ECLI:NL:PHR:2025:1246

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
24/04467
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg Bonus Pool-bepaling in Share Purchase Agreement met toepassing van de Haviltex-maatstaf

In deze zaak gaat het om de uitleg van de Bonus Pool-bepaling in een Share Purchase Agreement (SPA) tussen NEI Nieuw Energy Invest B.V. en verschillende verweersters, waaronder Holding B.V. en Fertilis Fectum B.V. De kern van het geschil betreft de vraag of de term 'omzet' in de Bonus Pool-bepaling verwijst naar de omzetbepaling van de verkochte vennootschap of naar de omzetbepaling van het concern waartoe de verkrijgende vennootschap behoort. Het hof heeft geoordeeld dat de juiste uitlegmaatstaf de Haviltex-maatstaf is, waarbij de taalkundige betekenis van de bepalingen in de context van de overeenkomst moet worden meegenomen. Het hof heeft vastgesteld dat partijen met de Bonus Pool-bepaling de bedoeling hadden om de betrokkenen te motiveren zich in te zetten voor de overgenomen onderneming, met het oog op het behalen van een zo hoog mogelijke omzet. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de omzet moest worden berekend volgens de CC-methode, maar het hof heeft dit oordeel vernietigd en geoordeeld dat de omzet moet worden berekend volgens de POC-methode, zoals gebruikelijk was bij de jaarrekening van de vennootschap. Dit oordeel is gebaseerd op de strekking van de Bonus Pool-bepaling en de verwachtingen die partijen redelijkerwijs van elkaar mochten hebben. Het hof heeft de klachten van NEI over de uitleg van de overeenkomst verworpen en het cassatieberoep afgewezen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/04467
Zitting14 november 2025
CONCLUSIE
M.H. Wissink
In de zaak
NEI Nieuw Energy Invest B.V. (hierna: NEI)
tegen
1. [verweerster 1] Holding B.V.
2. [verweerster 2] Holding B.V.
3. [verweerster 3] Holding B.V.
4. Fertilis Fectum B.V.
5. Potosi Holding
6. DQ Ventures B.V
7. [verweerder 7]
8. [verweerder 8]
(hierna: [verweerders] )
In geschil is of de term
turnover(omzet) in de Bonus Pool-bepaling in een
Share Purchase Agreementverwijst naar de wijze van omzetbepaling van de verkochte vennootschap (de
percentage of completion-methode) dan wel ook naar de wijze van omzetbepaling van het concern waartoe de verkrijgende vennootschap behoort (de
completed contract-methode) indien bepaalde omzet daar gerealiseerd zou gaan worden. Het hof heeft het eerste geoordeeld. In cassatie wordt geklaagd over de door het hof gehanteerde uitlegmaatstaf en over de motivering van diens uitlegoordeel. Ik meen dat deze klachten niet slagen. Het hof heeft de juiste uitlegmaatstaf (Haviltex) toegepast. Partijen hebben met kracht van argumenten hun uiteenlopende lezingen van Bonus Pool-bepaling bepleit. Het hof heeft in het licht van het partijdebat zijn uitlegoordeel naar mijn mening voldoende gemotiveerd.

1.Feiten

1.1
Voor zover in cassatie van belang kan van de volgende feiten worden uitgegaan. [1]
1.2
[A] Group B.V. (hierna: [A] ) is een in Nederland gevestigde onderneming op het gebied van ontwikkeling en bouw van windturbines. Verweerders in cassatie een t/m zes waren aandeelhouders in [A] . De natuurlijke personen achter deze vennootschappen zijn oprichters en/of (voormalig) bestuurders van [A] . Verweerders zeven en acht behoorden tot het senior management van [A] .
1.3
EnerCon GmbH (hierna: Enercon) is een in Duitsland gevestigde onderneming.
1.4
Vanaf begin 2017 hebben tussen [A] en haar aandeelhouders enerzijds en Enercon anderzijds meerdere gesprekken plaatsgevonden die hebben geleid tot de hierna te noemen overname.
1.5
Een brief van Enercon aan [A] van 8 september 2017 luidt – voor zover hier relevant – als volgt:
“1.3 In order to make the acquisition of [A] by ENERCON the most beneficial to both ENERCON and [A] , it is the intention: (..)
b. to sell the [A] turbines through the ENERCON network while keeping, at least for the mid-term, the [A] name (Skoda or BMW/Bugatti positioning); (..)
It is ENERCON’s intention that after the Transaction, [A] will continue as an independent business unit with ENERCON with its own P&L, using its own brand name (at least for mid-term, so as to be able to offer different value propositions) while reporting to the undersigned. In the event that it is decided to continue using one brand only, it will be made clear that the DDPM [Direct Drive Permanent Magnet (Turbines), hierna: [A] Turbines, A-G] was initially developed by [A] . (..)”
1.6
Enercon heeft op 28 december 2017 NEI opgericht. Bij
Share Purchase Agreementvan 1 januari 2018 (hierna: de SPA) heeft Enercon (‘
the Guarantor’), via NEI (‘
the Purchaser’), alle aandelen in [A] (‘
the Company’) gekocht van de aandeelhouders (hierna: de Overname). De SPA luidt – voor zover hier relevant – als volgt:

BACKGROUND(..)
(F) At the time of execution of this Agreement, the Company directly holds equity interests in the entities Listed in Schedule 2 (..) (such entities, together with the Company, collectively, theGroup Companies(..)). (..)
(J) The Guarantor is an Affiliate of the Purchaser (..); (..)

4.RETENTION BONUS AND BONUS POOL

4.1
Parties have agreed that as part of the Transaction, the Purchaser shall procure that
(a) (..) EUR 5,500,000 (..) shall be paid by the Company to directors, senior management and employees of the Group Companies as a retention bonus over a period of three (..) years (..) (theRetention Bonus); and
(b) the Company shall make available a bonus pool to directors of the Group Companies (including the founders) equal to 0.5% of the turnover of the [A] /Direct Drive Permanent Magnet turbines of the Purchaser and its Affiliates (including the Group Companies) over a period of four (4) years, starting at the Closing Date (theBonus Pool), provided that the aggregate amount of the Bonus Pool shall not exceed an amount of EUR 3,000,000 (..).
1.7
Artikel 4.1 sub b wordt hierna ook ‘de Bonus Pool-bepaling’ genoemd.
1.8
Zowel vóór als na de Overname hanteerde [A] in haar jaarrekening wat betreft de realisatie van omzet op basis van de
Dutch Generally Accepted Accounting Principles(de Dutch GAAP) de zogenoemde
percentage of completion-methode (hierna: de POC-methode). De Dutch GAAP is het stelsel van verslaggevings- en accountingprincipes dat van toepassing is in Nederland. Bij de POC-methode wordt omzet als gerealiseerd aangemerkt naar rato van de voortgang van het project.
1.9
Vanaf 2019 is de verkoop van de [A] Turbines vanuit [A] overgeheveld naar Enercon, waardoor de daarmee gemoeide omzet vanaf dat moment is gerealiseerd door Enercon.
1.1
Enercon hanteert de German GAAP. Binnen de German GAAP wordt wat betreft de realisatie van omzet de
completed contract-methode (hierna: de CC-methode) toegepast. Bij deze methode wordt de volledige omzet pas als gerealiseerd erkend na afronding van het project.

2.Procesverloop

2.1
[verweerders] hebben in eerste aanleg, voor zover in cassatie nog van belang, onder meer gevorderd te verklaren voor recht dat in het kader van de Bonus Pool-bepaling zoals vastgelegd in artikel 4.1 sub b van de SPA, de omzet (
turnover of the [A] /Direct Drive Permanent Magnet Turbines) moet worden gecalculeerd op basis van de POC-methode, op de wijze zoals dat is gegaan in de jaren vóór 2018 en zoals toegelicht in de jaarrekeningen 2015 tot en met 2017, ongeacht of deze omzet is gerealiseerd door [A] zelf of door NEI c.q. aan NEI gelieerde vennootschappen.
2.2
De rechtbank heeft bij vonnis van 13 juli 2022 de vorderingen van [verweerders] afgewezen. Voor de wijze waarop de omzet in het kader van de Bonus Pool-bepaling moet worden berekend heeft de rechtbank onder meer overwogen dat partijen het erover eens zijn dat in het enkele woord omzet besloten ligt dat het gaat om omzet zoals die ook moet worden berekend ten behoeve van een jaarrekening, en dat daar in ieder geval bij aangesloten moet worden (rov. 4.5). Voor de door Enercon behaalde omzet diende volgens de rechtbank aangesloten te worden bij de omzet zoals berekend en vastgesteld in de jaarrekening van Enercon, derhalve volgens de CC-methode (rov. 4.9-4.10).
