Conclusie
bestuurders)
curator)
zorgkantoor)
1.Feiten
arrest). [1]
Roebia BV) [2] verleende thuiszorg en wijkverpleegkundige zorg. Deze activiteiten heeft zij op 1 januari 2014 overgenomen van Stichting Roebia Zorg (hierna: de
stichting). Een paar jaar later ging Roebia BV failliet en bleven grote schulden achter.
allonge).
AWBZ), dat was aangewezen om in een aantal regio’s binnen Nederland kwalitatief goede en doelmatige zorg in te kopen. De stichting was een van de zorgaanbieders waarmee het zorgkantoor jaarlijks zorgovereenkomsten sloot. Het zorgkantoor vergoedde de AWBZ-zorg die de stichting aan haar cliënten leverde. Omdat de door de stichting gesloten zorgovereenkomsten niet konden worden overgedragen aan Roebia BV, bleven deze ook na de overname op naam van de stichting staan. Roebia BV verleende echter vanaf de overname feitelijk de zorg, en het zorgkantoor betaalde de vergoedingen hiervoor rechtstreeks aan Roebia BV.
Wlz), de Zorgverzekeringswet (hierna: de
Zvw), de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: de
Wmo) en de Jeugdwet. De zorgkantoren zijn sinds 1 januari 2015 alleen nog verantwoordelijk voor uitvoering van de Wlz, en zijn daarmee sindsdien alleen een zorgkantoor in de zin van de Wlz. Wijkverpleging, waar Roebia BV zich grotendeels op richtte, valt niet onder de Wlz maar onder de Zvw, welke wet wordt uitgevoerd door zorgverzekeraars.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank).
vonnis). [6] Daarin heeft zij, samengevat:
hof).
MvG). De bestuurders vorderden, samengevat, dat het hof het vonnis gedeeltelijk vernietigt en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de curator afwijst en de reconventionele vorderingen in de hoofdzaak en de vorderingen in de vrijwaringszaak alsnog toewijst, met veroordeling van de curator en het zorgkantoor in de kosten van de hoofd- respectievelijk vrijwaringszaak.
MvA/MvG). Daarin vorderde hij, samengevat, in principaal appel dat het hof het vonnis bekrachtigt en in incidenteel appel dat het hof het vonnis vernietigt wat betreft de oordelen dat geen sprake is van schending van de administratieplicht en dat de schending van de deponeringsplicht kwalificeert als onbelangrijk verzuim, en daarnaast oordeelt dat de bestuurders de administratie- en/of deponeringsplicht hebben geschonden.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
1 januari 2014een beweerdelijk verlieslatende onderneming was en of geen redelijk denkend bestuurder met de kennis van toen het besluit had genomen namens Roebia BV tot overname van die onderneming, waarbij het debat zich zou hebben toegespitst op de periode direct voorafgaand aan 1 januari 2014. Dit terwijl het hof als peilmoment medio 2015 neemt (het aangaan van de allonge).
2015” (ik begrijp: betreffende de allonge) niet als zodanig door de curator ten grondslag zijn gelegd aan het verwijt van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Het debat van verwijt A ziet immers op de peildatum van 1 januari 2014, en dus op wat de bestuurders in de aanloop naar die datum wisten.
verhoogd. “Dit oordeel” (ik begrijp: dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur omdat de kooprijs is verhoogd) in rov. 2.3, 3.7, 3.9, 3.23 en 3.24 getuigt volgens het subonderdeel van een onjuiste rechtsopvatting en is bovendien onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd.
vendor loan’), en de stellingen die de curator in dit verband heeft ingenomen.
vendor loan’), ook wel aangeduid als verwijt B.
verhoogd;
dater sprake is van een verhoging;
verhoogden niet
gerelabeld. In het laatste geval kan geen sprake zijn van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Het maakt dan immers voor de financiële positie van Roebia BV geen enkel verschil hoe de koopprijs boekhoudkundig is verwerkt. De curator heeft stelling 1) in het geheel niet ingenomen. Het hof miskent hetzij het bepaalde in art. 149 Rv Pro en/of art. 150 Rv Pro en/of toepassing van het Haviltexcriterium, althans zijn oordeel is ontoereikend gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk. Dit werkt door in rov. 3.9 en 3.23.
