de weken daarvoor. Deze derden boden € 1 miljoen respectievelijk € 1,2 (met veel (onhaalbare) voorwaarden) omdat zij zelf ook nog veel projectontwikkelingskosten zouden moeten maken. Hoofddorp Staete had in 2018 en in 2019 echter al veel verricht projectontwikkelingswerk betaald, waarmee Vastbouw direct aan de slag kon en waarvoor Vastbouw ook bereid was om te betalen, omdat zij die niet meer zelf zou hoeven te verrichten. De vergoeding van € 300.000 die Vastbouw aan Hoofddorp Staete heeft betaald, betrof dus geen vergoeding voor het pand. De afspraken met Vastbouw zijn gemaakt in de persoon van [betrokkene 2] , die inmiddels is overleden. Toch biedt [eiser] hiervan uitdrukkelijk bewijs aan door het horen van hemzelf en [betrokkene 5] . Evemij is dus geen vergoeding voor het pand misgelopen. Vastbouw zou voor het pand sec, dus zonder alle vruchten van de reeds verrichte projectontwikkelingswerkzaamheden, ook nooit meer dan € 1,1 miljoen hebben willen betalen. Voor zover nodig biedt [eiser] hiervan uitdrukkelijk bewijs aan door het horen van hemzelf en [betrokkene 5] .
20. (…) NB. De kosten voor Hoofddorp Staete, die gepaard gingen met de voorbereidingen en uitwerking van het projectontwikkelingsplan, waren fors. Naast interne kosten van Hoofddorp Staete a circa EUR 65.000,-, hebben verschillende extern ingeschakelde partijen aan het plan gewerkt. Hoofddorp Staete heeft onder meer een bouwmanager ingeschakeld en een architect ( [betrokkene 4] ), waarvoor een bedrag van ongeveer EUR 30.000,- is doorbelast aan Hoofddorp Staete. Tot slot werd door Hoofddorp Staete opdracht gegeven aan ingenieursbureau Techcomad om de voorgenomen ontwikkelingen uit te werken, waarmee een kostenpost van ruim EUR 150.000,- gepaard ging. Ook zijn veel interne kosten gemaakt in Hoofddorp Staete. In totaal beliepen de kosten voor het opstellen en uitwerken van de plannen ongeveer EUR 280.000,-.”
3.4.8
En uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 3-4:

Mr. Kroep: u houdt mij voor dat ter onderbouwing van de stelling dat [eiser] kosten ter hoogte van € 300.000,- heeft gemaakt alleen verwezen wordt naar de e-mail van [betrokkene 3] van 14 oktober 2022 en naar de tekeningen van [betrokkene 4] die dateren uit 2015. Het klopt dat [eiser] geen rekeningen in het geding heeft gebracht. [eiser] heeft wel verklaard wat er is gebeurd. Dat ligt buiten het gezichtsveld van Evemij. Er zijn met vele partijen gesprekken gevoerd, er zijn reis- en verblijfkosten gemaakt en de bouwbegeleider moet betaald worden. Die kosten moeten doorbelast worden naar de B.V. waarop die kosten betrekking hebben. De ontwikkeling vond plaats in Hoofddorp Staete B.V., daar zijn de kosten belast. Het klopt dat de factuur van Techcomad van 6 juni 2019 (
productie 2 bij conclusie van antwoord) summier is, maar dat is hoe het in de praktijk gaat. [eiser] is in gesprek gegaan met [betrokkene 2] over meerdere projecten. [betrokkene 2] stuurt dan één verzamelfactuur. Die kosten moeten door [betrokkene 3] ergens geboekt worden. Dat hoort niet allemaal bij [B] , dus er zijn ook kosten geboekt bij Hoofddorp Staete B.V. De rekening van Techcomad van € 150.000.- ging om onderhanden werk. Er zit ook een stuk no cure no pay in. Als het tot ontwikkeling zou komen, mochten de werkzaamheden in rekening worden gebracht. Het klopt dat Techcomad een vennootschap van [betrokkene 2] was.
U vraagt mij waarom de kostenvergoeding bij de koopsom is opgeteld en niet apart daarvan in rekening is gebracht. In de koopsom die Vastbouw betaalde waren de ontwikkelingskosten begrepen. Het is niet ongebruikelijk dat die kosten niet gespecificeerd zijn. Als je bouwrijpe grond koopt, betaal je ook een vaste prijs per m2 zonder dat dat gespecificeerd is. Dat over deze kostenvergoeding nu overdrachtsbelasting is betaald, is schade van Vastbouw, niet van Hoofddorp Staete.