2.3.1
In het door [verweerders] ingestelde hoger beroep heeft het hof Amsterdam bij arrest van 10 september 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2567, het vonnis van de rechtbank vernietigd. Het hof heeft voor recht verklaard dat in het kader van de Bonus Pool-bepaling zoals vastgelegd in artikel 4.1 sub b van de SPA, de omzet (
turnover of the [A] Direct Drive Permanent Magnet turbines)moet worden berekend op basis van de POC-methode, op de wijze zoals dat is gedaan in de jaren vóór 2018 en zoals toegelicht in de jaarrekeningen 2015 tot en met 2017, ongeacht of deze omzet is gerealiseerd door [A] zelf of door NEI c.q. aan NEI gelieerde vennootschappen. Het hof heeft NEI in de kosten van het geding in beide instanties veroordeeld.
2.3.2
Daartoe heeft het hof, na een weergave van de standpunten van partijen (rov. 5.3-5.4), vooropgesteld dat in een geschil als het onderhavige de overeenkomst tussen partijen moet worden uitgelegd volgens de Haviltex-maatstaf en dat dit betekent dat het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de Bonus Pool-bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (rov. 5.5).
2.3.3
Het hof heeft overwogen dat [verweerders] terecht heeft aangevoerd dat tussen partijen niet vaststaat dat in het enkele woord ‘omzet’ besloten ligt dat het gaat om omzet zoals die ook moet worden berekend ten behoeve van de jaarrekening en dat daar in ieder geval bij aangesloten moet worden voor de berekening van de omzet in het kader van de Bonus Pool-bepaling (rov. 5.6).
2.3.4
Volgens het hof is de kennelijke strekking van de Bonus Pool-bepaling de in deze bepaling genoemde personen te motiveren om zich, in elk geval in de periode van vier jaar na de Overname, optimaal te blijven inzetten voor de overgenomen onderneming met het oog op het behalen van een zo hoog mogelijke omzet (rov. 5.7). Vervolgens heeft het hof overwogen:
“5.8. Uit hetgeen partijen ter zitting hebben verklaard, blijkt dat de verkoop en levering van windturbines projecten zijn die in de regel een aantal jaar lopen. Uit de verklaringen van [verweerders] ter zitting in eerste aanleg en hoger beroep volgt een gemiddelde looptijd van circa anderhalf tot twee jaar, waarbij het bij grotere projecten zelfs vier jaar kan duren voordat een project wordt afgerond. Dit heeft NEI niet weersproken, zodat dit vaststaat. Ter zitting in hoger beroep is verder duidelijk geworden dat Enercon door klanten over het algemeen gefaseerd wordt betaald voor de levering van windturbines.
Als de omzet zou worden berekend met de CC-methode dan worden inkomsten erkend als omzet op het moment dat een project is voltooid. Bij de verkoop van een complete windturbine vindt de definitieve voltooiing plaats wanneer de bouw van een windturbine is afgerond, een certificaat van overname van rechten en verplichtingen is afgegeven en deze door de koper wordt aanvaard. Dit betekent dat als de CC-methode wordt gehanteerd voor de berekening van de voor de Bonus Pool-bepaling relevante omzet
,de omzet van een groot project – met een doorlooptijd van circa vier jaar – vrijwel meteen buiten de relevante periode van vier jaar valt. Bij projecten met een gemiddelde looptijd van circa twee jaar geldt dat de stimulans die uitgaat van de Bonus Pool-bepaling wegvalt als die later dan twee jaar na het sluiten van de SPA worden gestart. Die projecten leveren bij toepassing van de CC-methode immers pas na het einde van de Bonus Pool-periode van vier jaar omzet op en zouden daarmee niet meetellen voor de Bonus Pool. Bij berekening van de voor de Bonus Pool-bepaling relevante omzet met de POC-methode tellen alle projecten voor de gehele Bonus Pool-periode van vier jaar ten minste voor een deel mee omdat de omzet als gerealiseerd wordt aangemerkt naar rato van de voortgang van een project. En dus gaat bij hantering van de POC-methode ook na bijvoorbeeld drie jaar nog een stimulerende werking uit van de Bonus Pool-bepaling.”
Volgens het hof volgt hieruit dat de toepassing van de POC-methode voor het bepalen van de omvang van de Bonus Pool aansluit bij de strekking van de Bonus Pool-bepaling, terwijl de CC-methode zich met die strekking niet goed verdraagt (rov. 5.9).
2.3.5
Het hof heeft voorts een verband gelegd tussen dat de in de brief van Enercon van 8 september 2017 bedoelde middellange termijn waarin [A] zelfstandig met de verkoop zou doorgaan en de periode waarop de bonusbepaling ziet:
“5.10. (…) In deze brief staat onder meer: “It is ENERCON’s intention that after the Transaction, [A] will continue as an independent business unit with ENERCON with its own P&L, using its own brand name (at least for mid-term, so as to be able to offer different value propositions) while reporting to the undersigned.” Hieruit volgt dat hoewel in de Bonus Pool-bepaling rekening werd gehouden met de mogelijkheid dat omzet naar Duitsland zou worden verplaatst, het de bedoeling was dat [A] voor de middellange termijn zelfstandig, met een eigen winst- en verliesrekening (‘P&L’), waarin de omzet dus met hantering van de POC-methode zou worden verwerkt, zou doorgaan met verkoop vanuit [A] in Nederland. Het is juist deze eerste periode na de Overname waarop de Bonus Pool-bepaling ziet.”
2.3.6
Onder verwijzing naar een door [verweerders] gehouden presentatie van 12 juni 2017 heeft het hof heeft geoordeeld dat voor Enercon/NEI duidelijk moet zijn geweest dat de door [verweerders] voorgestelde Bonus Pool-bepaling, en de daarin voorkomende parameters als het percentage en het maximum, was gebaseerd op omzet die was berekend volgens de POC-methode:
“5.11. Hoewel partijen erover twisten wie heeft voorgesteld een Bonus Pool-bepaling op te nemen in de SPA, is niet in geschil dat de tekst ervan is voorgesteld door [verweerders] Deze tekst is vrijwel ongewijzigd geaccepteerd door Enercon. Ter zitting in hoger beroep is namens NEI verklaard dat Enercon/NEI zich bij de totstandkoming van de SPA ten aanzien van de verwachting van de opbrengst van de [A] -projecten na de Overname (in belangrijke mate) baseerde op een presentatie die door [verweerders] is gehouden op 12 juni 2017 (productie 1 bij conclusie van antwoord). Op basis van wat door [verweerders] is beloofd in deze presentatie verwachtte Enercon/NEI dat na de Overname met de [A] -projecten een bepaalde omzet zou worden gehaald en op basis van die verwachting heeft Enercon/NEI de Bonus Pool acceptabel bevonden, zo heeft NEI ter zitting in hoger beroep toegelicht. Tussen partijen is niet in geschil dat deze presentatie door [verweerders] is opgesteld. Wat betreft de daarin opgenomen verwachte omzetcijfers van [A] ging het daarbij dus kennelijk om omzet die was berekend volgens de bij [A] gebruikelijke POC-methode. Niet is gebleken dat bij de totstandkoming van de Bonus Pool-bepaling tussen partijen, met betrekking tot de verwachte [A] -omzet, omzetgegevens op basis van de CC-methode of andere berekeningsmethodes zijn gedeeld. Dit betekent dat voor Enercon/NEI duidelijk moet zijn geweest dat de door [verweerders] voorgestelde Bonus Pool-bepaling, en de daarin voorkomende parameters als het percentage en het maximum, was gebaseerd op omzet die was berekend volgens de POC-methode. Omdat de Bonus Pool-bepaling ertoe strekt, kort gezegd, om [verweerders] te stimuleren zich optimaal te blijven inzetten voor de [A] -projecten en (de door hen voorgespiegelde) omzet te behalen waarop de voorgestelde Bonus Pool-bepaling was gebaseerd, behoorden partijen redelijkerwijs te begrijpen dat voor die stimulans irrelevante aspecten zoals de verwezenlijking van de mogelijkheid dat in de toekomst de omzet (deels) door een andere vennootschap zou worden gerealiseerd die onderworpen is aan andere boekhoudregels, voor de werking en berekening van de Bonus Pool niet zouden mogen uitmaken.”
2.3.7
Het hof heeft ook gewicht toegekend aan de omstandigheid dat NEI door een eenzijdige beslissing om de verkoop van de [A] Turbines over te hevelen naar Duitsland de waarde van de Bonus Pool-bepaling, als de CC-methode zou worden toegepast, significant kon laten dalen:
“5.12. In dit verband is ook relevant dat niet in geschil is dat na de Overname NEI de eenzijdige beslissing kon nemen om de verkoop van de [A] Turbines over te hevelen naar Duitsland. Dit betekent dat als de CC-methode zou worden toegepast op de berekening van de omzet na deze overheveling, NEI door een eenzijdige beslissing de waarde van de Bonus Pool-bepaling significant kon laten dalen. Gelet op de verstrekkende gevolgen daarvan voor de omvang van de Bonus Pool, hoefde [verweerders] een dergelijke uitleg in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet te verwachten.”
