Conclusie
Haviltex-uitleg is hetgeen tijdens de bezichtigingen is gebeurd wel relevant. Aan een beoordeling daarvan kwam het hof echter in eerste instantie ook niet toe, omdat het – op grond van een ‘voorshands taalkundige’-uitleg – voorshands bewezen heeft geacht dat Valerbosch inderdaad een garantie heeft gegeven. Vervolgens heeft het hof Valerbosch in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren en in dat kader dan aandacht te vragen voor hetgeen tijdens de bezichtigingen is gebeurd. Uiteindelijk heeft het hof Valerbosch niet in het tegenbewijs geslaagd geacht. In cassatie komt Valerbosch op tegen de door het hof toegepaste ‘voorshands taalkundige’-uitleg van de koopovereenkomst. Verder stelt het cassatieberoep – onder verwijzing naar de
Meavita-beschikking – dat (mogelijk) sprake is van een geval waarin een uitspraak is gedaan door niet het vereiste aantal rechters, omdat een van de betrokken raadsheren ten tijde van de uitspraak reeds was gedefungeerd.
1.Feiten
7.FUNDERINGSINSPECTIE EN HOUTONDERZOEK
9.CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
2.Procesverloop
“Alleen de datum van de onderheiing dient nog ingevuld te worden”;
pro memorie) ingevuld, de overeenkomst namens Valerbosch ondertekend en deze aan de notaris teruggestuurd, waarna het origineel enkele dagen later door [verweerder] is ondertekend;
grief Xfaalt derhalve.”
nietkenbaar heeft gemaakt dat de staat van de heipalen onder het pand essentieel voor hem was. Voor zover voornoemde getuigen [verweerder] er (al dan niet bij herhaling) op hebben gewezen dat er over de fundering niets bekend was, hebben zowel de makelaar als de architect met [verweerder] afgesproken onderzoek naar de fundering in te stellen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Meavita-materie ziet, uit twee (ongenummerde) subonderdelen bestaat en onderdeel II, dat de uitlegproblematiek betreft, uit drie subonderdelen. Het derde subonderdeel van onderdeel II kent op zijn beurt weer twee sub-subonderdelen.
Meavita-beschikking van Uw Raad en de nadere uitwerking die Uw Raad daaraan in latere rechtspraak heeft gegeven, een uitspraak is gedaan door niet het vereiste aantal rechters, omdat één van de betrokken raadsheren in de periode tussen de datum van het wijzen van het Tussenarrest (18 februari 2016), die tevens de dag van het pleidooi was, en de uitspraak (19 april 2016) reeds was gedefungeerd. Omdat voor de beoordeling van de klachten in dit verband relevant is op welk moment een rechterlijke beslissing is
gewezenen wat de gevolgen van het defungeren van een raadsheer zijn, maak ik daarover eerst een enkele opmerking.
gewezenstond centraal in de
Meavita-zaak. [12] In deze zaak stond in de bestreden beschikking van de ondernemingskamer vermeld dat de mondelinge behandelingen hadden plaatsgevonden op 4 en 5 juni 2014, dat de beschikking op 6 juni 2014 was “gegeven” door drie rechters en twee deskundige leden en dat deze beschikking in het openbaar was uitgesproken op 2 november 2015. In cassatie werd de stelling betrokken dat de bestreden beschikking niet is gegeven op 6 juni 2014, maar in elk geval ná 1 mei 2015 en daarmee ná het defungeren van één van de rechters. Volgens de klacht had dit (onder meer) tot gevolg dat de beschikking niet is gegeven op de datum waarop die volgens de beschikking zou zijn gegeven en evenmin door het wettelijk vereiste aantal rechters waardoor de beschikking nietig is. [13]
Meavita-zaak werd daarom met succes opgekomen tegen de beschikking van de ondernemingskamer. De vermelding van 6 juni 2014
