ECLI:NL:PHR:2024:897

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 september 2024
Publicatiedatum
2 september 2024
Zaaknummer
22/01892
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 282a SrArt. 6 EVRMArt. 27 SrArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplichtigheid aan medeplegen van gijzeling met strafvermindering wegens termijnoverschrijding

De zaak betreft een medeplichtigheid aan medeplegen van gijzeling van een aangever die van 22 tot en met 24 juli 2019 in de woning van de verdachte werd vastgehouden en bedreigd. De verdachte stelde dat hij onder invloed van drugs was en niet bewust betrokken was, terwijl het hof oordeelde dat hij actief als bewaker/oppasser fungeerde en zijn woning ter beschikking stelde.

Het hof baseerde de bewezenverklaring op verklaringen van de aangever, tapgesprekken, en andere bewijsmiddelen, en verwierp het verweer van afwezigheid door drugsgebruik. De verdachte zou ook in het bijzijn van de aangever en medeverdachte gesprekken hebben gevoerd over losgeldbetaling.

De advocaat-generaal bij de Hoge Raad concludeert dat het cassatieberoep grotendeels moet worden verworpen, maar dat de straf moet worden verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. De conclusie strekt tot vernietiging van de strafoplegging en vermindering van de gevangenisstraf volgens de gebruikelijke maatstaf, met verwerping van het beroep voor het overige.

Uitkomst: De strafoplegging wordt vernietigd en verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn, het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/01892
Zitting24 september 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 13 mei 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens "medeplichtigheid aan medeplegen van gijzeling", veroordeeld tot 10 maanden gevangenisstraf, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft de teruggave aan de verdachte gelast van een geheugensim en een telefoontoestel. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij [aangever] gedeeltelijk toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Er bestaat samenhang met de zaak 22/01912. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.L. L'Homme, advocaat in Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
4. Het eerste middel bevat drie bewijsklachten. Alvorens ik de klachten bespreek geef ik de bewezenverklaring, de relevante bewijsmiddelen, ’s hofs bewijsoverweging en delen van het proces-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep weer.
4.1 Het hof heeft in het bestreden arrest ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“ [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en één of meer ander(en) in de periode van 22 juli 2019 tot en met 24 juli 2019 te [plaats] , tezamen en in vereniging opzettelijk [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid hebben beroofd gehouden, met het oogmerk een ander, te weten [aangever] , te dwingen iets te doen, te weten een hoeveelheid geld aan verdachte en/of zijn mededader(s) af te geven, door:
- die [aangever] te beletten een woning (gelegen aan het [ a-straat 1-2] in [plaats] ) te verlaten en
- meermalen tegen die [aangever] te zeggen dat als hij niet zou betalen er doden zouden vallen en
- telefonisch contact met [aangever] op te nemen en die [aangever] mede te delen dat er een geldbedrag betaald moest worden en
- die [aangever] mede te delen dat zijn broer [aangever] niet zal worden losgelaten tenzij er een geldbedrag wordt betaald,
bij het plegen van welk misdrijf hij in de periode van 22 juli 2019 tot en met 24 juli 2019 te [plaats] opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid heeft verschaft door zijn woning (gelegen aan het [ a-straat 1-2] in [plaats] ) ter beschikking te stellen om die [aangever] van zijn vrijheid beroofd te houden en door in de woning aanwezig te zijn.”
4.2 De bewezenverklaring berust op onder meer de volgende in de bijlage bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):

9. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris,belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Den Haag van 11 februari 2020. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven - :
als de op 11 februari 2020 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van de aangever [aangever] :
De auto is van [plaats] vertrokken naar een plek om mij over te zetten in een andere auto. Ik ben er later achter gekomen dat het bij [plaats] was. Daar ben ik over gezet op een zwarte Golf van een meneer die ik ken als [betrokkene 4] . Hij, [betrokkene 4] , zat in die Golf. U vraagt wie er in de woning waren. Ik, [betrokkene 4] , [betrokkene 1] , de bewoner (hij was de eigenaar of de huurder) en een andere donkere man die zichzelf en door anderen [betrokkene 5] genoemd werd.
U vraagt wie de vaste krachten waren. Die wil ik omschrijven als [betrokkene 4] , [betrokkene 1] , de bewoner en [betrokkene 5] .
Er werd me gezegd dat ik moest zitten. Er werd mij duidelijk gemaakt dat er geld moest komen en dat er telefoonnummers moesten komen. [betrokkene 4] heeft met [betrokkene 6] gecontacteerd. Er werd vanuit beide kanten met speaker gebeld. Met name waren ze heel druk mij te vertellen dat als er geen geld zou komen, het niet goed met me zou aflopen en dat ik mijn gezin niet zou zien. Er werd mij echt wel duidelijk gemaakt dat de situatie er maar op één manier kon worden opgelost: door te betalen.
Er werd gebeld met [betrokkene 6] en er werd aangegeven: 'ja, we hebben hem hier zitten, dus het komt allemaal goed' . Aan de andere kant werd er geroepen: 'ja, pak hem'.
