ECLI:NL:PHR:2024:955

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 september 2024
Publicatiedatum
16 september 2024
Zaaknummer
22/02159
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 257e SvArt. 257f SvArt. 1:431 BWArt. 1:438 BWArt. 1:441 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verzet tegen strafbeschikking na betaling onder beschermingsbewind

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, waarin de verdachte niet-ontvankelijk werd verklaard in het verzet tegen een strafbeschikking. Het hof oordeelde dat door betaling van de boete afstand was gedaan van het recht op verzet, wat volgens de advocaat-generaal een onjuiste rechtsopvatting is omdat onvoldoende is onderzocht of de betaling daadwerkelijk vrijwillig was.

De verdachte stond al geruime tijd onder beschermingsbewind, waarbij de bewindvoerder het beheer voert over zijn goederen en betalingen verricht. De betaling van de boete door de bewindvoerder zonder medeweten of instemming van de verdachte betekent dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat sprake is van vrijwillige voldoening aan de strafbeschikking.

De Hoge Raad stelt dat het hof onvoldoende oog heeft gehad voor deze bijzondere situatie en het ontbreken van nader onderzoek naar het vrijwillige karakter van de betaling. Het hof heeft zich ook niet uitgelaten over de betwisting door de raadsman dat de betaling vrijwillig was. Daarom wordt het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen voor nieuwe beoordeling.

Het arrest benadrukt het belang van een zorgvuldige toetsing van de ontvankelijkheid van het verzet, zeker wanneer sprake is van beschermingsbewind, omdat het recht op verzet alleen vervalt bij vrijwillige betaling. De bewindvoerder heeft geen vertegenwoordigingsbevoegdheid in strafrechtelijke procedures, waardoor de betaling door hem niet automatisch gelijkstaat aan afstand van het recht op verzet door de verdachte.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak terugverwezen wegens onvoldoende onderzoek naar het vrijwillige karakter van de betaling onder beschermingsbewind.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02159
Zitting17 september 2024
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De enkelvoudige strafkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 10 juni 2022 het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 22 mei 2019 vernietigd en de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het verzet tegen de strafbeschikking van 6 december 2018 [1] onder het CJIB-nummer 9132542003437076.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 22/02160, 22/02161, 22/02162 en 22/02163. In die zaken concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 14 juni 2022 ingesteld namens de verdachte. S.F.W. van ‘t Hullenaar, advocaat te Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld dat zich richt tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het verzet tegen de strafbeschikking.
1.4
Het middel is terecht voorgesteld. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak.

