ECLI:NL:PHR:2024:999

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 oktober 2024
Publicatiedatum
27 september 2024
Zaaknummer
23/04053
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 lid 2 SvArt. 432 lid 1 onder a SvArt. 311 lid 1 SrArt. 434 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens verontschuldigbare termijnoverschrijding en onjuiste beoordeling grieven

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep omdat het hof oordeelde dat geen grieven tegen het vonnis waren ingediend. De verdachte had echter tijdig grieven per e-mail aan het hof verzonden, wat door het hof niet in aanmerking werd genomen. Hierdoor werd de verdachte onterecht niet-ontvankelijk verklaard.

De cassatie werd ingesteld na de wettelijke termijn, maar de Hoge Raad achtte de termijnoverschrijding verontschuldigbaar omdat de dagvaarding een rolzitting aankondigde waarbij de behandeling zou worden aangehouden indien tijdig grieven werden ingediend. De verdachte mocht erop vertrouwen dat de zaak niet inhoudelijk zou worden behandeld op de rolzitting.

De conclusie van de procureur-generaal stelt dat het hof onjuist heeft geoordeeld over het ontbreken van schriftuur met grieven en dat het cassatieberoep ontvankelijk is. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor inhoudelijke behandeling van het hoger beroep.

De zaak benadrukt het belang van correcte ontvangst en verwerking van schrifturen en het zorgvuldig omgaan met termijnen en verwachtingen bij rolzittingen in het strafproces.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor inhoudelijke behandeling van het hoger beroep.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/04053
Zitting1 oktober 2024
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij verstekarrest van 20 september 2023 door het gerechtshof Den Haag op grond van art. 416 lid 2 Sv Pro niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
1.2
Het cassatieberoep is op 16 oktober 2023 ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld. In het middel wordt geklaagd dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.
1.3
De uitkomst van deze conclusie is dat het middel slaagt en de zaak moet worden teruggewezen naar het gerechtshof Den Haag.

