ECLI:NL:PHR:2024:969

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 september 2024
Publicatiedatum
18 september 2024
Zaaknummer
22/02160
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring verzet tegen strafbeschikking en terugwijzing naar hof

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de kantonrechter Midden-Nederland vernietigd en de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het verzet tegen een strafbeschikking. De verdachte had cassatieberoep ingesteld tegen deze niet-ontvankelijkverklaring, waarbij werd aangevoerd dat de betaling van de boete door de bewindvoerder vanwege onderbewindstelling van de verdachte niet als afstand van het recht op verzet kan worden gezien.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft geconcludeerd dat het oordeel van het hof dat door betaling afstand is gedaan van het verzetrecht, een onjuiste rechtsopvatting bevat. Hij acht het oordeel niet begrijpelijk gelet op de omstandigheden rond de onderbewindstelling en de betaling door de bewindvoerder.

De conclusie van de procureur-generaal is dat het middel slaagt en dat er geen andere gronden zijn om de bestreden uitspraak te handhaven. Daarom wordt voorgesteld het arrest te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep.

Deze conclusie betreft een cassatieprocedure waarbij het centrale punt de ontvankelijkheid van het verzet tegen een strafbeschikking is, waarbij bijzondere aandacht is voor de juridische gevolgen van betaling door een bewindvoerder.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02160
Zitting17 september 2024
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De enkelvoudige strafkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 10 juni 2022 het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 22 mei 2019 vernietigd en de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het verzet tegen de strafbeschikking van 27 november 2018 onder het CJIB-nummer 8132542003429506.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 22/02159, 22/02161, 22/02162 en 22/02163. In die zaken concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 14 juni 2022 ingesteld namens de verdachte. S.F.W. van ‘t Hullenaar, advocaat te Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld dat zich richt tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het verzet tegen de strafbeschikking.

2.Het middel

2.1
In het middel wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de verdachte “door betaling van de bij de strafbeschikking opgelegde boete afstand heeft gedaan van de bevoegdheid tot het doen van verzet”, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat “de beslissing van het hof tot niet-ontvankelijkverklaring van [de verdachte] in het verzet tegen de strafbeschikking – in het licht van hetgeen door de raadsman van [de verdachte] is aangevoerd [A-G: over de onderbewindstelling van de verdachte en de betaling van de aan hem opgelegde geldboete door de bewindvoerder] – niet begrijpelijk [is].”
2.2
Het middel slaagt om de redenen die ik daarvoor heb opgegeven in mijn conclusie in de zaak tegen de verdachte onder het griffienummer 22/02159.

3.Slotsom

3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G