2.Het middel

2.1
In het middel wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de verdachte “door betaling van de bij de strafbeschikking opgelegde boete afstand heeft gedaan van de bevoegdheid tot het doen van verzet”, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat “de beslissing van het hof tot niet-ontvankelijkverklaring van [de verdachte] in het verzet tegen de strafbeschikking – in het licht van hetgeen door de raadsman van [de verdachte] is aangevoerd [A-G: over de onderbewindstelling van de verdachte en de betaling van de aan hem opgelegde geldboete door de bewindvoerder] – niet begrijpelijk [is].”
Het zaakoverzicht van het CJIB
2.2
Het zaakoverzicht van het CJIB van 12 mei 2019 houdt onder meer in:
Gegevens strafbeschikking
CJIB-nummer
9132542003437076
(…)
Status zaak: (NE, EX, OH)
Onherroepelijk
Datum onherroepelijk:
05-12-2018
Datum overdracht aan OM:
11-02-2019
Overdragen OM:
Parket Centrale Verwerking OM
Reden overdracht OM:
Verzet
(…)
Feitgegevens
(…)
Pleegdatum:
09-11-2018
(…)
Verzet
Datum verzet SB:
18-12-2018
(…)
Overzicht ontvangen bedragen
Bedrag
Datum ontvangst
Rekeningnummer
Betaald aan
Ontvangstnummer
104,00 euro
05-12-2018
[001]
[nummer]
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 juni 2022
2.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 juni 2022 houdt onder meer in:
“De advocaat-generaal voert het woord tot requisitoir als volgt:
(…)
Het verzet tegen de strafbeschikking in deze zaak is blijkens het zaakoverzicht ruim na het betalen van de boete ingesteld. Ingevolge artikel 257e van het Wetboek van Strafvordering doet verdachte afstand van het recht van verzet indien hij de strafbeschikking voldoet. Dat is hier ontegenzeggelijk gebeurd. Hij had dit kunnen weten gelet op de toelichting op de strafbeschikking. Naar mijn oordeel moet in deze zaak het vonnis van de kantonrechter vernietigd worden en het verzet niet-ontvankelijk verklaard worden. De betaalde strafbeschikking blijft daardoor in stand.
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt:
Ik had er geen rekening mee gehouden dat de ontvankelijkheid van het verzet nog aan bod zou komen vandaag, nu de zaak voor de tweede
[A-G: lees derde]keer op zitting staat bij het hof. Ik vind het twijfelachtig of je dat nu moet gaan aanvoeren, zeker als je subsidiaire standpunt vrijspraak is. Ik weet niet of, hoe en wanneer cliënt de strafbeschikking heeft betaald. Ik denk ook niet dat dat zo belangrijk is. Het verzet is niet meer mogelijk als er vrijwillig is voldaan aan de inhoud van de strafbeschikking. Cliënt staat onder bewind. Bij mijn weten al sinds 15 jaar. De post komt bij de bewindvoerder binnen en de bewindvoerder betaalt ook de strafbeschikkingen. Daar heeft cliënt niets over te zeggen. Dat is dus geen vrijwillige voldoening aan de inhoud van de strafbeschikking. Toen hij kennis kreeg van de strafbeschikking heeft hij verzet ingesteld. Ik ben dus van mening dat het verzet ontvankelijk is.
(…)
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede onmiddellijk uitspraak te zullen doen.
De voorzitter spreekt het arrest ter openbare terechtzitting uit en overweegt daarbij dat ongeacht wat (…) door de raadsman en de advocaat-generaal verder naar voren is gebracht, in de eerste plaats de vraag dient te worden beantwoord of de verdachte ontvankelijk is in het verzet tegen de uitgevaardigde strafbeschikking, welke vraag overeenkomstig hetgeen door de advocaat-generaal primair naar voren is gebracht ontkennend dient te worden beantwoord.
(…)
AANTEKENING VAN HET MONDELING ARREST
(…)
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het verzet tegen de strafbeschikking van 2 november 2018
[A-G: lees 6 december 2018]onder CJIB-nummer 9132542003437076.”
Het juridisch kader
i. de relevante wettelijke bepalingen
2.4
Voor de beoordeling van het middel zijn in verband met de ontvankelijkheid van het verzet en de betaling van de strafbeschikking door de bewindvoerder de volgende strafvorderlijke en civielrechtelijke wettelijke bepalingen van belang:
-
Art. 257e lid 1, derde en vierde volzin, Sv:
“Verzet kan niet worden gedaan indien de verdachte afstand heeft gedaan van de bevoegdheid daartoe door vrijwillig aan de strafbeschikking te voldoen. Verzet kan voorts niet worden gedaan indien de verdachte, bijgestaan door een raadsman, schriftelijk afstand heeft gedaan van de bevoegdheid daartoe.”
-
Art. 257f lid 4 Sv:
“Indien het verzet niet tijdig of onbevoegdelijk is gedaan dan wel niet aan de vereisten van artikel 257e, vierde lid, is voldaan, wordt het niet ontvankelijk verklaard. Indien de rechter de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie uitspreekt, dan wel de verdachte vrijspreekt, ontslaat van alle rechtsvervolging of veroordeelt, vernietigt hij de strafbeschikking.”
-
Art. 1:431 lid 1 onder Pro b BW:
“1. De kantonrechter kan een bewind instellen over één of meer van de goederen die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren
a. (…)
b. voor een bepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden.”
-
Art. 1:438 BW Pro:
“1. Tijdens het bewind komt het beheer over de onder bewind staande goederen niet toe aan de rechthebbende maar aan de bewindvoerder.
2. Tijdens het bewind kan de rechthebbende slechts met medewerking van de bewindvoerder of, indien deze weigerachtig is, met machtiging van de kantonrechter over de onder het bewind staande goederen beschikken.”
-
Art. 1:441 lid 1 BW Pro:
“Tijdens het bewind vertegenwoordigt de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte. De bewindvoerder draagt zorg voor een doelmatige belegging van het vermogen van de rechthebbende, voor zover dit onder het bewind staat en niet besteed behoort te worden voor een voldoende verzorging van de rechthebbende. De bewindvoerder kan voorts voor de rechthebbende alle handelingen verrichten die aan een goed bewind bijdragen.”
