ECLI:NL:PHR:2024:971

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 september 2024
Publicatiedatum
18 september 2024
Zaaknummer
22/02764
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SvArt. 36h SvArt. 36n SvArt. 589 Sv (oud)Art. 590 Sv (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtsgeldigheid van betekening dagvaarding bij ontbreken naam ontvanger in akte van uitreiking

In deze zaak staat de rechtsgeldigheid van de betekening van een dagvaarding in hoger beroep centraal, waarbij het hof ’s-Hertogenbosch de dagvaarding als rechtsgeldig heeft beoordeeld ondanks het ontbreken van de naam van de ontvanger in de akte van uitreiking.

De advocaat van de verdachte stelde dat de betekening nietig is omdat de akte niet vermeldt aan wie de dagvaarding is uitgereikt, hetgeen volgens de wet tot nietigheid kan leiden. Het hof oordeelde echter dat de uitreiking aan de wettelijke vereisten voldeed omdat de akte was ondertekend en de verdachte op het adres stond ingeschreven.

De advocaat-generaal betoogt dat de ondertekening van de akte door de ontvanger geen wettelijke voorwaarde is, terwijl de vermelding van de persoon aan wie is uitgereikt dat wel is. Het ontbreken van deze naam kan niet worden gedekt door een handtekening zonder herkenbare naam of andere aanwijzingen. Daarom moet het arrest worden vernietigd en de dagvaarding in hoger beroep nietig worden verklaard.

De conclusie bevat een uitgebreide analyse van relevante wetsartikelen, wetsgeschiedenis en jurisprudentie, waarbij wordt benadrukt dat de uitreiker zich moet vergewissen van de identiteit en geschiktheid van de ontvanger. De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest en nietigverklaring van de dagvaarding.

Uitkomst: Het middel slaagt en de dagvaarding in hoger beroep wordt nietig verklaard, met vernietiging van het bestreden arrest.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/02764
Zitting24 september 2024

