Conclusie
Nummer22/04700 P
Inleiding
De strafzaak
het medeplegen van opzettelijk uitvoeren van hennep naar Duitsland, meermalen gepleegd”, “
het medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod” en “
deelneming aan een criminele organisatie”.
De ontnemingszaak
andere” strafbare feiten. Voor een beter begrip van de klachten geef ik eerst een overzicht van de wijze waarop het hof het voordeel heeft becijferd.
A. de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode 1 juni 2010 tot en met 6 april 2011
kilogram x € 475,- winst = € 237.262,50
gemiddeldevolume van de handel in hennep zoals deze is opgenomen in het ontnemingsrapport. Immers wordt in het ontnemingsrapport geconcludeerd dat per maand 90 kilogram hennep werd verkocht. Het hof heeft uiteengezet waarom dat naar zijn oordeel te veel is. Het hof gaat kennelijk uit van ‘een
gemiddeldevan
maximaal66,4 kilogram hennep per maand’. Aldus bezien getuigt het arrest niet van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl de berekening overigens ook niet onbegrijpelijk is.
C. de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode 1 januari 2008 tot 1 juni 2010
Deelklacht 2: de eerste, tweede en vierde sub-klacht
Oordeel van het hof
ontnemingsperiode van 1 december 2009 tot 1 juni 2010voldoende aannemelijk” is gemaakt. Het hof heeft dit oordeel gebaseerd op het feit (i) dat de betrokkene sinds 10 november 2006 ‘ [A] ’ op zijn naam had staan en dit
“reeds vanaf 2007 in verband werd gebracht met de handel in hennep en de uitvoer daarvan” en (ii) dat de naam van betrokkene in december 2009 blijkens CIE-informatie concreet in verband is gebracht met de verkoop van verdovende middelen.