Conclusie
9. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris,belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Den Haag van 11 februari 2020. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven - :
[telefoonnummer 1]blijkt dat de basisstations welke dit telefoonnummer aanstraalt, overeen komen met de locaties van de verdachte [betrokkene 3] . Deze locaties zijn te zien op camerabeelden van het portiek [ a-straat 1-2] te [plaats] .
Gesprek 12.
Gesprek 13.
[aangever] (hierna: de aangever) is in de vroege avond van maandag 22 juli 2019 door een aantal mannen ontvoerd. Hij is in zijn eigen auto meegenomen en in [plaats] in de auto van de medeverdachte [betrokkene 2] geplaatst. Vervolgens is de aangever overgebracht naar een woning gelegen aan het [ a-straat 1-2] te [plaats] - de woning van de verdachte - waar hij tot en met woensdag 24 juli 2019 is vastgehouden en bedreigd. De broer van de aangever werd gedurende de vrijheidsberoving meermalen, onder meer vanuit de woning van de verdachte, telefonisch onder druk gezet om losgeld te betalen. Pas na het betalen van het losgeld, zou de aangever worden vrijgelaten. Op 24 juli 2019 is de aangever door medeverdachte [betrokkene 3] meegenomen naar zijn eigen huis in [plaats] , alwaar de politie een einde heeft gemaakt aan de situatie.
AEH: bedoeld zal zijn: ‘de aangever’] water zat te drinken en te eten en dat hij niet zou hebben gerookt. Al die tijd zat de verdachte in de woonkamer op de bank, heeft hij onder meer televisie gekeken, en sliep hij voor de televisie, aldus nog steeds zijn eigen verklaring. De verdachte heeft in die twee dagen op enig moment kort de woning verlaten om vuilnis weg te gooien, zo blijkt nog uit zijn eigen verklaring en uit de zich in het dossier bevindende camerabeelden. De aangever heeft over de verdachte en medeverdachte [betrokkene 3] verklaard dat zij met hem in de woning verbleven en dat zij waren aangesteld als een soort oppassers en bewakers. Voorts deden de verdachte en medeverdachte [betrokkene 3] uitspraken in de zin van dat hij "moest betalen aan de twee mannen, dat (hij) het moest regelen en dat dat het beste was voor iedereen." De verdachte zou tegen hem hebben gezegd dat hij moest meewerken want dat zou het beste zijn voor iedereen. Hetgeen zij zeiden, was volgens de aangever ondersteunend aan hetgeen twee andere actief bij de gijzeling betrokken medeverdachten zeiden. Op enig moment zou de verdachte, even als de medeverdachte [betrokkene 3] , volgens de aangever boos zijn geworden "omdat het langer duurde dan verwacht." Na verloop van tijd bleef de aangever in de woning over met de verdachte en medeverdachte [betrokkene 3] . Laatstgenoemde heeft toen een aantal telefoongesprekken gevoerd met de broer van de aangever om tot betaling van losgeld te komen, aldus de aangever, in bijzijn van de aangever en de verdachte, zo volgt uit de zich in het dossier bevindende weergave van de in dit kader relevante tapgesprekken.