2.3.8
Het hof heeft het beroep van NEI op de praktische bezwaren tegen het achteraf alsnog toepassen van de POC-methode verworpen:
“5.13. Ten slotte heeft NEI ter zitting in hoger beroep gewezen op praktische bezwaren tegen het achteraf alsnog toepassen van de POC-methode. Dergelijke bezwaren kunnen echter geen invloed hebben gehad op hetgeen partijen bij het aangaan van de SPA over en weer redelijkerwijs hebben mogen verwachten.”
2.3.9
In het licht van zijn voorgaande overwegingen concludeert het hof dat partijen de Bonus Pool-bepaling redelijkerwijs zo behoorden te begrijpen dat de daarin bedoelde omzet (‘turnover’) wordt berekend met de POC-methode, ongeacht of deze omzet wordt gerealiseerd door [A] zelf of door NEI c.q. aan NEI gelieerde vennootschappen (rov. 5.14)
2.4
Bij arrest op de voet van art. 31 Rv van 6 december 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3404, heeft het hof Amsterdam zijn arrest van 10 september 2024 verbeterd. Dit betrof de schrijfwijze van de namen van twee appellanten.
2.5
NEI heeft bij procesinleiding van 9 december 2024 tijdig beroep in cassatie ingesteld. [verweerders] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep en hun standpunt schriftelijk toegelicht. NEI heeft daarop gerepliceerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel bevat drie onderdelen.
Onderdeel 1betreft de toepasselijke uitlegmaatstaf,
onderdeel 2ziet op de uitleg door het hof van de Bonus Pool-bepaling en
onderdeel 3betreft een voortbouwklacht.
Juridisch kader
3.2
Hoewel naar de rechtspraak van de Hoge Raad bij de uitleg van een schriftelijke overeenkomst telkens van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, [2] komt het in de rechtspraktijk aan op toepassing van een meer concrete maatstaf voor de uitleg. Als uitgangspunt geldt de Haviltexmaatstaf. In bepaalde gevallen geldt een (meer) objectieve uitlegmaatstaf, zoals de CAO-norm. [3]
3.3 ‘
Gewone’ schriftelijke overeenkomsten, zoals die in de onderhavige zaak, moeten worden uitgelegd aan de hand van de Haviltexmaatstaf. Bij deze maatstaf komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. [4] De rechter dient hierbij rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het geval.
De uitleg van een schriftelijk contract dient dus niet plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het is gesteld. De Hoge Raad heeft wel overwogen dat de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift in praktisch opzicht vaak wel van groot belang is. [5]
3.4
De toepassing van de Haviltexmaatstaf is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Er is in de literatuur discussie geweest over de vraag of dit uitgangspunt meebrengt dat in bepaalde omstandigheden – kort gezegd: een commerciële overeenkomst die is gesloten tussen professionele partijen en waarover met bijstand van juridisch deskundigen is onderhandeld – de taalkundige betekenis van de bewoordingen van de overeenkomst in beginsel beslissend is. [6]
3.5
Hoewel voor deze gedachte wel aanknopingspunten zouden kunnen worden gevonden in met name de arresten
Meyer Europe/Pontmeijeren
[…] / […], [7] blijkt uit de rechtspraak van de Hoge Raad dat ook in deze omstandigheden de gewone Haviltexmaatstaf geldt en niet een meer toegespitste uitlegregel. Zo overwoog de Hoge Raad in het arrest
Lundiform/Mexx: [8]
“3.4.3 (…) Ook indien bij de uitleg van een overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, kunnen de overige omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.”
3.6
Binnen de Haviltexmaatstaf laat de Hoge Raad de rechter de vrijheid om als uitgangspunt groot gewicht toe te kennen aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de omstreden woorden van de overeenkomst. Zo overwoog hij in
Lundiform/Mexx:
“3.4.4 (…) De (…) vrijheid om als uitgangspunt groot gewicht toe te kennen aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de omstreden woorden van de overeenkomst, stelt de rechter in staat om, vooralsnog zonder een inhoudelijke beoordeling van de stellingen van partijen, te komen tot een voorshands gegeven oordeel aangaande de uitleg van de overeenkomst. Vervolgens zal de rechter evenwel dienen te beoordelen of de partij die een andere uitleg van de overeenkomst verdedigt, voldoende heeft gesteld om tot bewijs dan wel tegenbewijs te worden toegelaten. Indien dit laatste het geval is, is de rechter gehouden deze partij in de gelegenheid te stellen dit (tegen)bewijs te leveren (…).”
Het betreft een voorshands gegeven oordeel, omdat volgens de toepasselijke Haviltexmaatstaf uiteindelijk alle omstandigheden van het geval een rol spelen bij de uitleg.
3.7
Dat de rechter de bedoelde ‘vrijheid’ heeft, betekent enerzijds dat hij niet verplicht is om een in beginsel taalkundige uitleg te hanteren of een op de tekst van de overeenkomst gebaseerd voorlopig uitlegoordeel te geven, ook niet in geval van een met bijstand van juridische deskundigen onderhandeld commercieel contract. Het betekent anderzijds, zo blijkt uit het arrest
Valerbosch, [9] dat de bedoelde vrijheid niet is beperkt tot dit geval:
“3.2.3 (…) De rechter die een overeenkomst moet uitleggen kan daarbij tot het voorlopige oordeel komen dat een daarin voorkomende bepaling moet worden uitgelegd overeenkomstig de taalkundige betekenis daarvan. Anders dan het onderdeel aanvoert, is voor het mogen geven van zodanig voorlopig oordeel niet vereist dat partijen over de tekst van de bepaling hebben onderhandeld of bij de onderhandelingen zijn bijgestaan door (juridisch) deskundigen. Evenmin is vereist dat de overeenkomst is gesloten tussen professionele partijen of dat de aard van de transactie of de omvang en gedetailleerdheid van de overeenkomst aanleiding geven tot zodanig voorlopig oordeel. Het is aan de rechter om te beoordelen welk gewicht daarbij moet worden gehecht aan het al dan niet aanwezig zijn van deze omstandigheden, mede gelet op eventuele overige, op dat moment gebleken omstandigheden van het geval.”
3.8
Dat sprake is van een commercieel contract waarover met bijstand van juridische deskundigen is onderhandeld, kán de rechter dus aanleiding geven om aan de taalkundige betekenis van de bewoordingen groot gewicht toe te kennen, maar dat hoeft niet het geval te zijn. [10] Deze omstandigheden kunnen er immers op wijzen dat het contract (of de betrokken bepaling daarvan) is bedoeld als een nauwkeurige vastlegging van de tussen partijen in (min of meer uitvoerige) onderhandelingen bereikte overeenstemming omtrent hun wederzijdse rechten en verplichtingen, waarbij de genoten juridische bijstand de deugdelijkheid van die vastlegging bevorderde. Maar dat hoeft niet het geval te zijn. Zo wijst Hendrikx erop dat ook indien sprake is van een met bijstand van juridisch deskundigen onderhandeld commercieel contract over bepaalde bedingen minder uitvoerig kan zijn gesproken en nagedacht, bijvoorbeeld omdat er haast was geboden, partijen een standaardbepaling hebben gebruikt zonder daarover met elkaar te spreken of partijen simpelweg van het beste uit gingen en op dat moment het probleem niet onderkend hebben. [11] Het is aan de rechter om te beoordelen of er, in het licht van alle omstandigheden van de concrete geval, aanleiding is voor een ‘voorshands taalkundige’-uitleg.
3.9
De uitleg van een overeenkomst is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Diens uitlegoordeel is in cassatie beperkt toetsbaar. [12] Onderzocht kan worden, kort gezegd, of de rechter is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de te hanteren uitlegmaatstaf en of diens oordeel voldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd in het licht van het partijdebat.
3.1
Ik bespreek hierna de klachten van het middel in het licht van het zojuist geschetste juridisch kader.
Onderdeel 1: de toepasselijke uitlegmaatstaf
3.11
Het onderdeel richt klachten tegen rov. 5.5 en rov. 5.14. In de
eerste plaatsklaagt het onderdeel (in
nr. 16) dat het hof in rov. 5.5 heeft miskend dat voor het antwoord op de vraag welke zin partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs mochten toekennen aan de Bonus Pool-bepaling en wat zij te dien aanzien rederwijze van elkaar mochten verwachten als uitgangspunt beslissend gewicht dient te worden toegekend aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de Bonus Pool-bepaling, gelezen in het licht van de overige, voor de uitleg relevante bepalingen van de SPA. De door partijen gesloten SPA is immers een overeenkomst gesloten door twee professioneel opererende partijen, ieder bijgestaan door een team van ter zake kundige advocaten, waarover is onderhandeld, aldus de klacht.
In de
tweede plaatsklaagt het onderdeel (in
nr. 17) , onder verwijzing naar de in deze klacht genoemde omstandigheden, dat het hof bij de uitleg van de Bonus Pool-bepaling ten onrechte beslissend gewicht heeft toegekend aan omstandigheden die losstaan van de meest voor de hand liggende betekenis van de tekst van deze bepaling, zulks in strijd met de regel dat in een geval als het onderhavige, waarin het gaat om de uitleg van een tussen twee professionele partijen gesloten en met juridische bijstand onderhandelde zakelijke overeenkomst (i.c. de SPA), in beginsel beslissend gewicht toegekend moet worden aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis, gelezen in het licht van de overige, voor de uitleg relevante bepalingen van de SPA.