De volgende morgen is [betrokkene 4] teruggekomen bij de woning. [betrokkene 1] heeft de woning verlaten en [betrokkene 4] is even gebleven om duidelijk te maken dat er toch echt moest worden betaald en dat anders deze situatie op een verkeerde manier zou aflopen. Ze zouden me martelen tot het geregeld zou worden en mijn eigen gezin zou mij niet meer herkennen. Hierna heeft [betrokkene 4] ook de woning verlaten, waarna ik ben gebleven met de bewoner en [betrokkene 5] . Zij waren aangesteld als een soort oppassers en bewakers. U vraagt of ik overdag met die twee in de woning bleef. Ja. Gedurende die tijd dat ik daar ben vastgehouden zijn er meerdere mensen in en uit de woning geweest. Behalve de bewoner zelf, want die zat altijd op de bank.
U vraagt of de twee mannen in de woning (de bewoner en de [betrokkene 5] ) ook uitspraken deden. Dat ik moest betalen aan de twee mannen, dat ik het moest regelen en dat dat het beste was voor iedereen. Niet zozeer dat zij mij direct enorm bedreigden, maar het was ondersteunend aan hetgeen [betrokkene 4] en [betrokkene 1] zeiden.
Ik bleef alleen over met de bewoner en [betrokkene 5] . Er zijn heel veel telefoongesprekken gevoerd door met name [betrokkene 5] .
U vraagt bij wie [betrokkene 5] zijn beklag over de situatie deed. Bij [betrokkene 1] en de bewoner en bij die gesprekken in de woonkamer was ik aanwezig.
Op vragen van mr. El Farougui (namens mr. J.P. Plasman de raadsman van de verdachte) antwoordt de getuige als volgt.
U vraagt naar de bewoner. We kwamen de woning binnen en hij zat al op de bank en er werd met hem gesproken. [betrokkene 5] was boos omdat hij maar één nacht moest oppassen en de bewoner werd ook boos, omdat het langer duurde dan verwacht. U vraagt of uw cliënt tegen mij heeft gezegd dat ik mee moest werken. Ja, want dat zou het beste zijn voor iedereen. Het was geen directe bedreiging naar mij toe, maar meer ondersteunend voor [betrokkene 1] en [betrokkene 4] . U vraagt of uw cliënt dat tegen mij heeft gezegd. Ja, tegen mij.
10. Een proces-verbaal van bevindingen analyse telefoonnummer [telefoonnummer 1]d.d. 14 september 2019 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in, - zakelijk weergegeven – (…):
als relaas van de betreffende verbalisant:
Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] is auditief geobserveerd vanaf 24 juli 2019.
Historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 1]
24 juli 2019 tussen 05:42:48 uur en 15:55:20 uur
Datum
Tijdstip
Beller
Gebelde
Basisstation
Samenvatting Telefoongesprek
24-07-2019
05:42:46
[telefoonnummer 1]
[telefoonnummer 2]
[ a-straat 1-2] te [plaats]
TA04 sessie 962
De broer van het slachtoffer praat met het slachtoffer
24-07-2019
11:26:47
[telefoonnummer 1]
[telefoonnummer 2]
[ a-straat 1-2] te [plaats]
TA04 sessie 1003
De broer van het slachtoffer praat met het slachtoffer.
24-07-2019
12:35:15
Stealth SMS
[telefoonnummer 1]
[ a-straat 1-2] te [plaats]
24-07-2019
12:35:20
Stealth SMS
[telefoonnummer 1]
[ a-straat 1-2] te [plaats]
24-07-2019
13:58:05
[telefoonnummer 1]
[telefoonnummer 2]
[ a-straat 1-2] te [plaats]
TA04 sessie 1097
[betrokkene 3] zegt dat hij alleen op het slachtoffer past en bemiddelt tussen alle partijen
24-07-2019
14:20:03
[telefoonnummer 1]
[telefoonnummer 2]
[ a-straat 1-2] te [plaats]
TA04 sessie 1105
[betrokkene 3] heeft een gesprek met de broer van het slachtoffer over losgeld
24-07-2019
15:45:08
[telefoonnummer 3]
[telefoonnummer 1]
[ a-straat 1-2] te [plaats]
Geen gespreksinhoud
24-07-2019
15:45:15
Stealth SMS
[telefoonnummer 1]
[ a-straat 1-2] te [plaats]
24-07-2019
15:45:22
Stealth SMS
[telefoonnummer 1]
[ a-straat 1-2] te [plaats]
24-07-2019
15:45:44
[telefoonnummer 2]
[telefoonnummer 1]
[ a-straat 1-2] te [plaats]
[betrokkene 3] zegt dat hij naar het huis gaat van het slachtoffer om daar los geld te regelen
Ik zag het basisstation [ a-straat 1-2] te [plaats] de woning [ a-straat 1-2] binnen zijn theoretische bereik had.