2.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1
De op de voet van art. 434 lid 1 Sv Pro aan de Hoge Raad gezonden stukken houden voor zover van belang het volgende in:
(i) het dubbel van de dagvaarding van de verdachte om op 20 september 2023 te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep, welke dagvaarding blijkens de daarvan opgemaakte akte op 21 augustus 2023 in persoon aan de verdachte is uitgereikt. Op de dagvaarding is in een afgekaderd tekstblok vermeld:
“U bent gedagvaard om te verschijnen op een ROLZITTING van het hof omdat u hoger beroep heeft ingesteld tegen een uitspraak van de kantonrechter/ politierechter/ meervoudige kamer van de rechtbank. Omdat u geen bezwaren heeft opgegeven tegen het vonnis waartegen u hoger beroep heeft ingesteld zal uw zaak op de in de dagvaarding aangegeven datum en tijdstip worden behandeld op een zogenaamde ROLZITTING van het gerechtshof te Den Haag. Deze zitting is bedoeld om u in de gelegenheid te stellen alsnog uw bezwaren op te geven tegen het vonnis, waarna de behandeling van uw strafzaak direct zal worden aangehouden tot een nadere datum waarop uw strafzaak inhoudelijk behandeld zal worden. U dient er rekening mee te houden dat indien u niet verschijnt en door u ook niet voorafgaand aan of tijdens de zitting bezwaren zijn opgegeven tegen het vonnis waartegen u beroep heeft ingesteld de kans bestaat dat het hof u conform artikel 416 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering niet ontvankelijk verklaart in het door u ingestelde hoger beroep. Ook indien blijkt, dat het hoger beroep niet rechtsgeldig (bijvoorbeeld te laat) is ingesteld, kan het hof u niet-ontvankelijk verklaren.”
(ii) Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 20 september 2023 houdt in:
“De verdachte […] is niet ter terechtzitting verschenen.
De raadsman van de verdachte, mr. M.E. Pennings, is – hoewel behoorlijk opgeroepen – evenmin verschenen.
De voorzitter doet mededeling van een door de verdachte op 20 september 2023 ondertekende afstandsverklaring, inhoudende dat de verdachte afstand doet van het recht om bij de behandeling van de zaak in hoger beroep aanwezig te zijn.
Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.
De voorzitter deelt mede dat de zitting van heden een zogenaamde strafrolzitting betreft, waarop een aanvang wordt gemaakt met de inhoudelijke behandeling van de zaak in die zin dat uitsluitend de stand van zaken met betrekking tot het naar eerdere indruk zonder grieven ingestelde hoger beroep aan de orde zal komen.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor en vordert, nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch heden ter terechtzitting is verschenen, dat de verdachte op grond van artikel 416, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep.
De advocaat-generaal legt de op schrift gestelde vordering aan het gerechtshof over.
Na sluiting van het onderzoek door de voorzitter doet het gerechtshof terstond uitspraak.”
(iii) Het hof heeft vervolgens op dezelfde dag de volgende uitspraak gedaan:
“De verdachte heeft niet een schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. Evenmin heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.”
2.2
De dagvaarding van de verdachte om te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep van 20 september 2023 is aan de verdachte in persoon betekend. Het hof heeft op die datum uitspraak gedaan. Dat betekent mee dat ingevolge art. 432 lid 1 onder Pro a Sv de termijn voor het instellen van cassatieberoep op 4 oktober 2023 afliep. De verdachte heeft echter pas op 16 oktober 2023 beroep in cassatie doen instellen.
2.3
Volgens de stellers van het middel kan de verdachte niet worden tegengeworpen dat hij niet binnen veertien dagen na de uitspraak van het hof cassatie heeft ingesteld. Daarvoor wordt aangevoerd dat het hof op 20 september 2023 de zaak had moeten aanhouden omdat er grieven waren ingediend. De verdachte had daarom niet behoeven te vermoeden dat het hof de zaak niet tot een nadere datum voor inhoudelijke behandeling zou aanhouden zoals in de dagvaarding was vermeld.
2.4.
Bij de cassatieschriftuur is een bijlage gevoegd, inhoudende een print van een e-mail van 14 september 2023 (9:07 uur) van de raadsman van de verdachte verzonden aan rp.hof.denhaag.algemeen@om.nl, met als onderwerp “grieven inz. [verdachte], geboren op [geboortedatum] 2003, rolnummer 22-00085-23, rolzitting 20 september a.s. om 11.36 uur” inhoudende:
“Inzake: [verdachte]/HB
Edelgrootachtbare vrouwe/heer,
Hierbij doe ik u (…) ten behoeve van de aanstaande rolzitting in deze zaak opgave van de grieven.
Het hoger beroep richt zich zowel tegen de bewezenverklaring alsook – subsidiair – tegen de opgelegde straf.
Wilt u de goede ontvangst van deze e-mail aan mij bevestigen a.u.b.?
Bij voorbaat dank.
Met vriendelijke groeten,
M.E. Pennings
Pennings & van Haneghem Advocaten
[...]”
2.4
De hiervoor vermelde print van een e-mail bevindt zich niet bij de ingevolge art. 434 lid 1 Sv Pro door het hof aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding. Ik meen echter dat het e-mailbericht, dat datum en tijdstip van verzending alsmede het e-mailadres van het gerechtshof Den Haag vermeldt, voldoende grond biedt voor het ernstig vermoeden dat het e-mailbericht wel ter griffie van het hof is ontvangen. [1]
2.5
De termijnen waarbinnen rechtsmiddelen moeten worden ingesteld, zijn van openbare orde. [2] Dit heeft tot gevolg dat bij overschrijding van de beroepstermijn een verdachte alleen dan kan worden ontvangen in zijn beroep, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden, die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. [3] Dat is onder meer het geval wanneer binnen de beroepstermijn ambtelijke informatie is verstrekt waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de termijn op een ander tijdstip aanvangt. [4]
2.6
Ik meen dat in het onderhavige geval van dergelijke bijzondere omstandigheden sprake is. In de door het openbaar ministerie aan de verdachte uitgereikte dagvaarding blijkt (a) dat de zitting van 20 september 2023 een rolzitting betrof die bedoeld was om de verdachte in de gelegenheid te stellen zijn bezwaren op te geven tegen het vonnis, waarna de behandeling van zijn zaak direct zou worden aangehouden tot een nadere datum waarop zijn strafzaak inhoudelijk behandeld zou worden, en (b) dat de verdachte er rekening mee diende te houden dat (slechts) indien hij niet zou verschijnen op de rolzitting en bovendien ook niet door hem voorafgaande aan of tijdens de zitting bezwaren zouden zijn opgegeven tegen het vonnis, het hof hem op grond van art. 416 lid 2 Sv Pro niet-ontvankelijk zou kunnen verklaren in het hoger beroep. Nu namens de verdachte voorafgaande aan de zitting tijdig zijn bezwaren tegen het vonnis zijn opgegeven, mocht hij ervan uitgaan dat de behandeling van zijn strafzaak zou worden aangehouden tot een nadere datum en mocht hij erop vertrouwen dat zijn zaak op 20 september 2023 niet inhoudelijk zou worden behandeld en afgedaan. [5]
2.7
Volledigheidshalve merk ik nog het volgende op. Blijkens een daarvan aan de cassatieschriftuur gehechte kopie, hiervoor weergegeven onder 2.4, heeft de raadsman van de verdachte per e-mail van 13 september 2023 grieven verzonden aan het e-mailadres rp.hof.denhaag.algemeen@om.nl. Aan de cassatieschriftuur is verder een kopie van een ongeadresseerde brief van de president van het hof Den Haag van 5 juli 2023 gehecht, inhoudende (i) dat besloten is om de gemeenschappelijke administratie van het ressortsparket Den Haag en het gerechtshof Den Haag medio juli 2023 te ontbinden, (ii) dat de ontvanger van de brief zo spoedig mogelijk over de exacte datum van de ontvlechting van de “Gemeenschappelijke “Ondersteuning Strafrecht” wordt geïnformeerd en dat dan ook de contactgegevens van de nieuwe administraties worden toegestuurd, (iii) dat de wijziging van contactgegevens mogelijk al per 1 augustus 2023 zijn beslag krijgt en (iv) dat er “echter” een overgangsperiode zal komen, waarin post/mail verzonden naar het oude adres doorgestuurd wordt naar de nieuwe adressen. Ook het laatste stuk (aan de authenticiteit en integriteit waarvan niet hoeft te worden getwijfeld) biedt grond voor het ernstig vermoeden dat namens de verdachte tijdig en op juiste wijze voorafgaande aan het onderzoek ter terechtzitting op 20 september 2023 een schriftuur houdende grieven is ingediend. Op grond daarvan moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat een dergelijke schriftuur is ingediend. [6]
2.8
Gelet op het voorgaande acht ik het cassatieberoep ontvankelijk wegens verontschuldigbare termijnoverschrijding.

3.Het middel

3.1
In het middel wordt geklaagd dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep en daartoe heeft overwogen dan wel geoordeeld dat de verdachte geen grieven heeft opgegeven tegen het vonnis in eerste aanleg, nu de verdachte heeft kunnen aannemen dat er sprake was van een rolzitting waarbij na opgave van grieven een nieuwe zitting zou worden gehouden en namens de verdachte voorafgaande aan de rolzitting grieven zijn opgegeven.
3.2
Hierover kan ik kort zijn. Zoals ik reeds eerder onder 2.4 en 2.7 concludeerde, is er voldoende grond voor het ernstig vermoeden dat het e-mailbericht houdende grieven ter griffie van het hof Den Haag is ontvangen. Het oordeel van het hof dat de verdachte niet een schriftuur met grieven tegen het vonnis heeft ingediend is dan ook onjuist. Daarmee heeft het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
3.3
Het middel is terecht voorgesteld.

4.Slotsom

4.1
Het middel slaagt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Vgl. HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1049,
2.HR 28 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC9983,
3.HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587,
4.HR 20 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9906,
5.Vgl. HR 6 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1816, rov. 2.5.
6.Vgl. HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:73, rov. 2.2 (onder verwijzing naar de conclusie van A-G Vegter).