vendor loan’) daadwerkelijk is betaald (althans afgelost). In dit verband kan, zoals volgt uit mijn weergave van stellingen van de curator onder 3.35 hiervoor, aan de bestuurders worden toegegeven dat sec de verhoging van de koopprijs met een bedrag van € 75.000 bij de allonge niet als zodanig (met zoveel woorden) door de curator is gesteld. Echter, de curator heeft wel gesteld dát de koopprijs in 2015 (lees: bij de allonge) is verhoogd, en ook dat feitelijk een hoger bedrag voor de koopsom is betaald dan de aanvankelijk overeengekomen € 325.000. [47] Daar komt bij dat het hof tot uitdrukking brengt niet dat uit de
tekstvan de allonge blijkt dat de koopprijs is verhoogd (laat staan met een bedrag van € 75.000), maar veeleer dat daaruit volgt dat de prijs voor de goodwill is verhoogd met € 75.000, zonder dat daaruit (of anderszins) blijkt dat de prijs voor de inventaris is komen te vervallen.
gerelabeld’) niet onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Gelet op dit een en ander valt evenmin in te zien op welke wijze hiermee art. 149 Rv Pro, art. 150 Rv Pro en/of (toepassing van) het Haviltexcriterium zou zijn miskend door het hof.
onder dezelfde omstandighedenaldus zou hebben gehandeld, hebben miskend. De omstandigheden van het geval zijn (mede) bepalend voor de vraag of er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Dit betekent dat de omstandigheid genoemd in rov. 3.8 dat Roebia BV er belang bij had de stichting ‘in leven te houden’ vanwege de contracten die nog via de stichting liepen relevant is voor de vraag of sprake is kennelijk onbehoorlijk bestuur. Het zou juist van slecht ondernemerschap getuigen indien de bestuurders de stichting failliet zouden laten gaan, omdat daarmee de contracten met de zorgverzekeraars, en daarmee de inkomstenbron voor Roebia BV, verloren zou gaan. Daarin ligt besloten dat elke andere ondernemer in gelijke omstandigheden hetzelfde zou hebben gedaan.
onder dezelfde omstandighedenaldus zou hebben gehandeld. [57] Dit wordt niet anders door hetgeen de klacht aanreikt, reeds omdat zij zich toespitst op slechts enkele overwegingen van het hof (in rov. 3.8) die onderdeel vormen van een breder oordeel (in rov. 3.1-3.9), [58] en de klacht daarbij voorts uit het oog verliest wat voor het hof in die overwegingen de crux is (dat het risico waaraan de bestuurders Roebia BV met hun handelwijze bloot stelden
onnodiggroot was, door het ontbreken van een bovengrens of andersoortige beperking van de garantie). [59] Met dit laatste brengt het hof tot uitdrukking dat weliswaar (aan de bestuurders kan worden toegegeven dat) met het aangaan van de in rov. 3.8 vooropgestelde “ongelimiteerde garantie (de ‘blanco cheque’)” een zeker eigen belang van Roebia BV werd gediend, omdat de zorgovereenkomsten op naam van de stichting waren blijven staan, maar dat belang niet rechtvaardigt dat de bestuurders met hun handelwijze voor Roebia BV
nodeloosextra risico namen. [60] Het nemen van een dergelijk risico is niet iets wat “elke andere ondernemer”, laat staan elke redelijk denkende bestuurder, [61] “in gelijke omstandigheden” ook zou hebben gedaan. Overigens zet de klacht niet uiteen, laat staan met vindplaatsverwijzingen, dat een betoog als daarin gevoerd ook door de bestuurders in feitelijke instanties is gevoerd.