Samenvatting
Uit de historische verkeersgegevens en de auditieve observatie van het telefoonnummer
[telefoonnummer 1]blijkt dat de basisstations welke dit telefoonnummer aanstraalt, overeen komen met de locaties van de verdachte [betrokkene 3] . Deze locaties zijn te zien op camerabeelden van het portiek [ a-straat 1-2] te [plaats] .
Uit dit proces-verbaal van bevindingen is gebleken dat de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] [betrokkene 3] betreft.
Uit de auditieve observatie blijkt dat er diverse telefoons tegen elkaar aan worden gehouden waardoor de broer van het slachtoffer en het slachtoffer met elkaar kunnen praten. Ook blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] telefonisch contact heeft met de broer van het slachtoffer (telefoonnummer [telefoonnummer 2] ) en hiermee afspraken maakt over het betalen van losgeld.
11. Een proces-verbaal van verhoor bevindingend.d. 27 juli 2019 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als relaas van de betreffende verbalisant:
Op maandag 22 juli 2019, omstreeks 19.42 uur werd er door getuigen een melding gemaakt dat er op de [c-staat] te [plaats] mogelijk iemand tegen zijn wil in een voertuig ingetrokken was.
Dit zou zijn gedaan door 4 personen. Het voertuig betrof een zilvergrijze Mercedes station. Het kenteken van de Mercedes betrof [kenteken] .
Na onderzoek bleek het slachtoffer te zijn: [aangever] , geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] .
Op dinsdag 23 juli 2019, te 02.04 uur, werd vanuit de verdachten voor het eerst telefonisch contact gezocht met de broer van het slachtoffer genaamd [betrokkene 7] . Het telefoonnummer welke [betrokkene 7] gebruikt betreft: [telefoonnummer 2] .
In dit gesprek kwam naar voren dat het slachtoffer [aangever] wederrechtelijk van zijn vrijheid was beroofd en dat de verdachten van deze wederrechtelijke vrijheidsberoving losgeld eisten via zijn broer [betrokkene 7] .
Op het telefoonnummer van [betrokkene 7] , zijnde [telefoonnummer 2] , werd een spoedtap geplaatst.
Een overzicht van genoemde gesprekken:
Gesprek
Datum
Tijdstip
Gebruikt nummer
10.
24/07
04:18
[telefoonnummer 1]
11.
24/07
05:42
[telefoonnummer 1]
12.
24/07
11:26
[telefoonnummer 1]
13.
24/07
12:35
[telefoonnummer 1]
14.
24/07
13:57
[telefoonnummer 1]
15.
24/07
14:19
[telefoonnummer 1]
16.
24/07
15:45
[telefoonnummer 1]
17.
24/07
16:37
[telefoonnummer 1]

Gesprek 12.

Datum: 24/07/2019
Tijdstip: 12:35
Telefoonnummer: [telefoonnummer 1]
[betrokkene 7] wordt gebeld door de verdachte (het hof begrijpt: [betrokkene 3] ). Volgens de verdachte ligt het lot van [aangever] in handen van [betrokkene 7] , als hij gister had gedaan wat er van hem verwacht werd was hij al thuis geweest. Vervolgens komt [aangever] (het hof begrijpt: [aangever] ) aan de lijn en praat met [betrokkene 7] . Hij uit zijn bezorgdheid en is bang dat ze hem van alles aan gaan doen en in een schuur zullen gooien. [aangever] geeft aan over alles na te moeten denken om tot een oplossing te komen. Ze spreken over een half uur weer af om contact op te nemen.
Enkele stukken letterlijk uitgewerkt uit dit gesprek:
[aangever] = [aangever]
: Wat ze nu willen doen, de jongen die je net sprak is de enige die nog reëel is en normaal en helder kan nadenken, al die andere zijn allemaal door het lint. Ik zit nu nog gewoon in een normale flat maar ja die zijn van plan allerlei dingen met mij te doen en mij in een of andere schuur te duwen.

Gesprek 13.

Datum: 24/07/2019
Tijdstip: 13:57
Telefoonnummer: [telefoonnummer 1]
Enkele stukken letterlijk uitgewerkt uit dit gesprek:
[betrokkene 7] = [betrokkene 7]
NN=Verdachte(het hof begrijpt: [verdachte] )
NN: Ja daar ben ik nu ook voornamelijk mee bezig weetje. Diegene waar jij gister mee hebt gesproken en afspraken mee hebt gemaakt ja die is er momenteel niet en ook niet te bereiken.
[betrokkene 7] : Wie bedoel je? [betrokkene 8] bedoel je?
NN: Ja..ja…
NN: Uhm naja kijk ik zal eerst ff uitleggen, ik ben paar dagen geleden gewoon gebeld en ik ben sindsdien gewoon hier als een oppas. Begrijp je
[betrokkene 7] : Ja duidelijk oke
NN: Ik zorg voor je broer, meer niet maar ik hou ook de andere jongens in bedwang dat ze niet door gaan draaien. snap je
[betrokkene 7] : Oke..