[eiser]: ik heb niet met [betrokkene 1] besproken dat ik bij Vastbouw kosten van € 300.000,- in rekening zou brengen bovenop de koopsom van € 1,1 miljoen. Ik heb gewoon mijn kosten gemaakt, zo gaat dat in zo’n traject. Ik wilde ook niet dat het pand geveild zou worden en de verhouding met Evemij was niet goed meer. Ik ben daarom met Vastbouw doorgegaan, die relatie was wel goed. Ik ben richting Evemij open geweest over wat we konden krijgen. Ik heb in het voortraject heel veel werkzaamheden verricht, ook voor Vastbouw. Ik kan me niet voorstellen dat Evemij het gevoel heeft dat zij achter het net gevist heeft doordat het pand uiteindelijk via Hoofddorp Staete voor € 1,4 miljoen aan Vastbouw is doorverkocht. Als verkoper kijk ik alleen naar mijn eigen deal. Als de koper het pand daarna gunstig doorverkoopt, is dat zijn geluk.
(…)
[eiser]: het verschil tussen € 1,1 en € 1,4 miljoen laat zich verklaren door de kosten die ik heb gemaakt. Tot 2015 was dat in gezamenlijkheid, in de periode 2016-2018 heb ik zelf kosten gemaakt. De planstukken die in die laatste periode zijn gemaakt, zijn ingeboekt door [betrokkene 3] .
Mr. Kroep: [eiser] biedt uitdrukkelijk bewijs aan van zijn stelling dat die kosten zijn gemaakt.”
3.4.9
Daarbij komt nog dat ook de rechtbank het verweer van [eiser] zo begreep, blijkens rov. 4.9 van het vonnis (waartegen [eiser] geen incidentele grief heeft gericht):
“Omdat [A] reeds kosten had gemaakt voor de ontwikkeling van het pand, welke kosten zijn betaald door Hoofddorp Staete, heeft [eiser] ervoor gekozen om de levering van het kantoorpand via Hoofddorp Staete te laten lopen, om op die manier de kosten die reeds waren gemaakt vergoed te krijgen. De meerprijs van € 300.000,00 betreft slechts een vergoeding van de reeds gemaakte kosten voor de ontwikkeling van het kantoorpand, aldus [eiser] .”
3.4.10
Hetzelfde geldt voor Evemij, blijkens de gedingstukken in feitelijke instanties. [11]
3.4.11
De door het subonderdeel aangehaalde citaten A t/m L leiden niet tot een andere uitkomst. Ik leg uit waarom.
3.4.12
De citaten B, [12] D, [13] E, [14] F, [15] en G [16] kwamen onder 3.4.4-3.4.7 hiervoor al aan bod. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.4.13
Uit de citaten C, [17] H, [18] en L [19] kan niets worden afgeleid over de vraag of het bedrag van € 300.000,- een kostenvergoeding betrof. Ook dit behoeft geen verdere toelichting.
3.4.14
Dan resteren de citaten A, [20] I, [21] J [22] en K. [23] Daarin wordt ter zake op de keper beschouwd volstaan met de opmerking dat Vastbouw en Hoofddorp Staete de “waarde van het door Hoofddorp Staete uitgewerkte plan gezamenlijk met een voorschot op de betrokkenheid van Hoofddorp Staete bij de verdere ontwikkeling” hebben “getaxeerd” op € 300.000,-, en dat dit bedrag een “lumpsum” betrof “voor overdracht van alle reeds door Hoofddorp Staete betaalde ontwikkelingswerkzaamheden en de vruchten daarvan en de overdracht van het aandeel van Hoofddorp Staete in de gezamenlijke projectontwikkeling.” [24]
3.4.15
Die opmerking is lastig te doorgronden en in het geheel niet onderbouwd, zodat daaraan moeilijk betekenis valt toe te kennen. Die opmerking moet bovendien worden bezien in de bredere context van het door [eiser] in feitelijke instanties aangevoerde. Zoals diens onder 3.4.4 en 3.4.7 hiervoor genoemde stellingen inzake de € 300.000,- als vergoeding van door Hoofddorp Staete gemaakte projectplan
kosten. [25] En diens onder 3.4.8 hiervoor genoemde stellingen - dus nog ter mondelinge behandeling in hoger beroep - dat hij niet met [betrokkene 1] heeft besproken dat hij bij Vastbouw kosten van € 300.000,- in rekening zou brengen bovenop de koopsom van € 1,1 miljoen, en dat het verschil tussen € 1,1 en € 1,4 miljoen zich laat verklaren door de kosten die hij heeft gemaakt (waarbij zijdens [eiser] ook uitdrukkelijk bewijs is aangeboden “van zijn stelling dat die kosten zijn gemaakt”). Wat ook weer aansluit op [eiser] ’ onder 3.4.5-3.4.6 hiervoor genoemde stellingen.