In de
derde plaatsklaagt het onderdeel (in
nr. 18) dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de Bonus Pool-bepaling, althans dat het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd. Het hof heeft immers niet gemotiveerd waarom het beslissend gewicht heeft toegekend aan omstandigheden anders dan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de Bonus Pool-bepaling, aldus de klacht. Evenmin heeft het hof gemotiveerd waarom de omstandigheden die het hof aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, meebrengen dat de Bonus Pool-bepaling anders moet worden uitgelegd dan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis ervan, en waarom zij nopen tot afwijking van de regel dat de Bonus Pool-bepaling in de gegeven omstandigheden in beginsel overeenkomstig de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis moet worden uitgelegd.
In de
vierde plaatsklaagt het onderdeel (in
nrs. 19 en 20) dat voor zover het hof de in randnummer6 genoemde maatstaf niet heeft miskend, het oordeel van het hof onjuist, althans onvoldoende en/of onbegrijpelijk gemotiveerd is. De klacht betoogt, samengevat, dat de stellingen van NEI geen andere conclusie toelaten dan dat de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de Bonus Pool-bepaling inhoudt dat ‘turnover’ in het kader van de bepaling dient te worden vastgesteld op basis van de voor de betreffende onderneming toepasselijke accountingstandaarden.
3.12
Deze klachten lezen zich voor gezamenlijke bespreking. Zij veronderstellen dat sprake is van een regel dat (de Haviltex-maatstaf meebrengt dat) [13] in een geval als het onderhavige bij de uitleg in beginsel beslissend gewicht toegekend moet worden aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de Bonus Pool-bepaling, gelezen in het licht van de overige, voor de uitleg relevante bepalingen van de SPA. De klachten veronderstellen voorts dat de rechter gehouden is te motiveren waarom hij geen toepassing geeft aan deze regel dan wel beslissend gewicht heeft toegekend aan andere omstandigheden dat de bedoelde taalkundige betekenis.
De klachten berusten op een onjuiste rechtsopvatting. Zoals hierboven uiteengezet, kent het Nederlandse recht niet de in het onderdeel bedoelde een specifieke uitlegregel voor gevallen als het onderhavige. [14] Nu een dergelijke regel niet bestaat, is er ook geen grond om te vereisen dat de rechter zou moeten motiveren waarom hij niet in beginsel beslissend gewicht heeft toegekend aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van een uit te leggen bepaling in een schriftelijke overeenkomst. De klachten in de
nrs. 16-20dienen daarom te falen.
3.13
In de
vijfde plaatsklaagt het onderdeel (in
nr. 21) dat het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd, nu het hof niet, althans niet kenbaar, voldoende heeft gerespondeerd op de in
nr. 19van het onderdeel bedoelde stellingen van NEI, die, indien juist bevonden, tot het oordeel hadden kunnen leiden dat het begrip omzet in de Bonus Pool-bepaling wordt berekend per relevante entiteit op basis van de door die entiteit gehanteerde accountingsmethode.
3.14
De bedoelde stellingen van NEI houden, samengevat, het volgende in.
(i) Partijen hebben met het opstellen van en de bewoordingen uit de Bonus Pool-bepaling expliciet rekening gehouden met het feit dat omzet ook door andere entiteiten dan [A] -entiteiten zou kunnen worden gerealiseerd.
(ii) De tekst van de Bonus Pool-bepaling ziet volgens de letterlijke bewoordingen daarvan op de omzet van meerdere entiteiten.
(iii) In de Bonus Pool-bepaling is niet opgenomen dat omzet behaald binnen andere entiteiten dan [A] -entiteiten moet worden berekend op basis van de POC-methode die [A] hanteert. Als het de bedoeling was geweest om een afspraak te maken die afwijkt van de wettelijke verplichting voor ENERCON, dan had deze afwijkende rekenmethodiek expliciet opgenomen moeten worden in de Bonus Pool-bepaling. De meest voor de hand liggende uitleg is dan ook dat de omzet wordt berekend per relevante entiteit op basis van de door die entiteit gehanteerde accountingsmethode.
(iv) Partijen hebben een van de reguliere praktijk afwijkende berekeningsmethode niet opgenomen in de Bonus Pool-bepaling, noch op welke wijze en aan de hand van welke data partijen hier uitvoering aan zouden geven. De door [verweerders] voorgestane afwijkende wijze van berekenen van omzet volgt niet uit de tekst van de Bonus Pool-bepaling, noch uit hetgeen partijen hierover hebben besproken en staat haaks op de uitgangspunten van de Bonus Pool-bepaling. Partijen zijn immers nimmer overeengekomen dat omzet bedoeld voor de Bonus Pool moet worden toegerekend aan [A] en evenmin dat omzet van ENERCON moet worden berekend op dezelfde wijze als de omzet voor [A] wordt berekend. Ook volgens [verweerders] zelf volgt hun standpunt niet uit de tekst van de SPA, maar uit hun interpretatie en/of gewenste uitleg van de Bonus Pool-bepaling.
3.15
Uit de overwegingen van het hof volgt dat het hof de tekst van de overeenkomst in aanmerking heeft genomen. Zo merkt het hof in rov. 5.10 op dat in de Bonus Pool-bepaling rekening werd gehouden met de mogelijkheid dat omzet naar Duitsland zou worden verplaatst. Het hof heeft aan de tekst echter geen beslissend gewicht toegekend. Het hof heeft, kort samengevat, voor de uitleg de volgende omstandigheden relevant geacht: (i) de kennelijke strekking van de bepaling (rov. 5.6-5.9), (ii) de intentie van Enercon dat [A] na de Overname op de middellange termijn zelfstandig zou blijven in verband met de periode waarop de bonusbepaling ziet (rov. 5.10), de totstandkoming van de bepaling (rov. 5.11) en de verstrekkende gevolgen voor [verweerders] als de CC-methode zou worden toegepast (rov. 5.12).
3.16
Voor zover de stellingen waarop het hof volgens het middel had moeten responderen, zien op de vraag wat de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de Bonus Pool-bepaling is, behoefde het hof er niet afzonderlijk op in te gaan. Het hof was immers niet gehouden om zich hierover een afzonderlijk oordeel te vormen, maar kon in het licht van de Haviltex-maatstaf volstaan met het geven van een uitleg aan de Bonus Pool-bepaling aan de hand van de relevante omstandigheden van het geval.
3.17.1
Voor zover de stellingen waarop het hof volgens het middel had moeten responderen, los staan van de vraag naar de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis, geldt het volgende. De feitenrechter behoeft niet op alle stellingen van partijen te responderen, maar mag zich, kort gezegd, beperken tot de stellingen die bij honorering tot een andere beslissing kunnen leiden (essentiële stellingen). [15] Naar mijn mening heeft het hof, voor zover vereist, voldoende kenbaar gereageerd op de in de klacht bedoelde stellingen.
3.17.2
Het hof heeft onderkend dat de bonusbepaling ziet op meer entiteiten en dat daarin geen voorziening is getroffen voor de wijze van bepaling van de omzet van deze entiteiten (vgl. de hiervoor in 3.14 onder (i), (ii) en (iii) genoemde stellingen van NEI). Het behoefde dit niet uitdrukkelijk te benoemen. Het hof heeft in dit licht de in rov. 5.6 e.v. bedoelde omstandigheden betrokken in zijn uitleg van de bonusbepaling. Daarbij is het hof ook ingegaan op de wijze van bepaling van de omzet van de entiteiten aan de zijde van Enercon (zie rov. 5.9 en 5.12).
3.17.3
Het hof heeft aan de tekst van de bonusbepaling en aan het in de bonusbepaling ontbreken van afspraken over de bepaling van de omzet, anders dan NEI heeft bepleit (vgl. de hiervoor in 3.14 onder (iii) en (iv) genoemde stellingen van NEI), niet de gevolgtrekking verbonden dat de wijze van bepaling van de omzet zou afhangen van de betreffende entiteit.
Het hof heeft overwogen dat tussen partijen niet vaststaat dat in het woord omzet besloten ligt dat moet worden aangesloten bij de jaarrekening (rov. 5.6). Het hof maakt daarmee duidelijk dat het dus ook
nietuitgaat van de (veronder)stelling die ten grondslag ligt aan de argumentatie van NEI, namelijk dat de bonusbepaling uitdrukkelijk zou hebben moeten voorzien in een voor de Enercon-entiteiten ‘afwijkende’ wijze om de omzet te bepalen. (Op deze (veronder)stelling van NEI bouwt voort de stellingen van NEI dat partijen nimmer zijn overeengekomen dat omzet bedoeld voor de Bonus Pool moet worden toegerekend aan [A] en evenmin dat omzet van ENERCON moet worden berekend op dezelfde wijze als de omzet voor [A] wordt berekend.)