NN: En ja nu op dit moment zijn die jongens behoorlijk boos en kunnen ze niet meer fatsoenlijk nadenken snap je”.
4.3
Het hof heeft inzake de bewezenverklaring het volgende overwogen:
“De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde. De raadsman heeft, voor zover in het licht van het bewezenverklaarde van belang, - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de verdachte geen betrokkenheid heeft gehad bij de gijzeling. De verdachte verkeerde in de periode waarin de aangever [aangever] zich in zijn woning bevond constant onder invloed van drugs, en was in feite 'afwezig'. De woning van de verdachte is door de medeverdachten gebruikt om de aangever vast te houden, zonder dat de verdachte die woning daartoe ter beschikking heeft gesteld en zonder dat hij heeft beseft wat er zich in zijn woning afspeelde.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hieromtrent als volgt.
Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt van de navolgende feitelijke gang van zaken.
[aangever] (hierna: de aangever) is in de vroege avond van maandag 22 juli 2019 door een aantal mannen ontvoerd. Hij is in zijn eigen auto meegenomen en in [plaats] in de auto van de medeverdachte [betrokkene 2] geplaatst. Vervolgens is de aangever overgebracht naar een woning gelegen aan het [ a-straat 1-2] te [plaats] - de woning van de verdachte - waar hij tot en met woensdag 24 juli 2019 is vastgehouden en bedreigd. De broer van de aangever werd gedurende de vrijheidsberoving meermalen, onder meer vanuit de woning van de verdachte, telefonisch onder druk gezet om losgeld te betalen. Pas na het betalen van het losgeld, zou de aangever worden vrijgelaten. Op 24 juli 2019 is de aangever door medeverdachte [betrokkene 3] meegenomen naar zijn eigen huis in [plaats] , alwaar de politie een einde heeft gemaakt aan de situatie.
De verdachte verkeerde op 22 juli 2019 naar zijn eigen zeggen onder invloed van drugs en hij zou, ook volgens de verklaring van de aangever, gedurende de twee daaropvolgende dagen eveneens drugs gebruikt hebben. Ook als daarvan wordt uitgegaan, doet dat naar het oordeel van het hof niet af aan de betrokkenheid van de verdachte bij de gijzeling. Dit volgt uit de aan de bewijsmiddelen ontleende feitelijke vaststellingen, in het bijzonder de navolgende.
De verdachte, zo heeft hij bij de politie verklaard, is en was ook in de bewezenverklaarde periode woonachtig aan het [ a-straat 1-2] te [plaats] . Hij woont daar in zijn eentje. Buiten de verdachte beschikt alleen een vriend die verderop woont over een reservesleutel van de woning. Zonder verdachtes toestemming mag niemand zijn woning binnenkomen.
De verdachte was thuis toen onder meer de medeverdachten zich met de aangever bij de woning meldden. De aangever kwam volgens de verklaring van de verdachte op maandagavond 22 juli binnen, met een paar andere jongens. Ook weet de verdachte aan de hand van foto's van medeverdachten die hem door de politie getoond worden, in een aantal gevallen te verklaren wie er bij hem in huis waren, wanneer en hoe lang - over één van de medeverdachten zegt hij: "Toen ik in slaap viel was hij daar nog. Toen ik wakker werd, was hij er niet meer." Verder heeft hij over één van de medeverdachten verklaard dat hij aan diens accent hoorde dat het geen Nederlander was. De verdachte heeft voorts verklaard dat de aangever zich steeds in de woonkamer bevond, op een stoel, en dat hij hem soms zag liggen, op een bed achter die stoel, waarbij de verdachte een schets van de situatie heeft getekend. Ook heeft de verdachte de aangever en een medeverdachte achter de computer in zijn woonkamer zien zitten en horen praten over computers en auto’s, over een "Mercedes of zo". De verdachte heeft verder gezien dat de verdachte [
AEH: bedoeld zal zijn: ‘de aangever’] water zat te drinken en te eten en dat hij niet zou hebben gerookt. Al die tijd zat de verdachte in de woonkamer op de bank, heeft hij onder meer televisie gekeken, en sliep hij voor de televisie, aldus nog steeds zijn eigen verklaring. De verdachte heeft in die twee dagen op enig moment kort de woning verlaten om vuilnis weg te gooien, zo blijkt nog uit zijn eigen verklaring en uit de zich in het dossier bevindende camerabeelden. De aangever heeft over de verdachte en medeverdachte [betrokkene 3] verklaard dat zij met hem in de woning verbleven en dat zij waren aangesteld als een soort oppassers en bewakers. Voorts deden de verdachte en medeverdachte [betrokkene 3] uitspraken in de zin van dat hij "moest betalen aan de twee mannen, dat (hij) het moest regelen en dat dat het beste was voor iedereen." De verdachte zou tegen hem hebben gezegd dat hij moest meewerken want dat zou het beste zijn voor iedereen. Hetgeen zij zeiden, was volgens de aangever ondersteunend aan hetgeen twee andere actief bij de gijzeling betrokken medeverdachten zeiden. Op enig moment zou de verdachte, even als de medeverdachte [betrokkene 3] , volgens de aangever boos zijn geworden "omdat het langer duurde dan verwacht." Na verloop van tijd bleef de aangever in de woning over met de verdachte en medeverdachte [betrokkene 3] . Laatstgenoemde heeft toen een aantal telefoongesprekken gevoerd met de broer van de aangever om tot betaling van losgeld te komen, aldus de aangever, in bijzijn van de aangever en de verdachte, zo volgt uit de zich in het dossier bevindende weergave van de in dit kader relevante tapgesprekken.