terwijl de bestuurders toen al duidelijk was dat door het niet vergoed krijgen van de overproductie in 2013 het resultaat van de stichting in dat jaar alsnog negatief was en daarmee het negatieve eigen vermogen van de stichting nog groter was dan al eerder in de jaarrekening 2013 tot uiting was gebracht.
in de periode 2013/2014een keuze hebben gemaakt die verantwoord was en die met de kennis van toen moet worden aangemerkt als een logische en verantwoorde keuze, althans een keuze die geenszins kan worden geduid als een die geen weldenkende ondernemer zou hebben gemaakt;
1 januari 2014. Uit de stellingen bij paragraaf A onder 10-16 in de procesinleiding en het BFI-rapport [66] zou blijken dat ten tijde van de overname op 1 januari 2014 geen sprake was van de overname van een verlieslatende onderneming. Verder miskent het hof in rov. 3.3-3.9 dat ten tijde van de allonge de beslissing tot aankoop van de onderneming van de stichting was genomen en geëffectueerd, terwijl ook in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat dit op goede gronden is gebeurd.
Ten aanzien daarvan overweegt het hof hetzelfde als de rechtbank: omdat wat hiervoor is besproken de conclusie rechtvaardigt dat de bestuurders hun taak kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld en aannemelijk is dat dit handelen, in samenhang gelezen, een belangrijke oorzaak van het faillissement is, kan bespreking van deze verwijten achterwege blijven.Hetzelfde geldt voor de ook door de curator aan de orde gestelde schending van de administratie- en deponeringsplicht.
Daarmee ontvalt ook het belang aan het bewijsaanbod dat de bestuurders hebben gedaan van hun stelling dat deze schuld door Roebia BV niet is betaald. Voor zover zij met dat aanbod hebben bedoeld dat ook geen sprake is geweest van verrekening, is dat verweer in het licht van het voorgaande onvoldoende onderbouwd.
beste methodeom te kijken of iets betaald is, is te onderzoeken of de bewuste bedragen van Roebia BV inderdaad door de stichting zijn ontvangen. [71]
vendor loan’ door voldoening in rekening-courant (via verrekening) afgelost, ondanks de (vermeende) afwezigheid van concreet daarop gerichte aflossingen.
essentiëlestellingen, omdat stellingen a en b een
nadere betwistingvormen van de stelling van de curator dat de lening is afgelost.
overigeboekingen” in 2014 meer naar Roebia BV is geboekt vanuit de stichting dan vice versa. Hiermee is dus niks gezegd over het
geheelvan boekingen in 2014, terwijl juist dit (en alleen dit) relevant is voor rekening-courantverhoudingen gelet op de verrekening die op de voet van art. 6:140 lid 1 BW Pro dadelijk en van rechtswege plaatsvindt. Opnieuw: niet relevant is of een daadwerkelijk op ‘aflossing’ van de geldlening gerichte boeking heeft plaatsgevonden. Zie onder 3.75.6-3.75.7 hiervoor.
nietvervroegd is afgelost. Het is echter de curator die zich op het rechtsgevolg beroept dat dit
welhet geval is. De bestuurders hebben voldoende gemotiveerd betwist dat de koopprijs zou zijn betaald. Althans had het hof zijn oordeel op dit punt nader moeten motiveren.
welvervroegd is afgelost ontoereikend gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk. In lijn daarmee is rov. 3.18 op dit punt eveneens onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
nietvervroegd is afgelost.