kanvolgens Uw Raad niet juist zijn, omdat uitgesloten moet worden geacht dat de rechters en deskundige leden een dag na de mondelinge behandelingen hebben ingestemd met de vaststelling van de volledige tekst van de 191 pagina’s tellende beschikking. Bovendien volgt ook uit correspondentie van de ondernemingskamer dat vaststelling van de volledige tekst van de beschikking heeft plaatsgevonden ná het defungeren van één van de rechters:
Meavita-zaak heeft Uw Raad in 2018 [15] prejudiciële vragen beantwoord in een zaak, die weliswaar overeenkomsten vertoonde met de
Meavita-zaak, maar die in zoverre daarvan verschilde i) dat de betreffende defungerende rechter weliswaar was gedefungeerd als senior rechter A bij de rechtbank Amsterdam, maar dat hij niet zijn hoedanigheid van rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast had verloren aangezien hij raadsheer was geworden bij het hof Amsterdam en ii) dat de schriftelijke weergave van de genomen beslissingen in concept gereed was vóór het defungeren van de betreffende rechter, maar dat daarna op ondergeschikte punten nog wijzigingen hadden plaatsgevonden die niet tot een andere beslissing op enig punt hebben geleid. In een zestal prejudiciële vragen werd Uw Raad uitgenodigd helderheid te verschaffen over de volgende kwesties:
Meavita-beschikking, te weten dat een beschikking wordt gewezen wanneer alle rechters (en, in het geval van de ondernemingskamer, ook alle deskundige leden) die over de zaak oordelen de volledige tekst van de uit te spreken beschikking hebben vastgesteld, heeft Uw Raad de ratio van deze regel toegelicht: de behandelend rechter en, in meervoudig besliste zaken, ieder van de behandelend rechters, is niet alleen verantwoordelijk voor de genomen beslissing(en), maar ook voor het geheel van de daarvoor gegeven motivering (vgl. voor dagvaardingsprocedures art. 230 lid Pro 1, aanhef en onder e en f, Rv, welke bepaling ingevolge art. 287 lid 1 Rv Pro ook van toepassing is in verzoekschriftprocedures). Gelet op deze ratio geldt de regel voor alle civiele procedures in eerste aanleg, hoger beroep en cassatie. [17]
eerste subonderdeelvan onderdeel I stelt Valerbosch dat het hof in zijn Tussenarrest van een onjuiste rechtsopvatting heeft blijk gegeven ten aanzien van de betekenis van het ‘wijzen van een arrest’. In het Tussenarrest staat vermeld dat partijen ter zitting van 18 februari 2016 de zaak hebben doen bepleiten [22] en dat het arrest door mrs. J.E. Molenaar, E.M. Polak en A. Bockwinkel is gewezen op diezelfde dag, te weten op 18 februari 2016, en door de rolraadsheer in het openbaar is uitgesproken op 19 april 2016. [23] Het hof heeft naar aanleiding van een brief van de advocaat van Valerbosch d.d. 19 april 2018 laatstgenoemde op 26 april 2018 bericht dat mr. A. Bockwinkel (hierna: ‘mr. Bockwinkel’) defungeerde per 1 april 2016. [24] Volgens het subonderdeel is het – onder verwijzing naar de
Meavita-zaak [25] – tamelijk ongebruikelijk dat op de dag van de zitting een uitspraak in diezelfde zaak, van elf pagina’s met inhoudelijke overwegingen en een bewijsopdracht, wordt gewezen. Hierbij wordt door Valerbosch in haar procesinleiding [26] opgemerkt dat de zitting heeft plaatsgevonden van 14:00 uur tot circa 16:00/16:30 uur [27] en dat er twee maanden zit tussen het wijzen en het uitspreken van het Tussenarrest, in welke periode mr. Bockwinkel is gedefungeerd. Ik vat het subonderdeel zo op dat Valerbosch in het licht van de
Meavita-zaak betoogt dat het Tussenarrest niet is gewezen op de datum waarop het volgens het Tussenarrest zou zijn gewezen, zodat het hof de betekenis van ‘het wijzen van een arrest’ heeft miskend, en het Tussenarrest niet door het wettelijk vereiste aantal raadsheren is gewezen met alle gevolgen van dien.