Het hof stelt vast dat de stelling dat de verdachte, die in de bewezenverklaarde periode kennelijk onder invloed was van drugs, 'afwezig was' en niet besefte wat er gebeurde, zijn weerlegging vindt in het voorgaande. Het hof concludeert dat de verdachte zeggenschap had over zijn woning, dat hij die woning ter beschikking heeft gesteld om de aangever van zijn vrijheid beroofd te houden en dat hij bij die voortdurende vrijheidsberoving zelf actief betrokken is geweest als bewaker/oppasser, waarbij hij, ook waar het op de betaling van losgeld aankwam, een ondersteunende rol heeft gehad. Het hof acht zowel het opzet op de gijzeling als op het daarbij behulpzaam zijn en daartoe gelegenheid verschaffen wettig en overtuigend bewezen. Het handelen van de verdachte kan dan ook als medeplichtigheid aan het medeplegen van de gijzeling worden gekwalificeerd.”
4.4
De raadsman heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzittingen op 22 april en 6 mei het woord tot verdediging gevoerd en heeft onder meer het volgende aangevoerd:
“Ik verzoek uw hof mijn cliënt integraal vrij te spreken. De betrokkenheid van mijn cliënt kan niet worden bewezen. Dit geldt ook voor de medeplichtigheid. Ik vind de verklaring van de aangever - met de advocaat-generaal - redelijk betrouwbaar. Op het moment dat de aangever in de woning komt, komt mijn cliënt in beeld. Het betreft de woning van mijn cliënt. De aangever heeft verklaard dat hij in een drugshol terechtkwam. Bij de rechter-commissaris heeft de aangever vervolgens verklaard dat de bewoner en ene ‘ [betrokkene 5] ’ als oppassers waren aangesteld. Dit betreft echter de invulling van de aangever en deze invulling is niet met feiten en omstandigheden onderbouwd. Er zijn meerdere mensen de woning in- en uitgegaan toen de aangever daar was. De advocaat-generaal acht de verklaring van de aangever kennelijk niet helemaal betrouwbaar, want hij acht het ongeloofwaardig dat mijn cliënt twee dagen lang onder invloed is geweest van verdovende middelen. Maar de aangever heeft verklaard dat de bewoner altijd op de bank televisie zat te kijken en dat hij veelal tijdens het televisie kijken drugs gebruikte. Dat betekent dat hij al die tijd onder invloed is geweest. De verklaring van mijn cliënt dat hij geestelijk niet altijd bij de tijd was, is geloofwaardig in het licht van de verklaringen van de aangever. Culpa in causa is hier niet aan de orde. Van mijn cliënt mag niet verwacht worden dat hij op zou letten of er mensen bij hem binnenkwamen die bezig waren met een ontvoering of een gijzeling. De aangever heeft verklaard dat hij met [betrokkene 5] is gaan onderhandelen voor zijn eigen vrijheid, omdat [betrokkene 5] beschikte over de meeste ‘common sense’ van alle aanwezigen in de woning. Dit lijkt mij ook een juiste inschatting, aangezien mijn cliënt constant onder invloed is geweest.
Wat betreft punt 33 van het verhoor van de aangever bij de rechter-commissaris merk ik op dat mijn cliënt geen enkele rol wordt toegedicht. Het gaat niet om de vraag wat hij wel heeft gedaan, maar om de vraag wat hij niet heeft gedaan. Hij heeft zich nergens mee bemoeid. Mijn cliënt was in de woning, maar was totaal van de wereld. Hij leefde in een drugshol waar constant drugs werden gebruikt. Dit staat los van de vraag of hij enige bemoeienis heeft gehad, of hij bij de gesprekken aanwezig is geweest en of hij überhaupt heeft begrepen waar deze gesprekken over gingen. Volgens de rechtbank heeft mijn cliënt verklaard dat hij de medeverdachte [betrokkene 3] en de aangever heeft horen praten over de prijzen van auto's, hetgeen mijns inziens een contra-indicatie vormt voor wetenschap van mijn cliënt over een op handen zijnde gijzeling. Deze gesprekken gingen dus niet per se over een vrijheidsberoving. Mijn cliënt heeft wellicht flarden van gesprekken opgevangen, maar uit niets blijkt dat hij begreep wat er aan de hand was. Uit niets blijkt ook dat hij zijn woning ter beschikking heeft gesteld. De woning is door anderen in gebruik genomen en het was een komen en gaan van mensen in een drugshol van een drugsverslaafde waar zij geen last van hadden. Ik vind dat de rechtbank een stap verder had moeten gaan, namelijk dat er ook geen sprake is van medeplichtigheid gelet op de omstandigheden die door de aangever zijn aangegeven.”