en vervolgens over te gaan tot vervroegde aflossing van de met de koopsom samenhangende lening (€ 320.086). Ook hebben zij een schuld van de stichting afgelost die juist uitdrukkelijk buiten de activa/passivatransactie was gelaten (€ 149.664,11). Door dit alles is de liquiditeitspositie van Roebia BV onnodig onder druk komen te staan. Bovendien is onverplicht de al genoemde 'blanco cheque’ uitgeschreven. Deze handelingen vonden plaats kort na overname van een verlieslatende onderneming, die ook in het jaar van de overname (2014) een fors negatief resultaat behaalde van € 284.329, en die kampte met een negatief eigen vermogen van € 301.946. De handelingen vonden plaats in de wetenschap dat Roebia BV een in mei 2014 ten onrechte ontvangen bedrag aan het zorgkantoor had terug te betalen, dat het zorgkantoor een vordering van € 243.507,04 pretendeerde wegens onderproductie in 2014, en in het vooruitzicht van een forse claim van datzelfde zorgkantoor wegens onrechtmatig verleende zorg in dat jaar. De betalingsonmacht ten aanzien van die eerste vordering van het zorgkantoor en het faillissement dat er naar aanleiding van de beslaglegging op volgde, is naar het oordeel van het hof in belangrijke mate veroorzaakt door dit kennelijk onbehoorlijk bestuur, zoals dat in onderlinge samenhang moet worden beoordeeld.
bewustzijnvan (1) de handeling zelf en (2) de nadelige gevolgen ter zake van de liquiditeitspositie, dat een redelijk denkend en redelijk handelend ondernemer zich daarvan had behoren te weerhouden. Een dergelijke subjectieve benadering vindt geen steun in het recht, want strookt niet met de objectieve invulling die pleegt te worden gegeven aan kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:248 lid 1 BW Pro, waarvan slechts kan worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder - onder dezelfde omstandigheden - aldus gehandeld zou hebben. [84] Daarvan kan ook sprake zijn als de bestuurder niet die subjectieve wetenschap had (dat bewustzijn), maar wel normatieve wetenschap (behoren te weten). [85] Blijkens de wetsgeschiedenis [86] draait het bij zo’n kennelijk onbehoorlijke taakvervulling erom:
verweerhandhaven dat het niet Roebia BV is geweest die deze schuld heeft betaald, maar de stichting. In rov. 3.21-3.22 gaat het hof vervolgens in op dit verweer van de bestuurders, dus de betwisting van de stelling van de curator dat Roebia BV (en niet de stichting) die schuld heeft betaald. In die overwegingen ligt besloten dat naar ’s hofs oordeel de bestuurders voornoemde stelling onvoldoende (gemotiveerd) hebben weersproken. Ik licht dit kort toe.
Klacht (i)mist doel.
Klacht (ii)treft evenmin doel.
Klacht (iii), ten slotte, boekt ook geen succes.
blijkt niet (en is ook niet aangevoerd)dat sprake is geweest van verrekening van een dergelijke leenschuld van Roebia BV met een vordering van Roebia BV die ruim een jaar later is ontstaan als gevolg van de inlossing door Roebia BV van de bancaire schuld van de stichting.
Subonderdeel IV.3stelt dat indien het oordeel van het hof in rov. 3.21 dat weliswaar vaststaat dat de stichting begin 2014 ruim € 200.000 op de bankrekening van Roebia BV heeft overgemaakt, maar dat daarmee dat geld wel tot het vermogen van die vennootschap is gaan behoren, aldus moet worden begrepen dat de stichting het bedrag ‘kwijt’ is tenzij sprake zou zijn van een ‘leenschuld’ waarvan volgens het hof niet zou blijken, het hof miskent dat de titel van de betaling bepalend is voor de vraag wie aanspraak kan maken op het bewuste bedrag, hetgeen de curator moet stellen en bewijzen. Met de stelling (in de MvG, nr. 75) dat de stichting het bedrag had ‘geparkeerd’ op de rekening van Roebia BV stellen de bestuurders “dus” dat de stichting eigenaar is gebleven van dat bedrag en “dus” dat Roebia BV houder van dit bedrag was voor de stichting (het gaat om “geld dat de BV van de stichting onder zich had”). Het hof miskent in rov. 3.19-3.22 dat, gegeven deze betwisting door de bestuurders (erop neerkomend dat de schuld van de stichting bij ABN AMRO is betaald met geld dat Roebia BV van de stichting onder zich had), op de curator de bewijslast rust van de stelling dat desalniettemin de lening van ABN AMRO is afgelost door Roebia BV, althans het bestreden oordeel is ontoereikend gemotiveerd.