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 22 juli 2022 op grond van het bepaalde in art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3.1
Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de dagvaarding rechtsgeldig is betekend.
3.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“De verdachte genaamd:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op 19 juni 1994,
wonende te [plaats] , [a-straat 1] .
is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet verschenen.
Als raadsvrouw van de verdachte is verschenen mr. S. van Minderhout (kantoorgenoot van mr. M. Dunsbergen), advocaat te Breda.
(…)
De raadsvrouw:
Wij hebben geen contact kunnen krijgen met cliënt.
Op de akte van uitreiking staat wel een handtekening en datum, maar ik kan niet zien aan wie de dagvaarding is uitgereikt. Bijvoorbeeld of er een identiteitscontrole heeft plaatsgevonden. Mijns inziens is er geen sprake van een rechtsgeldige betekening overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering. Ik verzoek het hof derhalve om de dagvaarding nietig te verklaren. Ik heb geen aanleiding te veronderstellen dat cliënt op de hoogte is van de zitting. Ik ben niet gemachtigd.
De advocaat-generaal reageert:
De dagvaarding is betekend aan de [a-straat 1] in [plaats] en ik zie op de ID-staat conform SKDB dat de verdachte ook op dat adres staat ingeschreven. Op de akte is vermeld dat de dagvaarding aan iemand anders dan de verdachte is uitgereikt. Volgens mij vereist de wet niet dat de naam van die persoon wordt vermeld. De akte is ondertekend door degene die de uitreiking heeft gedaan. Ik vraag het hof om verstek te verlenen.
Na korte onderbreking van het onderzoek voor beraad deelt de voorzitter de beslissing van het hof mede.
Op de akte is inderdaad geen naam vermeld van de persoon aan wie de dagvaarding is uitgereikt, maar de akte is wel ondertekend. Daarmee voldoet de uitreiking aan de wettelijke voorwaarden. Doorslaggevend is dat volgens de gegevens uit de basisregistratie de verdachte op dit adres staat ingeschreven op de dag van de uitreiking en minstens 5 dagen daarna.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt, dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”
3.3
De akte van uitreiking met de verdachte als geadresseerde en met vermelding van het adres [a-straat 1] , [plaats] houdt, voor zover van belang, het volgende in:
3.4
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat in het onderhavige geval niet is voldaan aan het bepaalde in art. 589, eerste lid onder 4, (oud) Sv [1] , te weten dat de akte van uitreiking de persoon aan wie het schrijven is uitgereikt vermeldt, hetgeen bij niet-naleving op grond van het bepaalde in art. 590, eerste lid, (oud) Sv [2] tot nietigheid van de betekening kan leiden. Het hof zou gelet hierop ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, hebben geoordeeld dat de dagvaarding rechtsgeldig is betekend.
3.5
Het middel stelt de vraag aan de orde of het ontbreken in de akte van uitreiking van de (voorletters en) naam van de persoon aan wie de gerechtelijke mededeling is uitgereikt gevolgen heeft voor de geldigheid van de betekening.
3.6
Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering van belang:
- Artikel 36e
“1 De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:
a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;
b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:
1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,
2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.
2 Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
a.de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;
(…)”
- Artikel 36h
“1 Van iedere uitreiking als bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt een akte opgemaakt, waarin zijn vermeld:
a. de autoriteit van welke de gerechtelijke mededeling uitgaat;
b. het nummer van de gerechtelijke mededeling;
c. de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is;
d. de persoon aan wie de gerechtelijke mededeling is uitgereikt;
e. de plaats van uitreiking;
f. de dag en het uur van uitreiking.
(…)
3 De akte wordt door hen die met de uitreiking zijn belast, ieder voor zover het zijn bevindingen en handelingen betreft, van die bevindingen en handelingen naar waarheid opgemaakt en ondertekend. Zo mogelijk wordt de identiteit van de persoon, bedoeld in het eerste lid, onder d, vastgesteld aan de hand van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht.
(…)“
- Artikel 36n
“1 De rechter kan, indien de uitreiking niet is geschied overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling, de betekening nietig verklaren.
(…)”
3.7