4.5
De eerste deelklacht houdt in dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, omdat daartoe door het hof niet-redengevende bewijsmiddelen zijn gebezigd.
4.6
Blijkens de toelichting op het middel zijn vier van ’s hofs vaststellingen niet redengevend “voor het (vaststellen van) betrokkenheid” van de verdachte bij de gijzeling. De steller van het middel wijst op de volgende vaststellingen:
- dat de verdachte “in zijn eentje” woont in een woning aan het [ a-straat 1-2] te [plaats] en dat buiten de verdachte “alleen een vriend die verderop woont over een reservesleutel van de woning” beschikt;
- dat de verdachte thuis was “toen onder meer de medeverdachten zich met de aangever bij de woning meldden”;
- dat “de aangever zich steeds in de woonkamer bevond, op een stoel” en dat de verdachte “de aangever en een medeverdachte achter de computer in zijn woonkamer” heeft zien zitten en heeft “horen praten over computers en auto’s, over een ‘Mercedes of zo’”; en
- dat de verdachte “in die twee dagen op enig moment kort de woning [heeft] verlaten om vuilnis weg te gooien”.
4.7
Uit de bewezenverklaring blijkt dat de verdachte bij het plegen van de gijzeling van [aangever] in de periode van 22 juli tot en met 24 juli 2019 te [plaats] opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid heeft verschaft door zijn woning (gelegen aan het [ a-straat 1-2] in [plaats] ) ter beschikking te stellen om [aangever] van zijn vrijheid beroofd te houden en door in de woning aanwezig te zijn.
4.8
De eerste twee vaststellingen waar de steller van het middel op wijst zijn redengevend, omdat onder meer uit deze vaststellingen – al dan niet bezien in samenhang met andere door het hof in zijn nadere bewijsoverweging vastgestelde feiten – volgt dat “de verdachte zeggenschap had over zijn woning” en “dat hij die woning ter beschikking heeft gesteld om de aangever van zijn vrijheid beroofd te houden”.
4.9
De derde en de vierde vaststelling zijn redengevend voor het ten laste van de verdachte bewezenverklaarde opzettelijk behulpzaam zijn bij de gijzeling door het aanwezig zijn in de woning door de verdachte, omdat onder meer uit deze vaststellingen – wederom al dan niet in samenhang bezien met andere door het hof vastgestelde feiten – volgt dat, met uitzondering van het moment waarop de verdachte kort de woning heeft verlaten om vuilnis weg te gooien, de verdachte in de woning aanwezig is geweest en “zelf actief betrokken is geweest als bewaker/oppasser waarbij hij, ook waar het op de betaling van losgeld aankwam, een ondersteunende rol heeft gehad”.
4.1
De eerste deelklacht houdt voorts in dat ’s hofs vaststelling, dat medeverdachte [betrokkene 3] een aantal telefoongesprekken heeft gevoerd met de broer van de aangever “om tot betaling van losgeld te komen, aldus de aangever, in bijzijn van de aangever en de verdachte”, zou volgen “uit de zich in het dossier bevindende weergave van de in dit kader relevante tapgesprekken”, niet op bewijsmiddelen steunt. In het bijzonder wordt geklaagd dat noch uit de nadere bewijsoverweging noch uit de bewijsmiddelen blijkt dat de door [betrokkene 3] gevoerde telefoongesprekken zijn gevoerd in het bijzijn van de verdachte, terwijl het hof heeft overwogen dat dit feit “volgt uit de zich in het dossier bevindende weergave van de in dit kader relevante tapgeprekken”.
4.11
De klacht berust op een verkeerde lezing van ’s hofs arrest. Dat [betrokkene 3] een aantal telefoongesprekken heeft gevoerd met de broer van de aangever om tot betaling van losgeld te komen, heeft het hof niet afgeleid uit de verklaring van de aangever, zoals is aangevoerd door de steller van het middel, maar heeft het hof afgeleid uit bewijsmiddelen 10 (een proces-verbaal van bevindingen analyse telefoonnummer [telefoonnummer 1] ) en 11 (een proces-verbaal van verhoor bevindingen), inhoudende – zoals het hof het heeft omschreven – een “weergave van de in dit kader relevante tapgeprekken”. Dat deze telefoongesprekken in het bijzijn van de aangever en de verdachte zijn gevoerd, heeft het hof niet afgeleid uit “de zich in het dossier bevindende weergave van de in dit kader relevante tapgesprekken”, zoals is aangevoerd door de steller van het middel, maar heeft het hof afgeleid uit de verklaring van de aangever afgelegd tegenover de rechter-commissaris vervat in bewijsmiddel 9.