Hoe de Bonus Pool-bepaling in dit opzicht moet worden uitgelegd, was voor het hof dus een open vraag - en niet een vraag die moest worden beantwoorden op basis van de (veronder)stelling dat de Bonus Pool-bepaling uitdrukkelijk zou hebben moeten voorzien in een voor de Enercon-entiteiten ‘afwijkende’ wijze om de omzet te bepalen.
Het hof heeft vervolgens de bonusbepaling uitgelegd aan de hand van de in rov. 5.6 e.v. bedoelde omstandigheden. Hierin ligt naar mijn mening voldoende duidelijke besloten dat en waarom het hof niet het standpunt van NEI heeft gevolgd.
3.18
De klacht in
nr. 21faalt daarmee.
3.19
De slotsom is dat
onderdeel 1niet slaagt.
Onderdeel 2: de motivering van het uitlegoordeel van het hof
3.2
Dit onderdeel is gericht tegen rov. 5.7-5.14 van het bestreden arrest en klaagt in de kern genomen dat het oordeel van het hof dat partijen de Bonus Pool-bepaling redelijkerwijs zo behoorden te begrijpen dat de daarin bedoelde omzet (‘
turnover’) wordt berekend met de POC-methode, ongeacht of deze omzet wordt gerealiseerd door [A] zelf of door NEI c.q. aan NEI gelieerde vennootschappen, onvoldoende gemotiveerd en/of onbegrijpelijk is. Het onderdeel valt uiteen in vier subonderdelen.
3.21
Subonderdeel 2.1richt in de
nrs. 25-27motiveringsklachten tegen oordelen in rov. 5.7-5.11.
3.22.1
Ten eerstestelt het subonderdeel (in
nr. 25) dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat het berust op een onjuiste lezing van de gedingstukken.
Volgens het subonderdeel is de Bonus Pool-bepaling in art. 4.1 sub b SPA niet bedoeld om de in deze bepaling genoemde personen te motiveren zich optimaal te blijven inzetten na de Overname. Het subonderdeel stelt dat de bepaling in art. 4.1 sub a SPA daartoe speciaal in het leven is geroepen en dat NEI in feitelijke instanties gemotiveerd heeft gesteld dat in laatstgenoemde bepaling een retentiebonus is overeengekomen om na de Overname het bestuur en management van [A] aan te houden.
[verweerders] hebben de Bonus Pool-bepaling van art. 4.1 sub b SPA, omdat zij wilden participeren in de verkopen van de [A] -windturbines voor zover deze via Enercon zouden gaan, ’s Hofs oordeel dat de kennelijke strekking van de Bonus Pool-bepaling is om de daarin genoemde personen te motiveren om zich na de Overname te blijven inzetten is dan ook onbegrijpelijk, aldus het subonderdeel.
3.22.2
In het verlengde van deze klacht klaagt het subonderdeel (in
nr. 27) dat het hof niet, althans niet kenbaar, heeft gerespondeerd op de door NEI aangevoerde, gemotiveerde stellingen die inhouden dat niet de Bonus Pool-bepaling, maar art. 4.1 sub a SPA bedoeld is als incentive voor de daarin genoemde personen om zich optimaal te blijven inzetten na de Overname. Volgens het subonderdeel hadden deze stellingen, indien juist bevonden, tot een ander oordeel kunnen leiden omtrent de strekking van de Bonus Pool-bepaling. NEI wijst op de volgende stellingen:
(i) Art. 4.1 sub a SPA is overeengekomen om na de Overname het bestuur en management aan te houden als bestuurders. Een bedrag van 5,5 miljoen euro als incentive zou door [A] aan de bestuurders, het senior management en de werknemers van [A] worden toegekend, over een periode van drie jaar vanaf 1 januari 2018.
(ii) Over art. 4.1 sub a SPA bestaat tussen partijen geen geschil.
(iii) Uit de Bonus Pool-bepaling volgt dat is afgesproken om samen te gaan werken, samen op te trekken en projecten gezamenlijk uit te voeren vanuit verschillende ondernemingen. Dat is ook de reden waarom de Bonus Pool-bepaling ziet op meerdere ondernemingen. [A] kon haar onderneming niet voor grote projecten exploiteren vanwege beperkte productie- en installatiemiddelen, daarom zouden ook [A] -windturbines via het Enercon-netwerk worden verkocht. Het was de bedoeling van partijen om bij het vaststellen van de omzet voor de Bonus Pool de omzet van meerdere ondernemingen te betrekken.
(iv) De Bonus Pool-bepaling is een omzetbonus. Deze is geïntroduceerd om te bewerkstelligen dat voor zover de verkopen van de [A] -windturbines via Enercon zouden gaan, [verweerders] daarin zouden participeren.
(v) NEI betwist uitdrukkelijk de niet-onderbouwde stellingen van [verweerders] dat de Bonus Pool-bepaling is opgenomen als incentive om de directie, het senior management en ook overigens het personeel aan [A] te binden, een en ander voor de continuïteit van de onderneming.
3.23
Deze klachten lezen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.24
[verweerders] hebben in appel betoogd dat art. 4.1 sub a SPA en 4.1 sub b SPA (de Bonus Pool-bepaling) zijn opgenomen als ‘incentive’ om de directie, het seniormanagement en het personeel aan [A] te binden, met het oog op de continuïteit van de onderneming. [16] [verweerders] hebben verder gesteld dat de Bonus Pool-bepaling is bedoeld als incentive voor het realiseren voor inkomsten. [17] Ter zitting heeft [betrokkene 1] , bestuurder van Petosi Holding B.V. en voorheen CFO van [A] gesteld:
‘(…) Als je een bedrijf koopt, koop je onderdelen en mensen achter die onderdelen. Het idee van deze paragraaf [art. 4.1 sub b SPA; plv.] was dat na deze transactie [de Overname; plv.] enthousiast zou worden meegewerkt aan het succes van Enercon.’ [18]
3.25
NEI heeft dit in appel betwist, zoals blijkt uit haar in de klachten aangehaalde stellingen.
3.26
Het hof heeft in rov. 5.7 overwogen dat de kennelijke strekking van de Bonus Pool-bepaling is de in de bepaling genoemde personen te motiveren om zich, in elk geval in de periode van vier jaar na de Overname, optimaal te blijven inzetten voor de overgenomen onderneming met het oog op het behalen van een zo mogelijke omzet.
3.27
Het oordeel van het hof omtrent de kennelijke strekking van de Bonus Pool-bepaling sluit dus meer aan bij de stellingen van [verweerders] – met name de stelling dat de Bonus Pool-bepaling is bedoeld als incentive voor het realiseren voor inkomsten − en niet bij die van NEI. In het licht van het partijdebat kan het oordeel niet onbegrijpelijk worden genoemd. Art. 4.1 sub b SPA (de Bonus Pool-bepaling) voorziet in een uit te keren bedrag dat afhankelijk is van de hoogte van de omzet (met een bepaald maximum). Het is niet onbegrijpelijk om daarin de door het hof genoemde strekking te lezen dat de bepaling beoogde de ontvangers van de bonus te motiveren zich in te zetten voor een zo hoog mogelijke omzet.
3.28.1
Het hof behoefde zijn oordeel mijns inziens niet te voorzien van nadere motivering, ook niet in het licht van de in het subonderdeel (in
nr. 27) bedoelde stellingen van NEI die hiervoor (in 3.22.2) zijn aangehaald.
3.28.2
De onder (i) en (ii) genoemde stellingen zijn geen essentiële stellingen. Ook wanneer het juist zou zijn dat art. 4.1 sub a SPA is overeengekomen met de bedoeling om het bestuur en management aan te houden als bestuurders, staat dat niet in de weg aan het oordeel van het hof dat art. 4.1 sub b SPA de kennelijke strekking heeft om de in die bepaling de genoemde personen te motiveren om zich optimaal te blijven inzetten voor de overgenomen onderneming.
3.28.3
Voor zover de onder (iii) genoemde stellingen verwijzen naar de tekst van de Bonus Pool-bepaling, die ziet op meerdere ondernemingen, verwijs ik naar hetgeen hiervoor (in 3.17.2) is opgemerkt. Voor het overige zijn deze stellingen niet onverenigbaar met de door het hof vastgestelde strekking van de bepaling. Dat, kort gezegd, de bedoeling was om samen te werken en de omzet van meerdere entiteiten te betrekken bij het vaststellen van de omzet voor de Bonus Pool, dwingt immers niet tot de conclusie dat de bepaling niet de strekking zou kunnen hebben die het hof daarin in rov. 5.7 heeft gelezen.
3.28.4
De onder (iv) genoemde stelling heeft betrekking op de bedoeling van partijen met betrekking tot de Bonus Pool-bepaling. Het hof heeft deze stelling blijkens rov. 5.7 niet gevolgd. Dat behoefde mijns inziens geen nadere motivering.