Subonderdeel IV.4stelt, samengevat, dat het oordeel in rov. 3.21 dat “daaraan” (ik begrijp: de overweging dat het geld tot het vermogen van Roebia BV is gaan behoren) niet afdoet dat de vanaf 2014 ontvangen inkomsten op de bankrekening afkomstig waren van zorgkantoren, zorgverzekeraars en gemeenten waarmee de stichting overeenkomsten had gesloten, nu na de overname van de zorgonderneming per 2014 de stichting tegenover Roebia BV geen aanspraak meer kon maken op deze gelden, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans onbegrijpelijk is. Het feit dat na de overname de door de zorgkantoren betaalde gelden in beginsel toekomen aan Roebia BV, maakt niet dat het bedrag van € 209.000 dat de stichting in aanvang aan Roebia BV heeft geleend niet zou moeten worden terugbetaald. Dat is immers geen geld van de zorgkantoren dat is gegenereerd met door Roebia BV geleverde zorg.
Subonderdeel IV.5stelt, samengevat, dat de motivering van het oordeel in rov. 3.25 dat het hof geen ruimte ziet voor enige bewijsvoering aan de kant van Roebia BV tekortschiet, omdat niet duidelijk is op welke grond het hof komt tot afwijzing van het bewijsaanbod van de bestuurders inzake de stelling dat niet Roebia BV, maar de stichting het rekening-courantkrediet bij ABN AMRO heeft afgelost. [95] Is dat omdat bewijslevering niet tot een ander oordeel kan leiden, dan levert dat bovendien een verboden prognose op. Het hof heeft dus hetzij art. 166 Rv Pro miskend, hetzij zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd.
Subonderdeel V.1stelt, samengevat: (i) dat het slagen van één of meer klachten van onderdeel I, II en/of III betekent dat het oordeel in rov. 3.23 onder a) en c) niet in stand kan blijven; (ii) dat het oordeel onder d) getuigt van een onjuiste rechtsopvatting gelet op art. 149 Rv Pro althans onbegrijpelijk is, nu de bestuurders juist gemotiveerd hebben bestreden (onder meer met het “BFI 1 rapport”) dat de overgenomen onderneming verlieslatend was; [96] en (iii) dat het hof in het oordeel onder e) miskent, althans onbesproken laat, dat over 2015 zoveel winst zou worden gemaakt dat daarmee voormeld bedrag kon worden betaald uit de winst indien de beslaglegging achterwege was gebleven. [97]
Klacht (i)mist doel.
Klacht (ii)treft evenmin doel.
Klacht (iii)boekt ook geen succes.
Klacht (iv)leidt niet tot een andere uitkomst.
Klacht (v), ten slotte, is van hetzelfde laken een pak.
Subonderdeel V.2stelt dat het slagen van een of meer klachten in onderdeel IV betekent dat ook rov. 3.23 onder b) niet in stand kan blijven, hetgeen doorwerkt in het oordeel dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur nu het hof in rov. 3.23 onder f) oordeelt dat de oordelen onder a) t/m e) daartoe in onderling verband moeten worden beschouwd.
Subonderdeel V.3stelt dat het slagen van een of meer klachten in de onderdelen I t/m IV ook rov. 3.23 onder c) aantast, hetgeen doorwerkt in het oordeel dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur nu het hof in rov. 3.23 onder f) oordeelt dat de oordelen onder a) t/m e) daartoe in onderling verband moeten worden beschouwd.
Subonderdeel V.4stelt, samengevat, dat het hof ten aanzien van rov. 3.23 onder e) de stelling onbesproken laat dat de bestuurders erop hebben vertrouwd, en er ook van mochten uitgaan, dat het zorgkantoor zou overgaan tot verrekening en geen beslag zou leggen. [99]
Subonderdeel V.5stelt slechts dat het slagen van een of meer van de voorgaande klachten in dit onderdeel ook rov. 3.24 aantast.