3.4.16
Het is duidelijk: ook die opmerking staat niet in de weg aan hetgeen ik schreef onder 3.4.2 hiervoor.
3.4.17
Daarmee ontvalt tevens de bodem aan het subonderdeel voor zover gericht tegen rov. 3.5. Ik laat dan nog daar dat daarin niet te lezen valt, anders dan het subonderdeel veronderstelt, dat volgens het hof “ [eiser] als bestuurder van [A] dat aandeel -zonder medeweten van Evemij- onmiddellijk voor anderhalve ton meer heeft doorverkocht aan ‘de heren van Vastbouw’ (in dit geval: Alvast Pensioen).” De wederpartij van Alvast was - naar het hof onderkent - immers Hoofddorp Staete, niet [A] . Zie onder 1.5-1.6 hiervoor.
3.5
Dan
subonderdeel I.2.
3.5.1
De stelling van Evemij waar [eiser] ’ betwisting volgens het subonderdeel op ziet is dat aan Hoofddorp Staete € 1.400.000,- voor het pand is betaald. [26] Het hof begrijpt dit verweer van [eiser] blijkens rov. 3.6-3.8 van het arrest zo dat [betrokkene 2] slechts bereid was € 1.100.000,- voor het pand te betalen, vermeerderd met € 300.000,- aan kosten; die verhoging van € 300.000,- strekte tot vergoeding van projectplankosten die voor rekening van Hoofddorp Staete waren gekomen. Het hof beoordeelt dit verweer in rov. 3.6-3.7 en concludeert in rov. 3.8 (onder verwijzing naar rov. 3.6-3.7) dat [eiser] in zijn verweer tekortschiet, oftewel: dat [eiser] de stelling van Evemij dat aan Hoofddorp Staete € 1.400.000,- voor het pand is betaald onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. In dit licht kon het hof dus, gelijk het doet, wel als (onvoldoende gemotiveerd betwist) feit aannemen dat aan Hoofddorp Staete € 1.400.000,- voor het pand is betaald. Aldus past het hof art. 149 lid 1 Rv Pro correct toe. Tegen ‘s hofs verwerping van dit verweer komt [eiser] bovendien niet op in cassatie anders dan met subonderdeel I.1, dat als gezegd faalt. Daarmee is gegeven dat ook het onderhavige subonderdeel faalt.
3.6
Tot slot
subonderdeel I.3.
3.6.1
Ik begin met de
motiveringsklacht. Deze strandt op het volgende. De voorwaarde waaronder de klacht is ingesteld, is niet vervuld. Want het is duidelijk dat het hof in rov. 3.8 van het arrest geen ruimte ziet voor bewijsvoering zijdens [eiser] omdat hij de stelling van Evemij dat aan Hoofddorp Staete € 1.400.000,- voor het pand is betaald onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, níet - en dat is de mogelijke lezing waar de klacht tegen op komt - omdat hetgeen [eiser] ten bewijze heeft aangeboden niet ter zake zou doen in ’s hofs redenering. Bovendien bouwt de klacht voort op subonderdeel I.1, dat als gezegd faalt.
3.6.2
Dan, als laatste, de
rechtsklacht. Deze strandt op het volgende. Omdat [eiser] de stelling van Evemij dat aan Hoofddorp Staete € 1.400.000,- voor het pand is betaald volgens het hof onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, mocht het hof dat feit als zodanig aannemen en was bewijslevering niet aan de orde. [27] Daaraan doet niet af dat het een aanbod van [eiser] tot tegenbewijs betreft. Ook bij een aanbod tot tegenbewijs geldt dat, om tot bewijslevering te worden toegelaten, de partij die het aanbod heeft gedaan eerst de door de wederpartij gestelde feiten voldoende gemotiveerd moet hebben betwist. [28] Wat [eiser] naar het oordeel van het hof dus niet heeft gedaan. Kort en goed: de door de klacht bedoelde schending door het hof van art. 151 lid 2 Rv Pro doet zich in werkelijkheid niet voor.
3.7
Daarmee is gegeven dat onderdeel I faalt.
Onderdeel II
3.8
De twee subonderdelen van onderdeel II richten zich tegen de toewijzing van Evemij’s schadevergoedingsvordering op de (subsidiair aangevoerde) grondslag van bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad.
3.8.1
Subonderdeel II.1 [29] houdt in dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door [eiser] , buiten de grieven om, op de voet van bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad te veroordelen op basis van de redengeving in rov. 3.5-3.8 van het arrest. De rechtbank had namelijk de vorderingen van Evemij afgewezen. Evemij heeft met haar grieven niet betoogd dat het vonnis niet in stand kon blijven omdat haar vorderingen op de subsidiaire grondslag van bestuurdersaansprakelijkheid toegewezen hadden moeten worden. In elk geval heeft Evemij aan de vordering tot vergoeding van € 150.000,- niet het “persoonlijk ernstig verwijt” ten grondslag gelegd. Voor zover het hof een dergelijk betoog in hoger beroep heeft afgeleid uit iets anders dan Evemij’s memorie van grieven, heeft het daarmee de tweeconclusieregel miskend.
3.8.2
Subonderdeel II.2 [30] bevat een motiveringsklacht die voorwaardelijk is ingesteld. De voorwaarde komt erop neer dat het arrest zo begrepen moet worden dat volgens het hof Evemij, ten betoge dat het vonnis niet in stand kan blijven, in haar grieven heeft aangevoerd dat [eiser] als bestuurder van zowel [A] als Hoofddorp Staete persoonlijk ernstig verwijtbaar en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld en dat [eiser] daardoor aansprakelijk is voor vergoeding van zowel € 150.000,- als € 80.446,04. De klacht behelst dat in dat geval het hof een onbegrijpelijk uitleg geeft aan de grieven van Evemij.
Behandeling
3.9
De subonderdelen falen, gelet op het volgende.
3.1
Te beginnen met
subonderdeel II.1.
3.10.1
Het hof stelt in rov. 3.5 van het arrest voorop dat Evemij subsidiair heeft aangevoerd dat [eiser] als bestuurder van zowel [A] als Hoofddorp Staete persoonlijk ernstig verwijtbaar, en daarmee onrechtmatig, heeft gehandeld als nader uiteengezet in rov. 3.5. [31] Deze subsidiaire grondslag maakt het hof op, gezien rov. 3.5, uit Evemij’s betoog - samengevat - dat:
“sprake is geweest van een samenstel van door [eiser] als bestuurder van beide BV’s [dus: [A] en Hoofddorp Staete, A-G] gecoördineerde rechtshandelingen, met de bedoeling anderhalve ton aan meeropbrengst aan Evemij te onthouden en haar te beletten om met gebruikmaking van haar hypotheekrecht tot uitwinning van haar restantvordering over te gaan.”
Met die twee schadeposten doelt het hof uiteraard op de in rov. 3.2 genoemde bedragen € 150.000,- (de “anderhalve ton aan meeropbrengst”) en € 80.446,04 (de “restantvordering”). Zie onder 2.10 hiervoor.
3.10.2
M.i. is het niet onbegrijpelijk dat het hof dit een en ander leest in de gedingstukken in hoger beroep. Het hof kon dit afleiden, zoals het doet, uit de memorie van grieven zijdens Evemij. [32] Daaruit blijkt ook dat, anders dan [eiser] ter zake in cassatie doet voorkomen, [33] Evemij aan de restantvordering niet slechts ten grondslag heeft gelegd dat [eiser] ten onrechte is overgegaan tot turboliquidatie van [A] , en aan de vordering met betrekking tot de anderhalve ton aan meeropbrengst niet slechts ten grondslag heeft gelegd dat de koopovereenkomst tot stand is gekomen onder invloed van bedrog en dwaling. Ik betrek in dit verband verder dat [eiser] blijkens diens memorie van antwoord, en naar aanleiding van de door Evemij in haar memorie van grieven aangevoerde grondslag onrechtmatige daad, onder meer als verweer heeft gevoerd dat hem ter zake als bestuurder van [A] en van Hoofddorp Staete níet een persoonlijk ernstig verwijt te maken valt, zodat van bestuurdersaansprakelijkheid van [eiser] jegens Evemij uit dien hoofde geen sprake is. [34] Daarover nog het volgende.
