AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging en terugwijzing wegens ontbreken motivering onvoorwaardelijke gevangenisstraf
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een mondeling arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin de verdachte werd veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken wegens diefstal en wederrechtelijk binnendringen. De advocaat van de verdachte stelde één middel van cassatie voor, gericht op het ontbreken van een voldoende gemotiveerde strafoplegging in het mondeling arrest.
De procureur-generaal stelde vast dat de aantekening van het mondelinge arrest niet voldeed aan de eisen van artikel 359 lid 6 SvPro, omdat het hof niet in het bijzonder de redenen had gegeven die tot de keuze van de onvoorwaardelijke vrijheidsstraf hadden geleid. Hoewel het hof aangaf dat de straf in overeenstemming was met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder het was begaan, ontbrak een concrete motivering voor de strafduur en de keuze voor een onvoorwaardelijke straf.
Op grond van artikel 425 lid 3 SvPro en de Regeling aantekening mondeling vonnis is het vonnis nietig indien deze motivering ontbreekt. De conclusie van de procureur-generaal was dat het middel slaagt en dat de zaak moet worden vernietigd en terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling van de strafoplegging. Er werden geen andere gronden voor vernietiging gevonden.
Deze conclusie sluit aan bij eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad waarin vergelijkbare gevallen zijn beoordeeld. De zaak wordt daarmee terugverwezen voor een nieuwe, deugdelijke motivering van de strafoplegging.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe, deugdelijke motivering van de strafoplegging.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03752
Zitting4 november 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte
Het cassatieberoep
1. De verdachte is bij mondeling arrest van 8 oktober 2024 door de enkelvoudige (straf)kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens:
- ten aanzien van de zaak met parketnummer 08-195032-23, onder 1 “diefstal”en onder 2 “in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen”, en
- ten aanzien van de zaak met parketnummer 08-222132-23, “diefstal”
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken. Daarnaast heeft het hof, een niet voor dit cassatieberoep relevante, beslissing genomen over de schadevergoedingsvordering van de benadeelde partij, en over de vordering tenuitvoerlegging (08-085124-23).
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. V.P.J. Tuma, advocaat in Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Een nadere omschrijving van het middel
3. Het middel bevat onder meer de klacht dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot het opleggen van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De strafmotivering
4. Het hof heeft blijkens de ‘aantekening van het mondeling arrest’ dat op de voet van artikel 425 lid 3 SvPro is opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 8 oktober 2024 onder “Oplegging van straf”overwogen (met onderstreping mijnerzijds):
“De hierna na te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Het hof heeft bij zijn straftoemeting in het bijzonderhet volgendein aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.”
5. In deze aantekening van het mondelinge arrest zocht ik tevergeefs naar ‘het volgende’ dat het hof in aanmerking heeft genomen en naar de redenen voor de keuze van de onvoorwaardelijke vrijheidsstraf voor de duur van drie weken.
Het beoordelingskader
6. Krachtens artikel 425 lid 3 SvPro en artikel 3 vanPro de aldaar bedoelde Regeling aantekening mondeling vonnis [1] moet de aantekening van het mondelinge arrest in het proces-verbaal van de terechtzitting van de enkelvoudige kamer van het hof onder meer de navolgende gegevens bevatten:
“ opgelegde straf(fen) of maatregel(en) met vermelding van de bijzondere redenen die de straf(fen) hebben bepaald of tot de maatregel(en) hebben geleid. Verder in de voorkomende gevallen opgave van de strafmotiveringseisen, genoemd in art. 359, vierde, zesde, zevende en achtste lid, Sv;”
7. Artikel 359 SvPro luidt voor zover thans relevant:
“6. Bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsbeneming medebrengt, geeft het vonnis in het bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid. Het vonnis geeft voorts zoveel mogelijk de omstandigheden aan, waarop bij de vaststelling van de duur van de straf is gelet. (…).
7. (…).
8. Alles op straffe van nietigheid.”
De bespreking van het middel
8. Voor zover het middel de klacht bevat dat het hof de oplegging van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet heeft gemotiveerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 359 lid 6 SvPro, is het terecht voorgesteld. [2] , [3] De overige klachten van het middel behoeven daarom geen bespreking.
Slotsom
9. Het middel slaagt.
10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de betreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
1.Volledig: de Regeling aantekening mondeling vonnis door de politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996,
3.Een vergelijkbaar geval deed zich voor in de zaak die ten grondslag lag aan HR 17 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1733. Ook in die zaak had de enkelvoudige kamer van het hof ten aanzien van de strafoplegging in zijn mondelinge arrest volstaan met de volgende overweging: