Conclusie
Nummer 23/01571
Inleiding
Het tweede middel
Bewijsoverweging feit 1
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens medeplegen van witwassen, met een geheel voorwaardelijke taakstraf van tachtig uur en een proeftijd van een jaar. Het hof baseerde zijn oordeel op het feit dat verdachte grote geldbedragen contant in zijn woning had, waarvan werd vastgesteld dat deze uit enig misdrijf afkomstig moesten zijn. De verdachte gaf verschillende verklaringen over de herkomst van het geld, die het hof als inconsistent en onvoldoende verifieerbaar beoordeelde.
De verdachte stelde in cassatie dat het hof zijn verklaringen onjuist had weergegeven en onvoldoende had gemotiveerd waarom deze niet aannemelijk waren. Ook werd aangevoerd dat het hof niet had gereageerd op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de verdediging. De Procureur-Generaal concludeerde echter dat het hof terecht had geoordeeld dat het vermoeden van witwassen niet was ontzenuwd door de verklaringen van de verdachte.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dit wist. De inconsistenties in de verklaringen over de herkomst van het geld, het ontbreken van concrete en verifieerbare onderbouwing, en het feit dat het geld contant in bundels werd bewaard, rechtvaardigden de bewezenverklaring. Het cassatieberoep werd verworpen, ondanks dat de redelijke termijn in cassatie was overschreden.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling voor medeplegen van witwassen met een geheel voorwaardelijke taakstraf.