Naar mijn weten is de in het middel opgeworpen rechtsvraag nog niet eerder in cassatie beantwoord. Wel heeft zich eerder het geval voorgedaan waarin de akte van uitreiking een onleesbare naam inhield. Volgens Advocaat-Generaal Meijers had de huisgenoot in dat geval kennelijk zelf zijn naam geschreven inclusief de strepen waarvan hij zijn (of haar) handtekening had voorzien. De rechtbank en het hof hadden de betekening van de oproeping voor de nadere zitting in eerste aanleg in orde bevonden. Dat oordeel leek Meijers juist, omdat de persoon aan wie het gerechtelijk stuk was uitgereikt en die zich tot het doorgeven ervan bereid heeft verklaard door de, weliswaar onleesbare opgave, voldoende was geïndividualiseerd, terwijl de postbesteller met zijn handtekening het een en ander heeft vastgelegd. Het stuk was op het juiste adres aangeboden en daar daadwerkelijk in ontvangst genomen door iemand die zich bereid verklaarde het stuk in ontvangst te nemen en door te geven. Volgens Meijers deed de onduidelijke opgave van de naam van de “huisgenoot” niet af aan de geldigheid van de betekening. [3] De Hoge Raad kwam echter aan de beantwoording van deze vraag niet toe, omdat de betekeningsklacht eerst in cassatie werd voorgelegd.
3.8
Een andere opvatting dan die van Meijers is te lezen in de dissertatie van Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg [4] , waarin wordt betoogd dat in de situatie waarin de naam van degene aan wie is uitgereikt onleesbaar is, moet worden gehandeld als ware de akte onvolledig ingevuld. [5] Volgens Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg dient de dagvaarding in principe nietig te worden verklaard indien de akte van uitreiking niet vermeldt aan wie het schrijven is uitgereikt – zij het dan met name als daardoor niet kan worden uitgemaakt of de dagvaarding in persoon is uitgereikt. Dat is anders als “uit andere gegevens valt af te leiden wie het betreft: te denken valt aan een duidelijke ondertekening van een uit het dossier te kennen persoon”. [6]
3.9
Het vereiste dat in het geval de geadresseerde niet wordt aangetroffen de uitreiking geschiedt aan degene die zich op het BRP-adres dan wel de woon-of verblijfplaats van de geadresseerde bevindt, zoals weergegeven in art. 36e, tweede lid onder a Sv, heeft niet altijd zo in de wet gestaan. In eerste instantie sprak de wet over “huisgenooten” [7] en nadien over “degene die zich in het huis bevindt” [8] . Over deze laatste wijziging houdt de wetsgeschiedenis het volgende in:
“Artikel 588. (…)
In het eerste lid, onder b, is bepaald dat de uitreiking in andere gevallen dan bedoeld onder a, kan geschieden hetzij in persoon, hetzij, indien betekening niet in persoon is toegelaten, - bij aanbieding aan de woon - of verblijfplaats in Nederland, en indien degene voor wie het stuk bestemd is daar niet wordt aangetroffen - aan een ieder die zich in het huis bevindt en bereid is om het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen. Dit laatste betekent een verruiming ten opzichte van de bestaande wet, die verlangt dat de persoon die het stuk in ontvangst neemt tenminste de «huisgenoot» is van degene voor wie het bestemd is. Deze beperking lijkt in de huidige maatschappelijke omstandigheden en bij de steeds belangrijker wordende rol die de (gehuwde) vrouw in het arbeidsproces speelt niet erg praktisch. De oppas van de kinderen bij voorbeeld kan immers niet als huisgenoot worden aangemerkt. Ook ten aanzien van de hospita bestaat er enige aarzeling of die onder alle omstandigheden als huisgenoot kan worden aangemerkt (vgl. Hoge Raad 22 oktober 1974, NJ 1975, nr. 40). In zo'n geval zou het stuk dus niet
aan de woning kunnen worden uitgereikt, maar aan het hoofd van het plaatselijk bestuur moeten worden aangeboden (vgl. artikel 588, derde lid) waardoor het de geadresseerde soms niet of met aanzienlijke vertraging bereikt.
De voorgestelde wetswijziging geeft voor deze moeilijkheden een praktische oplossing.
De persoon aan wie het stuk is uitgereikt, moet in de akte van uitreiking (artikel 589) worden vermeld. Achteraf zal dus desgewenst steeds kunnen worden nagegaan wie het stuk onder zich genomen heeft met de bereidverklaring het aan de geadresseerde te doen toekomen. Uiteraard behoort de beambte die het stuk uitreikt, zich er tevens van te vergewissen of degene die het stuk in ontvangst neemt ook in staat moet worden geacht het aan de geadresseerde te doen toekomen (hij zal dus aan jonge kinderen het stuk niet behoren uit te reiken). Dit voorbehoud ligt echter ook al in de bestaande regeling die de uitreiking beperkt tot «huisgenoten» besloten; een aparte wettelijke voorziening ter zake lijkt niet nodig.
(…)
Artikel 589. Dit artikel bepaalt wat de akte van uitreiking, die bij een betekening wordt opgemaakt, moet bevatten. De inhoud van artikel 589 (nieuw) komt overeen met artikel 587, vierde en vijfde lid (oud). Het voorschrift ziet uiteraard alleen op in Nederland gedane betekeningen (vgl. de toelichting op artikel 588).” [9]
3.1
