ECLI:NL:PHR:2024:891

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 september 2024
Publicatiedatum
1 september 2024
Zaaknummer
23/01858
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 511e SvArt. 348 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing ontnemingsvordering wegens niet-ontvankelijkheid OM

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze beslissing was gebaseerd op het feit dat het OM in de samenhangende strafzaak niet-ontvankelijk was verklaard in de vervolging van de tenlastegelegde feiten.

Het Openbaar Ministerie stelde cassatieberoep in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. De conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad is dat het middel slaagt, mits de Hoge Raad ook het arrest in de strafzaak vernietigt. Dit is relevant omdat het ontbreken van een veroordeling in de strafzaak de ontvankelijkheid van de ontnemingsvordering verhindert.

De Hoge Raad volgt de conclusie dat de niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de ontnemingsvordering op onjuiste gronden berust en vernietigt het arrest van het hof. De zaak wordt terugverwezen naar het hof ’s-Hertogenbosch voor een nieuwe behandeling en beslissing.

Ambtshalve zijn geen andere gronden voor vernietiging aangetroffen. De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing, waarbij de ontvankelijkheid van het OM in de ontnemingsvordering afhankelijk is van de uitkomst van de strafzaak.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/01858 P

Zitting3 september 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de betrokkene

Inleiding

1. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 4 mei 2023 het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk voordeel.
2. Het cassatieberoep is ingesteld door het Openbaar Ministerie. Bij schriftuur heeft G.K. Schoep, plaatsvervangend advocaat-generaal bij het ressortsparket, vestiging Den Haag, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Er bestaat samenhang met de strafzaak tegen de betrokkene (23/01859). In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

De strafzaak

4. In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak heeft het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging ter zake van het onder 1, 2, 3 en 6 tenlastegelegde en de verdachte vrijgesproken van de feiten 4 en 5.

Het middel

5. Het middel bevat de klacht dat de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op onjuiste gronden berust.

De bespreking van het middel

6. Het hof heeft zijn beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de ontnemingsvordering als volgt gemotiveerd:
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het tenlastegelegde onder 1, 2 en 6 in de onderliggende strafzaak (parketnummer 20-002484-20), kort gezegd het opzettelijk telen, dan wel opzettelijk aanwezig hebben van 14.374 gram hennep (feit 1), het opzettelijk telen dan wel aanwezig hebben van 604 hennepplanten (feit 2) en witwassen (feit 6), ligt ten grondslag aan de ontnemingsvordering.
Het hof heeft bij arrest van heden in die zaak de bestreden uitspraak vernietigd en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging ter zake van het onder 1, 2 en 6 tenlastegelegde.
Uit het wettelijk systeem, meer in het bijzonder uit artikel 511e, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 348 van Pro het Wetboek van Strafvordering, moet worden afgeleid dat het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit aan de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat.
Door de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de hoofdzaak is aldus de grondslag voor de oplegging van een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat der Nederlanden ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel komen te ontvallen.
Nu een veroordeling ter zake het onder 1, 2 en 6 tenlastegelegde ontbreekt kan het Openbaar Ministerie niet in de ontnemingsvordering worden ontvangen en zal – onder vernietiging van het vonnis – daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.”
7. In de schriftuur is toegelicht dat het middel is voorgesteld onder de voorwaarde dat de Hoge Raad het in ’s hofs overwegingen bedoelde strafarrest van het hof (zie 23/01859) op het daartegen ingestelde cassatieberoep zal vernietigen. Ik heb in die zaak geconcludeerd dat het middel slaagt. Als de Hoge Raad mij hierin volgt, is de genoemde voorwaarde vervuld.
8. Een en ander brengt in dat geval ook met zich dat in de onderhavige ontnemingszaak de beslissing tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de ontnemingsvordering op onjuiste gronden berust. Daarmee komt aan deze beslissing (in zoverre) de grondslag te ontvallen, waardoor de uitspraak niet in stand kan blijven. [1]
9. Kortom, als de Hoge Raad mij volgt in mijn conclusie in de zaak met zaaknummer 23/01859, treft het middel doel.

Slotsom

10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4536; HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1947,