-
Art. 1:443 BW Pro:
“De bewindvoerder kan alvorens in rechte op te treden zich te zijner verantwoording doen machtigen door de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, door de kantonrechter.”
ii. geen verzet mogelijk bij vrijwillig voldoen aan de strafbeschikking
2.5
In art. 257e lid 1, derde volzin, Sv is bepaald dat verzet niet meer kan worden gedaan als de verdachte de strafbeschikking vrijwillig heeft voldaan. Volgens de wetgever mag uit de omstandigheid dat de strafbeschikking is voldaan “door de bank genomen” worden afgeleid dat de verdachte zich daarbij neerlegt. Bovendien mag in dat geval worden aangenomen dat de verdachte de implicaties van zijn beslissing overziet. [2] Afstand van de bevoegdheid tot het doen van verzet betekent in wezen dat de verdachte afstand doet van zijn recht op beoordeling van zijn zaak door een onafhankelijke rechter. [3] Voorwaarde daarvoor is wel dat de verdachte
vrijwilligaan de strafbeschikking heeft voldaan. [4]
2.6
Wat onder
vrijwilligevoldoening aan de strafbeschikking moet worden verstaan, is kennelijk zo vanzelfsprekend dat daarover in de wetsgeschiedenis en in de literatuur nauwelijks iets is te vinden. Voor zover ik heb kunnen nagaan, heeft ook de Hoge Raad zich hierover niet eerder uitgelaten. Kessler verstaat onder vrijwillige voldoening dat de verdachte uit eigen beweging aan de strafbeschikking voldoet. [5] Daarmee lijkt te kunnen worden gelijkgesteld het geval waarin een derde (al dan niet in opdracht of op verzoek en) met medeweten en instemming van de verdachte namens hem aan de strafbeschikking voldoet, hetgeen bij een opgelegde geldboete wel voorstelbaar is en bij een opgelegde taakstraf niet. Van vrijwilligheid is volgens Kessler geen sprake als verhaal wordt genomen op het vermogen van de verdachte, waardoor de in de strafbeschikking opgelegde geldboete geheel wordt voldaan. [6] Van vrijwilligheid zal in de regel evenmin kunnen worden gesproken in het geval een derde zonder medeweten en instemming van de verdachte de strafbeschikking voldoet. Overigens is het in die situatie ook nog maar de vraag of dan kan worden gesproken van voldoening aan de strafbeschikking
doorde verdachte.
2.7
Blijkens de wetsgeschiedenis kan uit de omstandigheid dat aan de strafbeschikking is voldaan in het algemeen (“door de bank genomen”) worden afgeleid dat de verdachte zich bij de aan hem opgelegde straf neerlegt. [7] Hieruit volgt dat ook in de ogen van de wetgever gevallen denkbaar zijn waarin weliswaar aan de strafbeschikking is voldaan, maar daaruit niet zonder meer kan worden afgeleid dat sprake is van vrijwillige voldoening. In een dergelijk geval ligt het op de weg van de rechter om te onderzoeken of de verdachte vrijwillig heeft voldaan aan de strafbeschikking. [8]
2.8
Het verzet wordt door de rechter op grond van art. 257f lid 4 Sv niet-ontvankelijk verklaard als het niet tijdig is gedaan, het onbevoegdelijk is gedaan of als niet aan de vormvereisten van art. 257e lid 4 Sv is voldaan. Als aan een strafbeschikking vrijwillig is voldaan, is een daarna ingesteld verzet per definitie niet tijdig en dus niet ontvankelijk. Het gevolg van de niet-ontvankelijkverklaring van het verzet is dat de strafbeschikking in stand blijft.
iii. de onder bewind gestelde verdachte
2.9
Raadpleging van het openbare Centraal Curatele- en bewindregister wijst uit dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland bij beschikking van 11 augustus 2017 met ingang van 12 augustus 2017 een bewind heeft ingesteld over de (toekomstige) goederen van de verdachte wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft bij beschikking van 5 februari 2019 de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd. Dat betekent dus onmiskenbaar dat op het moment dat aan de strafbeschikking werd voldaan, sprake was van ‘beschermingsbewind’ als bedoeld in art. 1:431 lid 1 onder Pro b BW.
2.1
Het beschermingsbewind leidt niet tot handelingsonbekwaamheid of -onbevoegdheid van de onderbewindgestelde, maar leidt er wel toe dat de onderbewindgestelde onbevoegd is tot beheer over de onder bewind gestelde goederen (art. 1:438 lid 1 BW Pro). Onder beheer wordt verstaan al datgene wat gedaan moet worden om de onder bewind staande goederen in stand te houden en de opbrengst ervan te verwerven, en omvat alles wat moet worden gedaan in het kader van de normale exploitatie van de onder bewind staande goederen. Onder de normale exploitatie van een goed vallen feitelijke handelingen, zoals het doen van onderhoud, het vervangen van onderdelen, het innen van huur of rente, maar ook rechtshandelingen zoals het sluiten van koopovereenkomsten, het sluiten van arbeidsovereenkomsten of huurovereenkomsten voor zover dit past binnen de normale exploitatie. [9] Onder goederen worden volgens art. 3:1 BW Pro begrepen alle (stoffelijke) zaken en alle vermogensrechten. Vermogensrechten zijn op grond van art. 3:6 BW Pro rechten die overdraagbaar zijn, of er toe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel. [10] Chartaal en giraal geld zijn goederen in de zin van het Burgerlijk Wetboek en zijn daarmee vatbaar voor het beschermingsbewind. Chartaal geld is immers een voor menselijke beheersing vatbaar stoffelijk object en is daarmee een (roerende) zaak en dus een goed (vgl. art. 3:2 BW Pro in verbinding met art. 3:3 lid 2 BW Pro en art. 3:1 BW Pro). Giraal geld is een vordering op de bank. Het is een overdraagbaar vorderingsrecht en daarmee een vermogensrecht en een goed (vgl. art. 3:83 lid 1 BW Pro in verbinding met art. 3:6 BW Pro en art. 3:1 BW Pro). [11]