Uit genoemde passage blijkt dat het vereiste dat de persoon aan wie het stuk wordt uitgereikt in de akte van uitreiking dient te worden vermeld (art. 589 (oud) Sv) tot doel heeft om - óók na het vervallen van het vereiste van het zijn van “huisgenoot” - achteraf desgewenst na te kunnen gaan wie het stuk onder zich genomen heeft met de bereidverklaring het aan de geadresseerde te doen toekomen. Volgens de wetgever behoort de beambte die het stuk uitreikt zich er “uiteraard” tevens van te vergewissen of degene die het stuk in ontvangst neemt ook in staat moet worden geacht het aan de geadresseerde te doen toekomen. Het uitreiken van een stuk aan jonge kinderen moet worden voorkomen. In dat verband merk ik op dat in het arrest van de Hoge Raad van 5 januari 1988, NJ 1989/377 de vraag speelde of een 13 of 14-jarig meisje in staat moet worden geacht de dagvaarding aan de verdachte te doen toekomen. [10] Het hof had die vraag bevestigend beantwoord door te overwegen dat van een meisje van die leeftijd kan en mag worden verwacht dat zij het belang van zo’n gerechtelijk schrijven begrijpt. De Hoge Raad overwoog dat dit oordeel niet getuigde van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend was gemotiveerd. Wat betreft het vereiste dat degene die het stuk heeft uitgereikt gekregen zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen, merk ik op dat in rechte niet hoeft te blijken dat deze het stuk ook inderdaad aan de geadresseerde heeft doen toekomen. [11] Verder is nog van belang dat de voorletters niet hoeven te worden aangeduid, ook niet in het geval van meerdere huisgenoten met dezelfde achternaam. [12]
3.11
In het onderhavige geval doet zich de situatie voor dat de akte van uitreiking wel een handtekening van de ontvanger bevat, maar de voorletters en naam van de ontvanger ontbreken. [13] Het hof heeft geoordeeld dat de uitreiking aan de wettelijke voorwaarden voldoet, omdat de akte van uitreiking wel is ondertekend. Dat oordeel is naar ik meen onjuist, nu ondertekening door de ontvanger geen wettelijke voorwaarde is, terwijl vermelding van de persoon aan wie de gerechtelijke mededeling is uitgereikt dit wel is (art. 36h, eerste lid onder d, Sv). Dat het door de ontvanger ondertekend zijn van de akte van uitreiking hier het verzuim van het niet vermelden van de naam dekt is hier evenmin aan de orde, in aanmerking genomen dat in de handtekening geen kenbare naam is te herkennen en ook in het dossier geen aanwijzing kan worden gevonden om welke persoon het gaat. Ten overvloede merk ik op dat indien en voor zover het hof bij het ondertekend zijn van de akte het oog heeft op de ondertekening door de uitreiker - in die zin dat de verklaring van degene die de uitreiking verzorgt bepalend is [14] - meen ik dat deze redenering gelet op de eerdergenoemde controlefunctie evenmin opgaat.
3.12
Het middel slaagt.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Het huidige art. 36h, eerste lid onder d, Sv.
2.Het huidige art. 36n, eerste lid, Sv.
3.Conclusie voor HR 1 oktober 1996, NJ 1997/91.
4.H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, Dagvaarding en berechting in aanwezigheid. De Nederlandse betekeningsregeling in rechtshistorisch en Europees perspectief (diss. Groningen), Amsterdam: Thesis publishers 1998, p. 121.
5.Vgl. HR 30 januari 1990, NJ 1990/456 waarin de mogelijkheid een omissie in de akte van uitreiking te laten aanvullen door middel van een aanvullend proces-verbaal aan de orde kwam. Ook zou degene die met de uitreiking was belast onder omstandigheden kunnen worden geraadpleegd.
6.Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, p. 120.
7.Stb. 1921/14.
8.Stb. 1980/666. Inwerkingtreding op 15 juni 1981 (Stb. 1981/190).
9.Kamerstukken II, 1979-1980, 15 842, nrs. 1-4, p. 17 en 18 (MvT).
10.Het ging hier om een uitreiking die plaatsvond op 11 mei 1985.
11.HR 31 mei 1977, NJ 1977/559 en HR 11 november 1986, NJ 1987/464. Ik merk nog op dat de raadsman van verdachte – mr. H.M. Dunsbergen – zich op 13 april 2022 heeft gesteld en aan hem een kopie van de dagvaarding is verstrekt.
12.Handboek strafzaken, aant. 28.2.4 Uitreiking aan iemand anders op het adres, waarin verwezen wordt naar HR 23 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9240, DD 93.318. Zie ook Melai/Groenhuijsen e.a., aant. 10.2 op art. 588 Sv Pro.
13.Vgl. voor het spiegelbeeldige geval de conclusie van mijn ambtgenoot Keulen voor HR 18 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1470 (PHR 5 juli 2022, ECLI:NL:PHR:2022:670), waarin hij - buiten het middel om - het standpunt inneemt dat het ontbreken van een handtekening voor ontvangst geen gevolgen heeft voor de geldigheid van de betekening. Vgl. ook PHR 30 augustus 2022, ECLI:NL:PHR:2022:769, waarin hij bij dit standpunt blijft (HR: 81 RO).
14.Zie in dit verband o.m. de in voetnoot 13 genoemde conclusie PHR 5 juli 2022, ECLI:NL:PHR:2022:670.