Subonderdeel VI.1stelt dat het slagen van een of meer van klachten in de onderdelen I t/m V betekent dat het oordeel over kennelijk onbehoorlijk bestuur niet in stand kan blijven, de financiële toestand van Roebia BV voorafgaand aan het faillissement niet in causaal verband staat met enige aan de bestuurders te wijten gedraging en van een causaal verband met het faillissement geen sprake is of kan zijn.
Subonderdeel VI.2(het eerste) stelt, samengevat, dat het hof “hier” (ik begrijp: de bestreden oordelen in rov. 3.23 en 3.24) grief 7 [103] - inhoudelijk - onbehandeld laat, welke grief opkomt tegen het door de rechtbank aangenomen causaal verband en ongezond zijn van Roebia BV (rov. 3.42 van het vonnis). De bestuurders zouden (i) hebben aangevoerd dat het faillissement is veroorzaakt door het beslag van het zorgkantoor (terwijl zij was gehouden tot verrekening) en (ii) hebben bestreden dat Roebia BV ‘financieel ongezond’ zou zijn.
Subonderdeel VI.2(het tweede) stelt, samengevat, dat het causaal verband direct dient te worden ‘gelinkt’ aan de verwijten die aan het kennelijk onbehoorlijk bestuur ten grondslag worden gelegd, en wel in die zin dat daaruit de conclusie onvermijdelijk volgt dat bij het nalaten daarvan het faillissement niet zou hebben plaatsgevonden. Ook dat motiveert het hof niet blijkens rov. 3.23-3.24, “en zeker niet per verwijt in rov. 3.23 sub a t/m f”.
een belangrijke oorzaakis geweest van het faillissement. Overigens rusten stelplicht en bewijslast van de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden ingevolge art. 150 Rv Pro op de curator. [106]
Subonderdeel VI.3stelt, samengevat, dat de overweging in rov. 2.10 dat al vanaf 2013 tussen de stichting en Roebia BV enerzijds en het zorgkantoor en zijn rechtsvoorgangers anderzijds discussie is ontstaan over de omvang van de zorgproductie van Roebia BV en de daarvoor verschuldigde vergoedingen, onbegrijpelijk is. Onder verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken [111] stelt het subonderdeel (i) dat pas na de overname op 1 januari 2014, medio 2015 de vergoeding ter zake van de overproductie 2013 (“2023”) is afgewezen en dat de discussie pas op gang kwam na de overname op 1 januari 2014. De overweging zou ook onbegrijpelijk zijn (ii) in het licht van de overweging in rov. 3.16 dat de materiële controle pas eind 2014 (“214”) is gestart.
Subonderdeel VIII.1stelt, samengevat, dat uit “het slagen in de hoofdzaak” volgt dat dit ook rov. 3.29-3.32 en in het bijzonder rov. 3.32, eerste zin aantast.
Subonderdeel VIII.2is niet eenvoudig te volgen. [115] Zij stelt kennelijk, samengevat, dat de weergave in rov. 3.30 van het standpunt van de bestuurders in de vrijwaringszaak dat het faillissement zowel door het kennelijk onbehoorlijk bestuur als door de beslaglegging is veroorzaakt onjuist en onbegrijpelijk is, gelet op de dagvaarding in de vrijwaring. [116] Het verweer van de bestuurders is dat het faillissement een belangrijke andere oorzaak heeft, namelijk het door het zorgkantoor gelegde beslag.
Subonderdeel VIII.3stelt, samengevat, dat het oordeel in rov. 3.31 onjuist althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is. Dit oordeel splitst het subonderdeel op in ’s hofs overwegingen:
Klacht (i)mist doel.
Klacht (ii)treft evenmin doel.
Klacht (iii), ten slotte, boekt ook geen succes.
Subonderdeel VIII.4stelt dat het oordeel in rov. 3.32 onjuist en onbegrijpelijk is vanwege de volgende, ook in onderling verband te lezen, redenen die ik samenvat.
Klacht (i)mist doel.
Klacht (ii)treft evenmin doel.
Klacht (iii), ten slotte, loopt ook vast.