3.28.5
De onder (v) genoemde stelling van [verweerders] − dat de Bonus Pool-bepaling was bedoeld als incentive om de directie, het senior management en ook overigens het personeel aan [A] te binden, voor de continuïteit van de onderneming – is door het hof niet aan zijn oordeel ten grondslag gelegd, Reeds daarom behoefde het hof geen nadere aandacht te besteden aan de betwisting van die stelling door NEI.
3.29
De klachten in de
nrs. 25 en 27stuiten hierop af.
3.3
Ten tweedebetoogt het subonderdeel (in
nr. 26) dat onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 5.10 heeft geoordeeld dat uit de brief van Enercon van 8 september 2017 aan het bestuur van [A] volgt dat het de bedoeling was dat [A] voor de middellange termijn, de periode waarop de Bonus Pool-bepaling ziet volgens het hof, zelfstandig zou doorgaan met de verkoop vanuit [A] in Nederland, met een eigen winst- en verliesrekening waarin de omzet dus met hantering van de POC-methode zou worden verwerkt.
Uit deze brief blijkt dat het de intentie van Enercon was dat na de transactie de [A] -entiteiten verder gaan als een onafhankelijk bedrijfsonderdeel binnen Enercon met een eigen winst- en verliesrekening en rapporterend aan Enercon, maar niet dat Enercon niet óók voor de Bonus Pool-bepaling relevante omzet kon realiseren in die periode.
Uit de omstandigheden waarop NEI in feitelijke instanties heeft gewezen, blijkt dat de Bonus Pool-bepaling juist uitdrukkelijk ziet op de omzet van meerdere entiteiten.
In ieder geval blijkt niet uit de brief dat de omzet van andere entiteiten dan [A] -entiteiten wordt berekend met de POC-methode, ongeacht welke berekeningsmethode die entiteit hanteert.
3.31.1
Deze klachten dienen naar mijn mening te falen bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat zij berusten op een onjuiste lezing van de bestreden overweging.
Het hof heeft uit de brief van Enercon van 8 september 2017 afgeleid dat hoewel in de Bonus Pool-bepaling rekening werd gehouden met de mogelijkheid dat omzet naar Duitsland zou worden verplaatst, het de bedoeling was dat [A] voor de middellange termijn zelfstandig, met eigen winst- en verliesrekening (P&L) zou doorgaan met verkoop vanuit [A] in Nederland.
Het hof heeft daarbij overwogen dat (i) in de winst- en verliesrekening van [A] de omzet met hantering van de POC-methode zou worden verwerkt en (ii) dat de Bonus Pool-bepaling juist op deze eerste periode ziet.
3.31.2
Anders dan het subonderdeel veronderstelt, heeft het hof in rov. 5.10 niet overwogen dat Enercon niet óók voor de Bonus Pool-bepaling relevante omzet kon realiseren in die (eerste) periode. Het hof spreekt immers van een
bedoeling(in de brief:
‘intention’) die volgens de brief geldt “
at least for the midterm’ en verbindt daaraan conclusies ten aanzien van de periode waarop de Bonus Pool-bepaling ziet en de wijze van berekening van de omzet in die periode.
3.31.3
Anders dan het subonderdeel veronderstelt, heeft het hof in rov. 5.10 niet overwogen dat uit de brief blijkt dat de omzet van andere entiteiten dan [A] -entiteiten wordt berekend met de POC-methode, ongeacht welke berekeningsmethode die entiteit hanteert. Het hof heeft slechts overwogen dat de bedoeling was dat [A] in de bedoelde periode zelfstandig zou blijven met een eigen winst- en verliesrekening en dat daarin de omzet met hantering van de POC-methode zou worden verwerkt.
3.31.4
Anders dan het subonderdeel veronderstelt, heeft het hof in rov. 5.10 niet miskend dat de Bonus Pool-bepaling uitdrukkelijk ziet op de omzet van meerdere entiteiten. Zie hiervoor (in 3.17.2) bij de bespreking van
onderdeel 1.
3.32
De slotsom luidt dat
subonderdeel 2.1niet slaagt.
3.33
Subonderdeel 2.2richt motiveringsklachten tegen rov. 5.11
3.34.1
Het subonderdeel klaagt
ten eerste(in
nr. 29) dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is, omdat het berust op een onbegrijpelijke uitleg van de gedingstukken. De presentatie ziet, kort gezegd, niet (kenbaar) op turnover in de zin van de Bonus Pool-bepaling en daaruit ook niet blijkt dat cijfers daarin zijn berekend met de POC-methode.
3.34.2
Ten tweedeklaagt het subonderdeel (in
nr. 30) dat het oordeel van het hof dat het voor Enercon/NEI duidelijk moet zijn geweest dat de door [verweerders] voorgestelde Bonus Pool-bepaling was gebaseerd op omzet die was berekend volgens de POC-methode in strijd is met art. 24 Rv en/of 149 Rv. Volgens het subonderdeel is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden omdat NEI noch [verweerders] hebben gesteld dat het in de presentatie gaat om
turnoverdie is berekend op basis van de POC-methode.
3.35
Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.36.1
In de eerste plaats merk ik op dat het hof kon oordelen dat NEI haar verwachtingen voor de te behalen omzet heeft gebaseerd op de cijfers genoemd in de presentatie van [verweerders]
3.36.2
Uit rov. 5.11 blijkt dat het hof zijn oordeel (mede) heeft gebaseerd op hetgeen ter zitting is verklaard door NEI. [19] Uit het proces-verbaal van mondelinge behandeling op 27 maart 2024, p. 7-8, volgt dat partijen over de verwachte omzet van 600 miljoen euro, op basis waarvan in de Bonus Pool-bepaling een maximumbonus van 3 miljoen (=0,5% van 600 miljoen) is opgenomen, het volgende hebben verklaard:
‘[Raadsheer]: wat was de verwachte omzet door Enercon?
[betrokkene 2] [CEO van NEI; plv.]: Minstens dat bedrag aan omzet.
[Raadsheer]: Spreken we dan van 600 miljoen in vier jaar?
[betrokkene 2] bevestigt.
[Raadsheer]: Waar baseerde u die verwachting van 600 miljoen op?
[betrokkene 2] : Er werd ons gezegd dat bij bepaalde projecten, voornamelijk in Nederland, die omzet zou worden bereikt. Samen zouden we succesvol zijn, maar er zijn bepaalde projecten nooit gekomen.
[Raadsheer]: Van de [verweerster 2] -projecten? Kunnen wij ook ergens zien dat dit zo is voorgespiegeld?
[betrokkene 2] : Productie 1 bij de conclusie van antwoord, p. 13-14, p. 21-23. U kunt dan zien wat er is beloofd en niet nagekomen.
[Raadsheer]: Het was vanaf 2018 en dan vier jaar, correct. En dan zien we Easterly en Breeze zou erbij komen: verwachte omzet, 2018 om 560 miljoen, lp 2 en lp 4, en dan nog het andere bedrag. Die 3,8 miljard had Enercon ook. Lp 1-4. En dan komt erbij lp 2 en lp 4, 1,3 miljard in 2019.
[betrokkene 1] [bestuurder Petosi Holding B.V., voorheen CFO [A] ; plv.]: Deze presentatie is van mij. Die 3,8 is hun omzet. We hebben gekeken: wat kan het verschil zijn voor jullie omzet. (…)
[Raadsheer]: P. 5 van diezelfde presentatie. Er staan omzetten van Breeze, in 2018 was dit 227 miljoen en in 2019 was dit 297 miljoen.
(…)
[Raadsheer]: Op welke basis heeft u bedacht dat die Bonus Pool acceptabel was: omzet in lijn der verwachting. Dat maximum, dat is drie miljoen, dat staat voor 0,5 procent omzet, dus in totaal 600 miljoen. Dat komt voort uit uw verwachting wat qua omzet haalbaar was?
[betrokkene 2] : Ja, die verwachtingen zijn door de verkopers gewekt. En toen hebben we gezegd, okee, dan doen we die Pool. […]’
3.36.3
In het licht van wat NEI ter zitting heeft verklaard, is de overweging dat Enercon/NEI haar verwachtingen voor de te behalen omzet heeft gebaseerd op de cijfers genoemd in de presentatie van [verweerders] , niet onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd. Of de presentatie daadwerkelijk de omzetcijfers vermeldde, of dat Enercon/NEI de verwachte omzet uit de in de presentatie genoemde cijfers afleidde, doet hierbij niet ter zake. Daarmee faalt de klacht in
nr. 29van het subonderdeel.
3.37
In de tweede plaats merk ik op dat het hof kon oordelen dat het bij de verwachte omzet van [A] kennelijk ging om omzet die was berekend volgens de bij [A] gebruikelijke POC-methode. Uit het feit dat Enercon/NEI op de cijfers in de op 12 juni 2017 gegeven presentatie een verwachting voor de behalen omzet heeft gebaseerd en deze presentatie door [verweerders] is opgesteld en gegeven, kon het hof de conclusie trekken dat de cijfers in deze presentatie kennelijk waren berekend met de POC-methode die, zoals niet tussen partijen in geding is, door [A] zowel vóór als na de Overname werd gehanteerd in haar jaarrekening. Daarmee faalt de klacht in
nr. 30van het subonderdeel.
3.38
Ten derdeklaagt het subonderdeel (in
nr. 31) dat ’s hofs overweging dat de in de presentatie genoemde omzetcijfers gebaseerd waren op omzet die berekend was volgens de voor [A] gebruikelijke POC-methode, niet redengevend zijn voor het oordeel dat het voor Enercon/NEI duidelijk moet zijn geweest dat de door [verweerders] voorgestelde Bonus Pool-bepaling was gebaseerd op omzet die was berekend volgens de POC-methode. Dat de in de presentatie genoemde omzetcijfers berekend waren op basis van de voor [A] gebruikelijke POC-methode zegt als zodanig immers niets over de vraag hoe in het kader van de Bonus Pool-bepaling de omzet van de andere in de Bonus Pool-bepaling genoemde entiteiten moet worden berekend, aldus de klacht.
3.39.1
Het hof heeft, kort gezegd, overwogen (i) dat Enercon/NEI de door [verweerders] voorgestelde Bonus Pool-bepaling acceptabel heeft bevonden op basis van de verwachtingen van Enercon/NEI wat betreft de te halen omzet, die zij baseerde op de door [verweerders] gepresenteerde cijfers; (ii) dat de verwachte omzetcijfers kennelijk waren berekend volgens de POC-methode; en (iii) dat een andere methode niet ter sprake is gekomen. Op basis hiervan maakt het hof de stap naar (iv) het oordeel dat voor Enercon/NEI duidelijk moet zijn geweest dat de door [verweerders] voorgestelde Bonus Pool-bepaling, en de daarin voorkomende parameters als het percentage en het maximum, was gebaseerd op omzet die was berekend volgens de POC-methode. Het is op zichzelf niet onbegrijpelijk dat het hof op deze wijze een verband heeft gelegd tussen de presentatie en de Bonus Pool-bepaling, aangenomen dat Enercon/NEI begrepen of behoorden te begrijpen dat verwachte omzetcijfers kennelijk waren berekend volgens de POC-methode;
3.39.2
De klacht zou slagen indien ervan zou moeten worden uitgegaan (i) dat kennis bij Enercon/NEI omtrent de door [A] gehanteerde POC-methode om haar omzet te bepalen, slechts afhankelijk was van de in rov. 5.11 bedoelde presentatie van 12 juni 2017 en (ii) in die presentatie niet werd verduidelijkt dat [A] haar omzetverwachtingen baseerde op de door haar gehanteerde POC-methode. In die premisse zou weliswaar aangenomen kunnen worden dat de door [A] gepresenteerde omzetcijfers waren gebaseerd op de door haar gevolgde POC-methode, maar zou daarmee nog niet gegeven zijn dat voor Enercon/NEI dit begrepen of behoorden te begrijpen.
3.39.3
De klacht in
nr. 31van het subonderdeel dient naar mijn mening echter niet te slagen. Het hof is er kennelijk, en niet onbegrijpelijk, in rov. 5.11 impliciet van uitgegaan dat Enercon/NEI begrepen of behoorden te begrijpen dat [A] in haar jaarrekeningen de omzet volgens de POC-methode berekende en dat zij voor die kennis dus niet afhankelijk waren van de presentatie van 12 juni 2017. Het hof heeft onder meer vastgesteld dat Enercon aan [A] heeft geschreven dat “
will continue as an independent business unit with ENERCON with its own P&L, using its own brand name (at least for mid-term (…)” (rov. 3.4), dat [A] (ook) voor de Overname in haar jaarrekening de POC-methode hanteerde (rov. 3.6) en dat NEI zich in deze procedure op het standpunt heeft gesteld dat het bij
‘turnover’ gaat om het begrip omzet zoals dat in de jaarrekening is vastgesteld zodat voor de berekening van de omzet van [A] van de POC-methode moet worden uitgegaan (rov. 5.4). Ik vind het ook meer voor de hand liggen dat een potentiële koper weet hoe de omzet van de te kopen onderneming wordt vastgesteld, dan dat deze koper zich daarin niet heeft verdiept. Het middel voert ook niet aan dat NEI in feitelijke instanties heeft gesteld dat Enercon/NEI voor hun kennis dat [A] in haar jaarrekening de POC-methode hanteerde, afhankelijk waren van de presentatie van 12 juni 2017.
3.4
Het subonderdeel klaagt
ten vierde(in
nr. 32) dat het hof geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang waarom de omstandigheid dat de in de presentatie genoemde en op basis van de POC-methode berekende omzetcijfers van [A] meebrengen
datde omzet van de andere in de Bonus Pool-bepaling genoemde entiteiten – in afwijking van de door hen gehanteerde CC-methode – eveneens in het kader van de Bonus Pool-bepaling op basis van de POC-methode moet worden berekend. Zulks valt zonder nadere motivering, die nu ontbreekt, niet in te zien, aldus de klacht. Dat niet is gebleken dat bij de totstandkoming van de Bonus Pool-bepaling omzetgegevens op basis van de CC-methode of andere berekeningsmethoden zijn gedeeld is daartoe in ieder geval volgens de klacht onvoldoende, aangezien deze omstandigheid als zodanig ook niets zegt over of erop wijst dat het begrip omzet in de Bonus Pool-bepaling overeenkomstig de POC-methode moet worden berekend, ongeacht welke entiteit de omzet realiseert. Zulks klemt temeer, althans in elk geval, in een geval als dit, waarin vaststaat dat de in de Bonus Pool-bepaling genoemde entiteiten verschillende omzetberekeningsmethoden hanteren (POC-methode vs. CC-methode), aldus de klacht.
3.41
De klacht treft geen doel. Uit rov. 5.11 volgt dat het hof de omstandigheid dat niet is gebleken dat bij de totstandkoming van die bepaling omzetgegevens op basis van een andere berekeningsmethode zijn gedeeld – en dus alleen omzetgegevens op basis van de POC-methode, op basis waarvan NEI de Bonus Pool-bepaling acceptabel heeft bevonden – relevant heeft geacht met het oog op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de Bonus Pool-bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het oordeel dat de omzet in de Bonus Pool-bepaling met de POC-methode moet worden berekend,
ongeacht welke entiteit de omzet realiseert, wordt bovendien mede gedragen door het oordeel van het hof dat partijen, gelet op de strekking van de Bonus Pool-bepaling, redelijkerwijs behoorden te begrijpen dat het – kort gezegd – voor de berekening van de Bonus Pool niet zou mogen uitmaken of de mogelijkheid wordt verwezenlijkt dat de omzet in de toekomst door een andere vennootschap wordt gerealiseerd die onderworpen is aan andere boekhoudregels (rov. 5.11, slot) en de verstrekkende gevolgen van de door NEI voorgestane uitleg (rov. 5.12). In het licht daarvan is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk, noch onvoldoende gemotiveerd.
3.42
Subonderdeel 2.2slaag niet.
3.43
Subonderdeel 2.3richt motiveringsklachten tegen rov. 5.12.
3.44
Ten eersteklaagt het subonderdeel (in de
nrs. 35 en 36) dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is in het licht van de (essentiële) stellingen van NEI in feitelijke instanties. Deze stellingen komen er volgens mij in de kern op neer dat op [verweerders] als verkoper een onderzoeksplicht/
due diligence-verplichting rustte naar de gevolgen van de Bonus Pool-bepaling in het licht van de boekhoudmethodes van (de vennootschappen aan de zijde van) Enercon/NEI, en dat [verweerders] , als zij dat onderzoek had gedaan, op de hoogte was geweest van de wijze waarop de omzet werd berekend door de in de Bonus Pool-bepaling genoemde ondernemingen (waaronder Enercon) en had kunnen begrijpen wat de mogelijke gevolgen waren van de bepaling.
3.45
Deze klachten slagen naar mijn mening niet. Het hof overweegt in rov. 5.12, samengevat, dat als de CC-methode zou worden toegepast NEI door een eenzijdige beslissing de waarde van de Bonus Pool-bepaling significant kon laten dalen en dat [verweerders] een dergelijke uitleg van de bepaling niet behoefden te verwachten. Reeds hierin ligt besloten dat er voor [verweerders] geen aanleiding was voor een onderzoek als door het subonderdeel wordt bepleit. Onbegrijpelijk is deze overweging niet. Een nadere motivering in het licht van de in het subonderdeel bedoelde stellingen was naar mijn mening niet vereist. Het hof behoefde in de motivering van zijn oordeel daarom niet uitdrukkelijk in te gaan op het al dan niet bestaan van een onderzoeksplicht van de verkoper naar omstandigheden aan de zijde van de koper als door het subonderdeel wordt bepleit.