3.10.3
[eiser] heeft daarbij die door Evemij in haar memorie van grieven aangevoerde grondslag als volgt samengevat: [35]
“ [eiser] heeft uit de memorie van grieven van Evemij gedestilleerd dat Evemij het kennelijk om drie (hoofd)redenen oneens is met het oordeel van de rechtbank c.q. van mening is dat haar vorderingen in eerste aanleg zouden moeten worden toegewezen:
I. Volgens Evemij zou [eiser] onrechtmatig hebben gehandeld, omdat [eiser] - kortgezegd - zou hebben verzwegen dat Vastbouw bereid zou zijn geweest om voor het pand aan de [a-straat 1] een koopsom te betalen van EUR 1.400.000,-, in plaats van de door [eiser] aan Evemij medegedeelde koopsom van EUR 1.100.000,- en zou [eiser] het verschil tussen die koopsommen (à EUR 300.000,-) heimelijk in Hoofddorp Staete terecht hebben laten komen. Als gevolg daarvan zou Evemij EUR 150.000,- minder voor haar onverdeelde helft in het pand hebben ontvangen én zou het gedeelte van de totale koopsom dat niet werd gebruikt om de hypothecaire lening van de RNHB Bank in te lossen, niet onder het door [A] ten gunste van Evemij gevestigde hypotheekrecht vallen, zodat [A] haar (betalings)verplichtingen jegens Evemij niet, althans in mindere mate, zou hebben kunnen nakomen;”
3.10.4
In het kader van genoemd verweer van [eiser] inzake bestuurdersaansprakelijkheid, onder het opschrift “
I. Onrechtmatig handelen”, heeft hij onder meer benadrukt dat het bij diens door Evemij aan hem verweten handelen (uitsluitend) gaat om handelen als bestuurder van [A] en van Hoofddorp Staete. [36] En dat voor het aannemen van dergelijke bestuurdersaansprakelijkheid met de eis van een persoonlijk ernstig verwijt een hoge drempel geldt, welk uitgangspunt “dient door te werken in de beoordeling van de door Evemij vermeende vorderingen”. [37] Het sluitstuk van dit verweer luidt als volgt: [38]
“Kortom: [A] en/of Hoofddorp Staete zijn niet aansprakelijk voor de door Evemij vermeende schade. Laat staan dat [eiser] , als bestuurder van die vennootschappen, daarvoor hoofdelijk aansprakelijk zou zijn. [eiser] kan persoonlijk (als bestuurder van [A] en Hoofddorp Staete) geen enkel ernstig verwijt gemaakt worden waar het gaat om de behoorlijke vervulling van zijn bestuurstaken. En al helemaal niet ter zake van de uitvoering van de geldige en onaangetaste koopovereenkomst tussen Evemij en [A] , die door [A] volledig is nagekomen. Evemij heeft bovendien onvoldoende gesteld en bewezen voor toewijzing van de door haar vermeende vorderingen.”
3.10.5
Uit het voorgaande volgt dat het subonderdeel strandt. Want het hof treedt zodoende dus niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd door [eiser] op de voet van bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad te veroordelen op basis van de redengeving in rov. 3.5-3.8. En het hof schendt zodoende dus niet de tweeconclusieregel.
3.11
Tot slot
subonderdeel II.2.
3.11.1
De voorwaarde waaronder deze is ingesteld, is vervuld. Zie onder 3.10.1 hiervoor. Het subonderdeel strandt niettemin, omdat de daarin aangevoerde onbegrijpelijkheid van ’s hofs oordeel zich in werkelijkheid niet voordoet. Zie onder 3.10.2-3.10.4 hiervoor.
3.12
Daarmee is gegeven dat onderdeel II faalt.
Onderdeel III
3.13
Het enige subonderdeel van onderdeel III komt op tegen de feitelijke vaststelling door het hof in rov. 2.5 van het arrest dat [eiser] aan [betrokkene 1] had laten weten dat hij, [eiser] , van Vastbouw een bieding van € 1.100.000,- had ontvangen in het kader van een
met [A]voorgenomen gezamenlijke herontwikkeling van het pand.
3.13.1
Subonderdeel III.1 [39] houdt in dat de genoemde feitenvaststelling afwijkt van wat de rechtbank in rov. 2.10 van het vonnis had overwogen (namelijk dat het ging om het kader van een
door [eiser] en [A]voorgenomen gezamenlijke herontwikkeling van het pand), terwijl tegen die overweging van de rechtbank geen grief was gericht. Daarmee is die feitenvaststelling door het hof, waarin er is meegedeeld dat de herontwikkeling zou plaatsvinden (alleen)
met [A], in strijd met het grievenstelsel.
Behandeling
3.14
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.14.1
[eiser] mist (voldoende) belang bij de klacht, omdat de onderdelen I-II falen en de bestreden feitelijke vaststelling niet dragend is voor ‘s hofs vernietiging van het vonnis, veroordelingen van [eiser] , afwijzing van hetgeen verder door partijen is gevorderd en de daaraan ten grondslag liggende oordelen in het arrest. [eiser] onderkent dit gebrek aan belang welbeschouwd ook, getuige de in de inleiding op het onderdeel aangestipte belangvraag [40] en het ontbreken van iedere uitwerking in het subonderdeel [41] waarom het bestreden oordeel wel dragend zou zijn. Reeds hierop loopt het subonderdeel vast.
3.15
Daarmee is gegeven dat onderdeel III faalt.
Kosten
3.16
Op p. 15 van de procesinleiding staat onder genoemd opschrift nog dat “gegrondverklaring van één van de onderdelen” ook het oordeel over de kosten vitieert. Kennelijk behelst dit een voortbouwklacht tegen rov. 3.11 van het arrest en het daarop aansluitende dictum inzake de veroordeling van [eiser] in proces- en beslagkosten zijdens Evemij.
Behandeling
3.17
Nu de onderdelen I-III falen, deelt de voortbouwklacht in dit lot.
Slotsom
3.18
Het cassatieberoep van [eiser] is derhalve vergeefs voorgesteld.
3.19
Ik geef toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro in overweging.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 1 augustus 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6559.
2.In de dagvaarding van 30 september 2020 vorderde Evemij nog betaling onder deze borgtocht van € 225.000,-. Na betaling door [eiser] heeft Evemij haar eis op 10 november 2021 met dat bedrag verminderd.
3.Zie Rb. Noord-Nederland 2 maart 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:870.
4.Op die datum is de procesinleiding (die zelf als datum 31 oktober 2023 noemt) bij de Hoge Raad binnengekomen.
5.Zie ook de inleiding op het onderdeel, in nr. 1.0 van de procesinleiding. In de schriftelijke toelichting, nr. 3 wordt die vergoeding van € 300.000,- omschreven als “een lumpsum voor overdracht van alle reeds door Hoofddorp Staete betaalde ontwikkelingswerkzaamheden en vruchten daarvan en de overdracht van het aandeel van Hoofddorp Staete in de gezamenlijke projectontwikkeling.”
6.Met als opschrift: “Onbegrijpelijke uitleg van het verweer van [eiser] ”.
7.Opgenomen in nr. 0.6 van de procesinleiding.
8.Met als opschrift: “Schending van artikel 149 lid 2 Rv Pro”. De verwijzing naar art. 149 lid 2 Rv Pro lijkt een verschrijving. Bedoeld is kennelijk art. 149 lid 1 Rv Pro. Zie ook de schriftelijke toelichting, nr. 11.
9.Het subonderdeel expliciteert niet welk oordeel van het hof het bestrijdt, anders dan dat “het hof kennelijk [heeft] aangenomen dat gegeven was dat sprake is van
10.Met als opschrift: “Voorwaardelijke motiveringsklacht en rechtsklacht”.
11.Zie bijv. de spreekaantekeningen voor de mondelinge behandeling in eerste aanleg zijdens Evemij, p. 2-4; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, p. 1-2 (onder “
12.Dit ziet op de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie zijdens [eiser] , nr. 11.
13.Dit ziet op de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie zijdens [eiser] , nr. 29.
14.Dit ziet op de spreekaantekeningen voor de mondelinge behandeling in eerste aanleg zijdens [eiser] , nrs. 5-6.
15.Dit ziet op het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, p. 2-3.
16.Dit ziet op de memorie van antwoord zijdens [eiser] , nr. 15.