Meavita-zaak. [28] Het gaat in casu om een uitspraak van 11 pagina’s, waarvan 7,5 tot 8 pagina’s weergave van feiten en procesverloop bestrijken en de laatste pagina alleen de ‘teken’-pagina betreft. Het Tussenarrest bevat, kortom, 2 tot 2,5 pagina’s aan inhoudelijke overwegingen (inclusief dictum). Dat is van een andere orde dan de beschikking in de
Meavita-zaak, waarin de mondelinge behandelingen plaatsvonden op 4 en 5 juni 2014 en – overeenkomstig de tekst van de beschikking – de dag daaropvolgend een beschikking van 191 pagina’s zou zijn vastgesteld. Zoals Uw Raad reeds oordeelde in rov. 3.3.3 van de
Meavita-beschikking: “Deze vermelding
kanderhalve niet juist zijn” [cursivering van mij, A-G]. In de onderhavige zaak valt echter niet uit te sluiten dat (bijvoorbeeld) één van de raadsheren reeds een concept, waarin feiten en procesverloop reeds waren weergegeven, had opgesteld vóór het pleidooi en dat – wellicht juist met het oog op het binnen korte tijd te verwachten defungeren van mr. Bockwinkel – de drie raadsheren na de zitting de tekst van het Tussenarrest hebben vastgesteld, waarbij ik opmerk dat door [verweerder] wordt betwist dat het pleidooi op 18 februari 2016 pas om circa 17:00 uur was afgelopen. [verweerder] merkt daarover op dat het pleidooi volgens zijn behandelend advocaat in hoger beroep beduidend eerder was afgelopen dan op het door Valerbosch vermelde tijdstip. [29]
Meavita-zaak. Ik geef daarom toe dat ik betwijfel of op 18 februari 2016 werkelijk méér is gedaan dan inhoudelijk beslissen op de geschilpunten. Deze twijfel wordt niet weggenomen door de brief van het hof gericht aan de advocaat van Valerbosch van 26 april 2018, waarin het hof aangeeft dat mr. Bockwinkel defungeerde op 1 april 2016, nu het hof niet expliciet op de vragen van de advocaat van Valerbosch gesteld bij brief van 19 april 2018 is ingegaan
“of het tussenarrest van 19 april 2016 (…) inderdaad op 18 februari 2016, de dag van het pleidooi dat in de middag (tot circa 17:00 uur) [33] heeft plaatsgevonden, is gewezen”en of het
“tussenarrest mogelijk niet mede is “gewezen” door de kamer (…) met dezelfde samenstelling als tijdens het pleidooi”. [34] Twijfel doet de klacht echter nog niet slagen. Nog steeds valt immers niet uit te sluiten dat de tekst op 18 februari 2016 wel degelijk door de drie in het Tussenarrest aangeduide raadsheren is vastgesteld. Bij die stand van zaken kan niet worden geoordeeld dat het hof de betekenis van het ‘wijzen van een arrest’ heeft miskend en evenmin dat het Tussenarrest niet door het wettelijk vereiste aantal raadsheren is gewezen, [35] zodat het
eerste subonderdeelvan onderdeel I dient te falen.
tweede subonderdeelvan onderdeel I voert in het verlengde van het eerste subonderdeel aan dat voor het geval het hof de betekenis van het ‘wijzen van een arrest’ niet heeft miskend, het Tussenarrest niet naar de eisen der wet is gemotiveerd. Uit een oogpunt van controleerbaarheid had het Tussenarrest dan tot uitdrukking moeten brengen om welke reden twee maanden werd gewacht met het uitspreken van het Tussenarrest, nu het Tussenarrest reeds op 18 februari 2016 was gewezen en vóór het uitspreken daarvan één van de raadsheren was gedefungeerd.
tweede subonderdeelvan onderdeel I faalt.
onderdeel Imijns inziens niet slagen. Desalniettemin kan het in onderdeel I bestreden Tussenarrest (en hetzelfde geldt overigens voor het Eindarrest) niet in stand blijven, omdat het tweede onderdeel wat mij betreft doel treft.
Haviltex-uitleg is hetgeen tijdens de bezichtigingen is gebeurd wel relevant. Aan een beoordeling daarvan kwam het hof echter in eerste instantie ook niet toe, omdat het – op grond van een ‘voorshands taalkundige’-uitleg – voorshands bewezen heeft geacht, dat Valerbosch inderdaad een garantie heeft gegeven. Vervolgens heeft het hof Valerbosch in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren en in dat kader dan aandacht te vragen voor hetgeen tijdens de bezichtigingen is gebeurd. Uiteindelijk heeft het Valerbosch niet in het tegenbewijs geslaagd geacht met alle gevolgen van dien (non-conformiteit etc.).