2.11
Verder leidt het beschermingsbewind ertoe dat de onderbewindgestelde in beginsel enkel met medewerking van de bewindvoerder kan beschikken over de onder bewind staande goederen (art. 1:438 lid 2 BW Pro). Met beschikken wordt gedoeld op goederenrechtelijke rechtshandelingen, zoals het vervreemden of het bezwaren van de onder bewind staande goederen. [12] De onderbewindgestelde kan dus in beginsel alleen door, althans met medewerking van, de bewindvoerder betalingen verrichten. [13] Weigert de bewindvoerder medewerking te verlenen, dan kan de onderbewindgestelde de kantonrechter om een machtiging verzoeken om alsnog over de onder bewind gestelde goederen te beschikken (art. 1:438 lid 2 BW Pro).
2.12
De bewindvoerder is tijdens het bewind bij de vervulling van zijn taak vertegenwoordigingsbevoegd (art. 1:441 lid 1 BW Pro in verbinding met art. 1:443 BW Pro). Gaat het om een rechtszaak waarbij niet-vermogensrechtelijke belangen voorop staan, dan moet de onderbewindgestelde voor zichzelf opkomen en komt aan de bewindvoerder geen vertegenwoordigingsbevoegdheid toe. De onderbewindgestelde blijft ten aanzien van die aangelegenheden dus zelf, en in elk geval met uitsluiting van de bewindvoerder, procesbevoegd. Dit is bijvoorbeeld het geval in het straf(proces)recht. [14]
De bespreking van het middel
2.13
Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het verzet tegen de strafbeschikking. Het hof heeft door te verwijzen naar hetgeen primair door de advocaat-generaal bij het hof naar voren is gebracht kennelijk overwogen dat de verdachte overeenkomstig art. 257e Sv afstand heeft gedaan van het recht van verzet doordat hij de strafbeschikking heeft voldaan. Het wettelijk criterium is echter strikter doordat daarin expliciet wordt vereist dat de verdachte vrijwillig aan de strafbeschikking heeft voldaan. In zoverre ben ik het met de steller van het middel eens dat de wijze waarop het hof de ontvankelijkheid van de verdachte heeft beoordeeld niet getuigt van een juiste rechtsopvatting.
2.14
Voor zover de Hoge Raad dat anders ziet, dringt zich de vraag op of het hof voldoende oog heeft gehad voor de mogelijkheid dat er sprake is van een situatie waarin weliswaar aan de strafbeschikking is voldaan, maar van een vrijwillige – in casu – betaling geen sprake is geweest.
2.15
De raadsman van de verdachte heeft het vrijwillige karakter van de voldoening aan de strafbeschikking gemotiveerd betwist. Hij heeft aangevoerd dat de verdachte niet uit eigen beweging aan de strafbeschikking heeft voldaan, maar dat zijn bewindvoerder zonder zijn medeweten en instemming de bij de strafbeschikking opgelegde geldboete heeft betaald. Volgens de raadsman (i) staat de verdachte al 15 jaren onder bewind, (ii) komt de post van de verdachte binnen bij zijn bewindvoerder, (iii) betaalt de bewindvoerder de strafbeschikkingen van de verdachte, (iv) heeft de verdachte daarover niets te zeggen en (v) heeft de verdachte verzet gedaan tegen de strafbeschikking zodra hij daarvan kennis heeft gekregen.
2.16
Daarmee doet zich een situatie voor waarin uit de enkele omstandigheid dat aan de strafbeschikking is voldaan niet zonder meer kan worden afgeleid dat sprake is van vrijwillige voldoening door de verdachte, zodat het op de weg van het hof ligt om daar onderzoek naar te doen, waarbij in het bijzonder kan worden gedacht aan het horen van de bewindvoerder. Uit de stukken die in cassatie beschikbaar zijn, blijkt echter niet van enig nader onderzoek naar de gang van zaken rond de betaling van de strafbeschikking. Het moet er daarom voor worden gehouden dat het hof – en in de fase daarvoor: het Openbaar Ministerie – dat niet heeft gedaan. Daar komt bij dat het hof zich in het geheel niet heeft uitgelaten over hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht over het (on)vrijwillige karakter van de betaling van de geldboete die bij de strafbeschikking is opgelegd. Mijns inziens was het hof daartoe wel gehouden, niet alleen gelet op de onderbouwing en de indringendheid van de namens de verdachte aangevoerde argumenten, maar vooral ook gelet op het daaraan verbonden gevolg: geen mogelijkheid meer van verzet. Dat gevolg is alleen verbonden aan een vrijwillige betaling.
2.17
Ik voeg daar nog het volgende aan toe. Aan het niet ‘door een betaling’, maar ‘door een verklaring’ doen van afstand van de bevoegdheid tot het doen van verzet worden in de vierde volzin van art. 257e lid 1 Sv serieuze eisen gesteld. Dat moet schriftelijk gebeuren en met bijstand van een raadsman. Tegen die achtergrond ligt het voor de hand dat in de situatie van de derde volzin van art. 257e lid 1 Sv eveneens secuur moet worden omgegaan met onderbouwde verweren dat van een vrijwillige betaling van de strafbeschikking geen sprake is geweest. Een andere benadering zou vanuit systematisch oogpunt erg onevenwichtig zijn. In beide gevallen gaat het om hetzelfde ingrijpende juridisch gevolg.
2.18
De gang van zaken bij het hof klemt te meer nu de verdachte vanwege het beschermingsbewind onbevoegd is tot beheer over zijn onder bewind gestelde goederen, hij enkel met medewerking van zijn bewindvoerder (of machtiging van de kantonrechter) betalingen kan verrichten en de bewindvoerder niet vertegenwoordigingsbevoegd is als het gaat om straf(proces)rechtelijke procedures, waaronder ook moet worden begrepen het doen (van afstand van het recht) van verzet tegen een strafbeschikking door vrijwillig aan die strafbeschikking te voldoen.
2.19
Gelet op het voorgaande getuigt het kennelijke oordeel van het hof dat door de verdachte vrijwillig is voldaan aan de strafbeschikking van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk.