3.46
Ten tweedeklaagt het subonderdeel (in
nr. 37) dat ’s hofs oordeel ook onvoldoende is gemotiveerd, omdat uit de enkele omstandigheid dat toepassing van de CC-methode mogelijk leidt tot een lagere Bonus Pool dan bij toepassing van de POC-methode immers logischerwijs niet, althans niet zonder meer, volgt dat het begrip omzet in de Bonus Pool-bepaling zo moet worden uitgelegd dat de omzet berekend moet worden aan de hand van de POC-methode, ongeacht door welke in de Bonus Pool-bepaling genoemde entiteit de omzet is gerealiseerd. Dat klemt temeer, althans in elk geval, in een geval als dit, waarin – in cassatie veronderstellenderwijs – vaststaat dat de Bonus Pool in verband met teleurstellende verkoopresultaten van [A] lager is uitgevallen dan verwacht en dus niet in lijn waren met de door [A] gedane voorspellingen, aldus nog steeds de klacht.
3.47
De klacht mist feitelijke grondslag, omdat zij berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft zijn oordeel over de uitleg van de Bonus Pool-bepaling niet gebaseerd op de
enkeleomstandigheid dat toepassing van de CC-methode mogelijk leidt tot een lagere Bonus Pool dan bij toepassing van de POC-methode. Het hof heeft in rov. 5.12 slechts gewezen op de aannemelijkheid van een bepaalde uitleg van de Bonus Pool-bepaling. [20] In de overwegingen van het hof over de betekenis die partijen redelijkerwijs mochten toekennen aan de Bonus Pool-bepaling heeft het hof overigens geen betekenis toegekend aan de in de klacht bedoelde later gerealiseerde verkoopresultaten. Dat is niet onbegrijpelijk.
3.48
De slotsom is dat
subonderdeel 2.3niet slaagt.
3.49
Subo
nderdeel 2.4richt klachten tegen rov. 5.13.
3.5
Ten eersteklaagt het subonderdeel (in
nr. 40) dat voor zover het hof heeft geoordeeld dat omstandigheden die zich na de totstandkoming van de overeenkomst hebben voorgedaan, irrelevant zijn voor de uitleg van die overeenkomst, dat oordeel onjuist is. Het hof heeft volgens de klacht in dat geval miskend dat ook omstandigheden die hebben plaatsgevonden nadat de rechtshandeling is verricht, medebepalend kunnen zijn voor de uitleg ervan.
3.51
De klacht gaat er terecht vanuit dat in het algemeen ook omstandigheden die hebben plaatsgevonden nadat een rechtshandeling is verricht, medebepalend kunnen zijn voor de uitleg daarvan. [21] Het hof heeft dit echter niet miskend. Het hof heeft in rov. 5.13 slechts tot uitdrukking gebracht dat in dit geval de praktische bezwaren tegen het achteraf alsnog toepassen van de POC-methode, die het gevolg zijn van het vanaf 2019 overhevelen van de verkoop van [A] Turbines naar Enercon, geen (ander) licht werpen op de wederzijdse verwachtingen van partijen ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst (dus op de uitleg van de Bonus Pool-bepaling). De klacht faalt daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat zij berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.
3.52
Ten tweedeklaagt het subonderdeel (in
nr. 41) dat het hof heeft miskend dat een overeenkomst na verloop van tijd in een andere zin kan worden uitgelegd dan eerder, op de grond dat in verband met inmiddels ingetreden feiten en omstandigheden de redelijke verwachtingen van de handelende partijen zijn gewijzigd. Nadien ingetreden omstandigheden, zoals de door NEI aangevoerde praktische bezwaren, kunnen wel degelijk van belang zijn voor de uitleg van een contractuele bepaling, aldus de klacht.
3.53
De klacht gaat er terecht vanuit dat denkbaar is dat de aard van rechtsverhouding tussen partijen stilzwijgend kan veranderen. [22] Het hof heeft dit echter niet miskend. Het hof heeft in de omstandigheden van dit geval kennelijk, en niet onbegrijpelijk, geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat partijen redelijkerwijs mochten verwachten dat de Bonus Pool-bepaling in de loop der tijd een andere betekenis heeft gekregen (het middel wijst ook niet naar daarop gerichte stellingen van NEI in feitelijke instanties). De klacht faalt daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat zij berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.
3.54
Het subonderdeel klaagt
ten derde(in
nr. 42) dat het oordeel van het hof in rov. 5.13 onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is, omdat, samengevat, bij de POC-methode
milestonesworden gehanteerd die vooraf moeten worden afgesproken en niet achteraf kunnen worden toegepast. Partijen mochten dan ook redelijkerwijs niet verwachten dat de POC-methode van toepassing zou zijn op omzet behaald door alle relevante entiteiten ook indien zij zelf de POC-methode niet toepassen, aldus de klacht.
3.55
Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 27 maart 2024 (p. 3 en 9) blijkt dat partijen verdeeld zijn over de vraag of het mogelijk is achteraf een berekening te maken op basis van de POC-methode. Het hof heeft het in de klacht bedoelde standpunt van NEI kennelijk opgevat als een praktisch bezwaar tegen de toepassing van de POC-methode bij vennootschappen aan de zijde van Enercon/NEI en dit standpunt in rov. 5.13 verworpen. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.
3.56
Subonderdeel 2.4slaagt niet.
Onderdeel 3; slotsom
3.57
Onderdeel 3bevat louter een voortbouwklacht. Nu de voorgaande klachten niet slagen, geldt hetzelfde voor dit onderdeel.
3.58
De slotsom is dat de klachten van het middel niet slagen, zodat het cassatieberoep moet worden verworpen.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Plv.

Voetnoten

1.Zie hof Amsterdam 10 september 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2567, rov. 3.
2.HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493 m.nt. C.E. du Perron, JOR 2004/157 m.nt. S.C.J.J. Kortmann, JAR 2004/83 m.nt. R.M. Beltzer, AV&S 2004/26 m.nt. P. Clausing, Ondernemingsrecht 2004/62 m.nt. F.B.J. Grapperhaus, SR 2004/60 m.nt. R.A.C.M. Langemeijer (
3.Zie o.m. HR 17 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1059, NJ 1994/173 m.nt. P.A. Stein, rov. 3.3; HR 24 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1072, NJ 1994/174 m.nt. P.A. Stein, rov. 3.6; HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427 (
4.HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635 m.nt. C.J.H. Brunner (
5.HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427 (
6.Zie o.a. F.W. Grosheide, ‘Lees maar, er staat wat er staat’, Contracteren 2000/4, p. 100 e.v.; R. de Vrey, ‘Het waterdicht maken van een Nederlands contract op Angelsaksische wijze’, in J.J. Brinkhof e.a. (red.), Contracteren internationaal (Grosheide-bundel), 2006, p. 87 e.v.; H.N. Schelhaas, ‘Pacta sunt servanda bij commerciële contracten’, NTBR 2008/4, p. 150 e.v.; R.P.J.L. Tjittes, Commercieel Contracteren, 2022, p. 325 e.v.
7.HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3178, NJ 2007/575 m.nt. M.H. Wissink, JOR 2007/166 m.nt. R-J. Tjittes, Ondernemingsrecht 2007/90 m.nt. A.J.M. Wiggers (
8.HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101, NJ 2013/214, JOR 2013/198 m.nt. P.S. Bakker, TBR 2013/119 m.nt. M. Dadi-Tailleur en F.J. Vonck (
9.HR 13 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1940, NJ 2020/435, m.nt. J.L. Smeehuijzen (
10.Vgl. conclusie A-G Hartlief (ECLI:NL:PHR:2019:670) vóór HR 13 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1940 (
11.A.M.M. Hendrix, Methoden van contractsuitleg (diss. Leiden), 2023, nr. 159.
12.Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/173; HR 17 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8198, NJ 2005/169 m.nt. J.H. Spoor, Ondernemingsrecht 2004/262 m.nt. W.W. de Nijs Bik en W. Leppink, BIE 2005/7 m.nt. A.A. Quaedvlieg, rov. 3.3.2; HR 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6085, NJ 2011/5 m.nt. L.C.A. Verstappen, FJR 2011/34 m.nt. I.J. Pieters, rov. 3.5
13.Ik lees in de klacht, anders dan de schriftelijke toelichting namens [verweerders] nr. 33, niet dat wordt betoogd dat de Haviltex-maatstaf niet van toepassing zou zijn.
14.Zie ook de schriftelijke toelichting namens [verweerders] nr. 34.
15.B. van der Wiel, N.T. Dempsey, J.F. de Groot e.a., Cassatie, 2019/70 e.v.
16.MvG nr. 2.2.
17.Zie spreekaantekeningen d.d. 27 maart 2024 zijdens [verweerders] nr. 3 (dit stuk ontbreekt in het B-dossier).
18.Proces-verbaal van mondelinge behandeling op 27 maart 2024, p. 3.
19.Zie ook de schriftelijke toelichting namens [verweerders] nr. 49.
20.Zie ook de schriftelijke toelichting namens [verweerders] nr. 58.
21.Zie bijvoorbeeld HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2741, NJ 2015/382, JA 2015/150 m.nt. L.C. Dufour,
22.Zie bijvoorbeeld HR 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3876, NJ 2012/75 m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2011/361 m.nt. Chr.M. Stokkermans (