DSM/Foxheeft aangegeven, zijn bij de uitleg van een schriftelijke overeenkomst telkens van beslissende betekenis alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. [38] Zowel de maatstaf van het
Haviltex-arrest als de zogenoemde CAO-norm is een uitwerking van deze ‘grondnorm’. [39] In casu kan de CAO-norm buiten beeld blijven. Hier gaat het om toepassing van de
Haviltex-maatstaf.
Haviltex-maatstaf komt het in beginsel aan op de zin die partijen redelijkerwijs aan de betreffende bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. [40] Bij de toepassing van deze maatstaf dient de rechter rekening te houden met alle (relevante) omstandigheden van het gegeven geval. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat de uitleg van een schriftelijke overeenkomst niet dient plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het is gesteld. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang. [41]
Haviltex-maatstaf laat toe dat een rechter voorshands groot gewicht toekent aan de meest voor de hand liggende taalkundige uitleg. [42] In de rechtspraak van Uw Raad [43] wordt aanvaard dat indien er sprake is van een commercieel contract, gesloten tussen professionele partijen waarbij de strekking van de schriftelijke overeenkomst is dat partijen hun rechtsverhouding nauwkeurig hebben willen vastleggen in de schriftelijke overeenkomst, de rechter de vrijheid heeft voorshands groot gewicht toe te kennen aan de gebruikelijke betekenis van de tekst van de overeenkomst. Het ligt voor de hand dat de rechter die vrijheid enkel benut wanneer partijen er in de specifieke omstandigheden over en weer redelijkerwijs van mogen uitgaan dat de tekst van het contract de bedoeling van partijen nauwkeurig en juist weergeeft. [44] Bedient de rechter zich inderdaad van deze techniek, dan dient hij deze keuze voldoende te motiveren. [45]
Haviltex-maatstaf. Indien de rechter de techniek van de ‘voorshands taalkundige’-uitleg toepast, neemt hij ‘binnen’
Haviltexeen eerste voorlopige uitleg aan op basis van de tekst van de overeenkomst. Daarmee is het pleit echter nog niet beslecht. Degene die voldoende stelt dat deze tekst toch niet (werkelijk of precies genoeg) de bedoeling van partijen weergeeft, krijgt immers de gelegenheid dat te bewijzen. [47] De taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen is dus ook bij de uitleg van een commercieel contract niet altijd van beslissend gewicht; steeds blijft het gewicht dat uiteindelijk toekomt aan de tekst van een bepaling afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Sprekend in dit verband is een eerder al eens door A-G Timmerman [48] aangehaalde passage van Van Schilfgaarde: [49]
enkeleomstandigheid dat de betrokken partijen beide als professionele partij (al dan niet met deskundige juridische bijstand) kunnen worden beschouwd niet voldoende is om te komen tot een voorshandse uitleg: [53]
er niet alleen sprake moet zijn van een commercieel contract gesloten tussen professionele partijen, maar dat partijen beiden voldoende zorg moeten hebben besteed aan de formulering van de contractsbedingen. Het moet de strekking van het contract zijn geweest de bedoeling van partijen daarin nauwkeurig vast te leggen. Immers alleen dan is er reden er voorshands van uit te gaan dat de bedoeling van beide partijen correct is neergelegd in de tekst van het contract.
Parkking/Alberts q.q.-arrest, waar hij opmerkt dat het enkele feit van een zuiver commerciële transactie (tussen professionele partijen) onvoldoende is voor een toespitsing op de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen: [54]
Mij dunkt dat een belangrijke overweging in dit verband was dat de bedoelde schriftelijke overeenkomsten klaarblijkelijk waren bedoeld als een nauwkeurige vastlegging van de tussen partijen in (min of meer uitvoerige) onderhandelingen bereikte overeenstemming omtrent hun wederzijdse rechten en verplichtingen, waarbij de genoten juridische bijstand de deugdelijkheid van die vastlegging bevorderde. Weliswaar wordt in de bedoelde rechtspraak steeds óók benoemd dat het een zuiver commerciële transactie betrof, maar die omstandigheidalleendunkt mij geheel en al onvoldoende voor een toespitsing op de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen.Zoals het hof met zoveel woorden benoemt, is het ervan uitgegaan dat partijen
nietdoor juridische raadslieden werden bijgestaan. Ook betreft de uitleg niet een schriftelijke overeenkomst die was bedoeld als een nauwkeurige vastlegging van een tussen partijen in min of meer uitvoerige onderhandelingen bereikte overeenstemming, maar een enkele brief. Voor zover in geval van de uitleg van een dergelijke brief een toespitsing op de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen al toelaatbaar zou kúnnen zijn, geldt dat de door het hof benoemde omstandigheden de keuze voor die toespitsing niet begrijpelijk maken.” [onderstreping van mij, A-G]
Haviltex-maatstaf leidend. Niet uitgesloten is dat de rechter daarbij in een concreet geval gebruik maakt van de ‘voorshands taalkundige’-uitleg, door Wissink ooit ‘half Haviltexen’ genoemd. [58] Die techniek is door Uw Raad in diverse arresten toegestaan. De rechter is niet gehouden haar toe te passen, maar zij is wel onderdeel van zijn gereedschapskist. Aangenomen mag worden dat zij daar alleen maar uit komt indien er in het licht van de concrete omstandigheden van mag worden uitgegaan dat de tekst van de overeenkomst de bedoelingen van partijen nauwkeurig en juist weergeeft. [59] Indicatief, maar ook niet meer dan dat, daarvoor zijn factoren als deskundige juridische bijstand en langdurige onderhandelingen.