17.Dit ziet op de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie zijdens [eiser] , nrs. 27-28. Citaat C houdt, samengevat, in dat tussen [A] en Evemij een overeenkomst tot stand is gekomen op basis waarvan Evemij € 550.000,- heeft ontvangen, wat was gebaseerd op de reële en marktconforme waarde van het pand, en verder dat Evemij vastgoeddeskundige is.
18.Dit ziet op de memorie van antwoord zijdens [eiser] , nr. 19. Citaat H behelst de opmerking dat de vergoeding van € 300.000,- die aan Hoofddorp Staete is betaald dus geen vergoeding voor het pand betrof.
19.Dit ziet op de spreekaantekeningen voor de mondelinge behandeling in hoger beroep zijdens [eiser] , nr. 8. Citaat L betreft een algemene opmerking dat een ieder in beginsel wordt geacht voor zijn eigen belangen te waken. En de stelling dat het wel meedelen van de nadere afspraken “met Vastgoed” door [A] misschien keurig was geweest, maar het nalaten daarvan niet maakt dat sprake is van een onrechtmatige daad van [A] .
20.Dit ziet op de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie zijdens [eiser] , nr. 8.
21.Dit ziet op de memorie van antwoord zijdens [eiser] , nr. 18.
22.Dit ziet op de memorie van antwoord zijdens [eiser] , nr. 31.
23.Dit ziet op de memorie van antwoord zijdens [eiser] , nr. 40.
24.Ook geformuleerd als “lumpsumvergoeding voor door Hoofddorp Staete reeds betaalde projectontwikkelingskosten en overdracht van het aandeel van Hoofddorp Staete in de gezamenlijke projectontwikkeling”, als “vergoeding voor overdracht van alle reeds door Hoofddorp Staete betaalde ontwikkelingswerkzaamheden en de vruchten daarvan en de overdracht van het aandeel van Hoofddorp Staete in de gezamenlijke projectontwikkeling.”
25.In welk verband [eiser] enige toelichting op kostenposten heeft gegeven, waaronder de door het hof in rov. 3.7 besproken interne kosten, kosten voor de architect, en ontwikkelingskosten van “Techcomad”. [eiser] kwam daarbij tot een totaalbedrag van “ongeveer EUR 280.000,-“. In de optelling van de kostenposten door het hof in rov. 3.7 lijkt het te gaan om in totaal circa € 245.000,- aan kosten, uitgaande van de door [eiser] genoemde bedragen (van circa € 65.000,-, € 30.000,- en € 150.000,-).
26.Zie ook de schriftelijke toelichting, nr. 11.
27.Zie o.a. HR 20 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1409,
28.Zie bijv. H.W.B. thoe Schwartzenberg, bewerkt door J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst & B.T.M. van der Wiel (red.),
29.Met als opschrift: “Rechtsklacht (Overschrijding van de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep; vernietiging buiten de grieven om)”.
30.Met als opschrift: “motiveringsklacht (Onbegrijpelijkheid van de uitleg van de Memorie van Grieven)”.
31.De primaire grondslag was dat [eiser] in privé onrechtmatig had gehandeld. Dit beoordeelt en verwerpt het hof in rov. 3.3-3.4.
32.Zie bijv. de memorie van grieven zijdens Evemij, p. 6 (inleiding), p. 9-10 (grief 3), p. 10-11 (grief 5). En in het verlengde daarvan bijv. de spreekaantekeningen voor de mondelinge behandeling in hoger beroep zijdens Evemij, p. 2-3.
33.Zie o.a. de schriftelijke toelichting, nrs. 14, 17, 21.
34.Zie de memorie van antwoord zijdens [eiser] , nrs. 29 onder I, 30, 32-38.
35.Zie de memorie van antwoord zijdens [eiser] , nr. 29 onder I.
36.Zie de memorie van antwoord zijdens [eiser] , nr. 32 (achter “
37.Zie de memorie van antwoord zijdens [eiser] , nr. 37.
38.Zie de memorie van antwoord zijdens [eiser] , nr. 38.
39.Met als opschrift: “Rechtsklacht. Schending grievenstelsel/devolutieve werking; grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep”.
40.Zie de procesinleiding, nr. III.0.
41.Laat staan op een wijze die voldoet aan de eisen van art. 407 lid Pro 2, aanhef en onder d Rv.