4.12
De eerste deelklacht houdt, ten slotte, in dat ’s hofs vaststelling, dat [betrokkene 3] in het bijzijn van de verdachte een aantal telefoongesprekken heeft gevoerd, niet redengevend is voor de bewezenverklaring, omdat hieruit niet “enige mate van betrokkenheid” van de verdachte bij het tenlastegelegde zou volgen. De aanwezigheid van de verdachte “zegt immers niets over de daadwerkelijke waarneming” van de verdachte, waarbij de steller van het middel wijst op het verweer dat het waarnemingsvermogen van de verdachte door middelengebruik verstoord zou zijn geweest en de “diverse door de verdediging onderbouwde standpunten”, waaronder het gegeven dat uit niets is gebleken dat de verdachte “begreep wat er aan de hand was”.
4.13
Uit de bewezenverklaring blijkt, kort gezegd, dat de verdachte bij het plegen van de gijzeling van [aangever] onder meer opzettelijk behulpzaam is geweest door in de woning aanwezig te zijn geweest. De vaststelling dat [betrokkene 3] in het bijzijn van de verdachte en de aangever een aantal telefoongesprekken heeft gevoerd met de broer van de aangever om tot betaling van losgeld te komen, is – meen ik – reeds om die reden redengevend. Ik merk daarbij op dat het door de raadsman in hoger beroep gevoerde verweer dat de verdachte, die in de bewezenverklaarde periode kennelijk onder invloed was van drugs, “afwezig was” en niet besefte wat er gebeurde, mede op grond van voornoemde vaststelling van het hof is verworpen en dat het hof op grond daarvan en ook op grond van andere in de nadere bewijsoverweging vastgestelde feiten heeft geconcludeerd dat de verdachte “bij die voortdurende vrijheidsberoving zelf actief betrokken is geweest als bewaker/oppasser, waarbij hij, ook waar het op de betaling van losgeld aankwam, een ondersteunende rol heeft gehad”.
4.14
De eerste deelklacht faalt.
4.15
De tweede deelklacht houdt in dat het hof het verweer van de verdachte, dat hij in de periode waarin de aangever zich in zijn woning bevond constant onder invloed van drugs was en dat de woning van de verdachte door de medeverdachten is gebruikt om de aangever vast te houden, zonder dat de verdachte die woning daartoe ter beschikking heeft gesteld en zonder dat hij heeft beseft wat er zich in zijn woning afspeelde, heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen, dan wel dat het hof niet (of in onvoldoende mate) op dit standpunt heeft gerespondeerd.
4.16
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat door de raadsman van de verdachte het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen dat de verklaring van aangever dat “de bewoner en ene ‘ [betrokkene 5] ’ als oppassers waren aangesteld” een invulling betreft van de aangever en dat deze invulling niet met feiten en omstandigheden is onderbouwd. Op dit verweer zou het hof niet hebben gereageerd.
4.17
De nadere motivering voor de verwerping van het door de raadsman van de verdachte ingenomen standpunt (of dat een zogenaamd uos betreft laat ik in het midden) ligt besloten in bewijsmiddel 11. [1] In dit proces-verbaal van verhoor bevindingen zijn getapte telefoongesprekken tussen de medeverdachte [betrokkene 3] en de broer van de aangever uitgewerkt. Uit ‘gesprek 13’ blijkt dat de medeverdachte [betrokkene 3] tegen de broer van de aangever heeft gezegd “Uhm naja kijk ik zal eerst ff uitleggen, ik ben paar dagen geleden gewoon gebeld en ik ben sindsdien hier als een oppas. Begrijp je”.
4.18
In de toelichting op het middel wordt voorts aangevoerd dat “de weergave van de verklaring van de aangever zoals die door het hof ten aanzien van het bewijs is overwogen volledig (niet-onderbouwd) voorbij” gaat aan het door de raadsman van de verdachte ingenomen standpunt, dat door de aangever aan de verdachte geen enkele rol wordt toegedicht.
4.19
Het hof heeft onder meer vastgesteld dat de aangever over de verdachte en medeverdachte [betrokkene 3] heeft verklaard “dat zij met hem in de woning verbleven en dat zij waren aangesteld als een soort oppassers en bewakers”, dat de verdachte en medeverdachte [betrokkene 3] uitspraken deden in de zin van dat hij “moest betalen aan de twee mannen, dat (hij) het moest regelen en dat dat het beste was voor iedereen”, dat de verdachte tegen de aangever zou hebben gezegd dat hij moest meewerken want dat zou het beste zijn voor iedereen, en dat hetgeen de verdachte en [betrokkene 3] zeiden, volgens de aangever, ondersteunend was aan hetgeen twee andere actief bij de gijzeling betrokken medeverdachten zeiden. Voorts heeft het hof vastgesteld dat, volgens de aangever, de verdachte evenals de medeverdachte [betrokkene 3] op enig moment boos zouden zijn geworden “omdat het langer duurde dan verwacht.” En het hof heeft vastgesteld dat de aangever heeft verklaard dat de medeverdachte [betrokkene 3] een aantal telefoongesprekken in het bijzijn van de aangever en de verdachte heeft gevoerd. Daarmee heeft het hof in het bijzonder de redenen opgegeven waarom het van het standpunt van de raadsman – dat de verklaring van de aangever aan de verdachte geen enkele rol toedicht – is afgeweken.