eerste subonderdeelvan onderdeel II betoogt dat het hof uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting door in rov. 3.8.2 tot en met 3.8.5 van het Tussenarrest (waarop in rov. 2.1 van het Eindarrest wordt voortgebouwd) groot gewicht toe te kennen aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen waarna het hof is overgegaan tot een ‘voorshands taalkundige’-uitleg. Het hof miskent volgens Valerbosch dat voor deze (meer geobjectiveerde) toepassing van de
Haviltex-maatstaf niet reeds plaats is als een overeenkomst is gesloten tussen professionele partijen. Daarvoor is meer vereist, te weten: i) dat partijen over de overeenkomst (intensief) hebben onderhandeld en/of ii) dat partijen bij de onderhandelingen zijn bijgestaan door ter zake kundige (juridische) personen en/of iii) dat de aard van de transactie en/of de omvang en gedetailleerdheid van het contract hiertoe aanleiding geeft/geven, aldus Valerbosch. Nu deze overige omstandigheden zich niet voordoen (er is enkel sprake van professionele partijen), althans niet door het hof zijn vastgesteld, is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.
tweede subonderdeelvan onderdeel II aan dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd is waarom het hof in rov. 3.8.2 tot en met 3.8.5 van het Tussenarrest (waarop in rov. 2.1 van het Eindarrest wordt voortgebouwd) groot gewicht toekent aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, waarna het hof is overgegaan tot een ‘voorshands taalkundige’-uitleg. Er is namelijk niet over de (tekst en inhoud van de) overeenkomst onderhandeld, de overeenkomst is eenzijdig in opdracht van [verweerder] opgesteld door diens notaris, [60] geen van beide partijen heeft zich laten bijstaan door ter zake kundige personen zoals gespecialiseerde advocaten, en de aard van de transactie (een eenvoudig koopcontract) noch de omvang en gedetailleerdheid van het contract (een eenvoudig koopcontract) geeft aanleiding voor deze geobjectiveerde
Haviltex-maatstaf, aldus Valerbosch.
eerste subonderdeelvan onderdeel II). Voor zover het hof wel van juiste maatstaven is uitgegaan, is zijn oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk (
tweede subonderdeelvan onderdeel II).
derde subonderdeelvan onderdeel II onbesproken blijven. Ik licht dat toe.
eerste sub-subonderdeel), althans is ’s hofs oordeel niet naar de eisen der wet gemotiveerd (
tweede sub-subonderdeel).
Haviltex-maatstaf zal door het (verwijzings)hof immers opnieuw moeten worden beoordeeld of er al dan niet een garantie (dat het pand opnieuw met palen is onderheid) is verstrekt door Valerbosch aan [verweerder] . Het is aan de feitenrechter, in dit geval het (verwijzings)hof, voorbehouden op welke wijze de gedingstukken (waarin de negen in het kader van subonderdeel 3 genoemde omstandigheden/stellingen volgens Valerbosch zijn opgenomen) dienen te worden uitgelegd [62] en daarmee ook of Valerbosch daadwerkelijk aan de hand van deze negen omstandigheden heeft gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.4. en 4.5. van het Tussenvonnis waarin de omstandigheden staan opgesomd die volgens de rechtbank relevant zijn voor de vraag of een garantie is verstrekt.