3.Slotsom

3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.In de in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 juni 2022 opgenomen aantekening van het mondeling arrest is vermeld dat de strafbeschikking dateert van 2 november 2018. Uit het bij de stukken gevoegde zaakoverzicht van het CJIB van 12 mei 2019 blijkt echter dat de overtreding waarvoor de strafbeschikking is uitgevaardigd is begaan op 9 november 2018 en dat de strafbeschikking met het CJIB-nummer 9132542003437076 dateert van 6 december 2018. Derhalve wordt in deze conclusie ervan uitgegaan dat de strafbeschikking dateert van 6 december 2018 en dat de in de aantekening van het mondeling arrest genoemde datum van 2 november 2018 een kennelijke misslag is.
3.M. Kessler,
4.Overigens vervalt een eenmaal gedaan verzet niet enkel door daarna vrijwillig te voldoen aan de strafbeschikking. Zie HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3220,
5.Kessler,
6.Kessler,
7.Het Openbaar Ministerie is hier steeds voorzichtiger mee geworden. Er is flink gesneden in de mogelijkheid tot het direct betalen van een opgelegde strafbeschikking. “Men kan zich afvragen hoe vrijwillig de voldoening is als de verdachte zonder voorzien te zijn van rechtsbijstand de opgelegde boete direct na uitreiking van de strafbeschikking betaalt”, aldus Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
8.In die zin: A-G Hofstee in zijn conclusie vóór HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3220,
9.Zie de conclusie van A-G De Bock, randnrs. 4.3-4.4, vóór HR 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:429,
10.Zie ook de conclusie van A-G Wesseling-van Gent, randnr. 2.27 vóór HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525,
11.Zie ook B. Bierens,
12.Zie de conclusie van A-G De Bock, randnr. 4.5, vóór HR 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:429,
13.M.P.M. van Lierop,
14.M.P.M. van Lierop,