4.2
De tweede deelklacht faalt eveneens.
4.21
De derde deelklacht houdt in dat ‘s hofs oordeel, dat zowel het opzet op de gijzeling als op het daarbij behulpzaam zijn en daartoe gelegenheid verschaffen wettig en overtuigend zijn bewezen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, onbegrijpelijk is en onvoldoende met redenen is omkleed.
4.22
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte opzet had op de gijzeling, als op het daarbij behulpzaam zijn en daartoe gelegenheid verschaffen. Het hof zou echter geen omstandigheden hebben vastgesteld “die erop kunnen duiden dat rekwirant enige daadwerkelijke wetenschap had die in verband kan worden gebracht met de wederrechtelijke vrijheidsberoving”.
4.23
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte in de bewezenverklaarde periode woonachtig is aan het [ a-straat 1-2] te [plaats] , dat de verdachte daar in zijn eentje woont, dat, buiten de verdachte, alleen een vriend die verderop woont over een reservesleutel van de woning beschikt en dat zonder verdachtes toestemming niemand zijn woning mag binnenkomen en dat de verdachte thuis is op het moment dat onder meer de medeverdachten zich met de aangever op maandagvond 22 juli bij de woning melden. Het hof heeft voorts vastgesteld dat de verdachte in een aantal gevallen weet te verklaren wie er bij hem in huis waren, wanneer en hoe lang, dat de verdachte heeft verklaard dat de aangever zich steeds in de woonkamer bevond, op een stoel, en dat hij hem soms zag liggen, op een bed achter die stoel, waarbij de verdachte een schets van de situatie heeft getekend, dat de verdachte de aangever en een medeverdachte achter de computer in zijn woonkamer heeft zien zitten en horen praten over computers en auto’s, over een “Mercedes of zo”, dat de verdachte heeft gezien dat de aangever water zat te drinken en te eten en dat hij niet zou hebben gerookt; dat de verdachte heeft verklaard dat hij al die tijd in de woonkamer op de bank onder meer televisie heeft gekeken en dat hij sliep voor de televisie en dat hij in die twee dagen op enig moment kort de woning heeft verlaten om vuilnis weg te gooien, dat de aangever over de verdachte en medeverdachte [betrokkene 3] heeft verklaard dat zij met hem in de woning verbleven en dat zij waren aangesteld als een soort oppassers en bewakers, dat de verdachte en medeverdachte [betrokkene 3] uitspraken deden in de zin van dat hij “moest betalen aan de twee mannen, dat (hij) het moest regelen en dat dat het beste was voor iedereen”, dat de verdachte tegen de aangever zou hebben gezegd dat hij moest meewerken want dat zou het beste zijn voor iedereen, dat hetgeen de verdachte en de medeverdachte zeiden, volgens de aangever, ondersteunend was aan hetgeen twee andere actief bij de gijzeling betrokken medeverdachten zeiden, dat de verdachte en de medeverdachte [betrokkene 3] op enig moment boos zijn geworden “omdat het langer duurde dan verwacht” en dat, na verloop van tijd, de aangever in de woning overbleef met de verdachte en medeverdachte [betrokkene 3] en dat [betrokkene 3] toen een aantal telefoongesprekken in het bijzijn van de aangever en de verdachte heeft gevoerd met de broer van de aangever om tot betaling van losgeld te komen. Het hof heeft op grond hiervan geoordeeld “dat de verdachte zeggenschap had over zijn woning, dat hij die woning ter beschikking heeft gesteld om de aangever van zijn vrijheid beroofd te houden en dat hij bij die voortdurende vrijheidsberoving zelf actief betrokken is geweest als bewaker/oppasser, waarbij hij, ook waar het op de betaling van losgeld aankwam, een ondersteunende rol heeft gehad” en dat “zowel het opzet op de gijzeling als op het daarbij behulpzaam zijn en daartoe gelegenheid verschaffen” wettig en overtuigend zijn bewezen. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is voldoende met redenen omkleed.
4.24
Ook de derde deelklacht faalt.
4.25
Daarmee faalt het eerste middel.
Het tweede middel
5. Het tweede middel bevat de klacht dat de berechting van de verdachte niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn, als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, nu de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
5.1
Op 23 mei 2022 is namens de verdachte beroep in cassatie is ingesteld. De stukken van het geding zijn op 25 april 2023 op de griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden met ruim drie maanden. Dit dient tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf te leiden. [2]
5.2
Het middel slaagt.
Slotsom
6. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Het tweede middel slaagt.
7. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 23 mei 2022. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase zal worden overschreden. Dit dient eveneens te leiden tot vermindering van de gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
2.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,