ECLI:NL:PHR:2025:1271

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
24/02940
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Conclusie AG over veroordeling wegens medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben van hennep en deelneming aan een criminele organisatie

In deze zaak is de verdachte veroordeeld voor het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep en deelneming aan een criminele organisatie, zoals vastgelegd in de Opiumwet. De veroordeling is gebaseerd op een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, dat op 25 juli 2024 uitspraak deed. De verdachte, geboren in 1985, was betrokken bij een criminele organisatie die zich bezighield met de handel in hennep en hasj. Het onderzoek, genaamd Verdejo, richtte zich op activiteiten rondom een loods in [plaats], waar diverse voertuigen en verdachten regelmatig aanwezig waren. Camerabeelden toonden aan dat de verdachte en medeverdachten betrokken waren bij het uitladen, keuren en herverpakken van hennep. De verdachte heeft op meerdere momenten strijkzakken en sealbags met hennep vervoerd en was aanwezig bij diverse transacties. Het hof concludeerde dat er sprake was van een gestructureerde samenwerking met een duurzaam karakter, gericht op het plegen van misdrijven. De verdediging voerde aan dat de verdachte niet actief betrokken was bij de drugshandel, maar het hof oordeelde dat de verdachte wel degelijk wist van de activiteiten in de loods. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep, waarbij het hof de eerdere veroordeling bevestigde, met uitzondering van de kwalificatie van de criminele organisatie met betrekking tot cocaïne en amfetamine.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/02940
Zitting18 november 2025
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 25 juli 2024 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (parketnummer 20-001869-21), middels gedeeltelijke bevestiging van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 juli 2021, wegens:
- in de zaak met parketnummer 02-090956-19: “medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod”;
- in de zaak met parketnummer 02-044465-21: “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid, vierde lid en vijfde lid van de Opiumwet”,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden (met aftrek van voorarrest). [1]
1.2
Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. De zaak vloeit voort uit het strafrechtelijk onderzoek met de naam Verdejo , en speelt zich (met name) af rondom een loods aan de [a-straat 1] te [plaats] , op welk adres bij de Kamer van Koophandel een autobedrijf was geregistreerd. Bij de loods werden diverse voertuigen waargenomen die, rechtstreeks of via de tenaamgestelde of bestuurder, te relateren waren aan hennephandel. Op basis van camerabeelden is vastgesteld dat zeven verdachten in deze zaak, in wisselende samenstelling en op wisselende momenten, in de loods aanwezig waren en dat in de loods regelmatig derden verschenen waarna (na sluiting van de rolluiken en activering van beveiligingscamera’s buiten de loods) pakketten werden uitgeladen, de inhoud werd gekeurd en de pakketten, soms na te zijn omgepakt, in een andere auto werden geladen. Gedurende het onderzoek zijn een aantal van deze auto’s afgevangen en werden hierin softdrugs aangetroffen, en eenmalig amfetamine en cocaïne. De verdachte is veroordeeld ter zake van een specifiek feit (opzettelijk aanwezig hebben van hennep) en deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 11b van de Opiumwet (Ow).
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Met beide middelen wordt opgekomen tegen de bewezenverklaring ter zake van deelneming aan een criminele organisatie.
1.4
Er bestaat samenhang met de zaken 24/02974, 24/02982, 24/02933 en 24/03275. In die zaken zal ik vandaag ook concluderen.

2.De bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de overwegingen van het hof

2.1
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij:
“parketnummer 02-090956-19
op 15 april 2019 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid van ongeveer 3,12 kilo hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
parketnummer 02-044465-21
in de periode van 20 november 2018 tot en met 15 april 2019 te [plaats] heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:
het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, tweede en derde en vierde en vijfde lid,
namelijk het in de uitoefening van een bedrijf of beroep opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 aanhef en onder A en B en C van de Opiumwet,
te weten het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van:
- grote hoeveelheden hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II en
- grote hoeveelheden van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II.”
2.2
Het hof heeft de bewezenverklaring van dit feit doen steunen op (onder meer) de volgende bewijsmiddelen, die het hof – met uitzondering van een aantal onderdelen – heeft overgenomen uit het vonnis van de rechtbank:
- “Het proces-verbaal van bevindingen betreffende de handel in verdovende middelen in de loods [a-straat 1] te [plaats] , pagina’s 3199 tot en met 3208:
Met ingang van donderdag 21 februari 2019 tot en met maandag 15 april 2019 werden beelden opgenomen aangaande de activiteiten welke plaatsvonden in genoemde loods. Van deze activiteiten werden per etmaal processen-verbaal gemaakt, welke reeds in het dossier gevoegd zijn. Op maandag 15 april 2019 werd vastgesteld dat de inhoud van de op die dag aangeboden strijkzakken, inhoudende sealbags, hennep bevatten. Deze strijkzakken werden die ochtend gebracht door verdachte [medeverdachte 7] en in de Mini-Cooper van [medeverdachte 2] geladen. Bij de aanhoudingen werd de Mini-Cooper inbeslaggenomen en werd de inhoud van de strijkzakken bekeken. In de strijkzakken zaten een tweetal sealbags. Eén sealbag bleek na weging ongeveer 1 kilogram hennep te bevatten, dus per strijkzak wordt een gewicht gehanteerd van 2 kilogram hennep, mits anders waarneembaar en overeenkomstig het volume van de strijkzak.
Donderdag 21 februari 2019
Op 21 februari 2019, omstreeks 05:41 uur werd door de inzittenden van een Citroen Berlingo een drietal strijkzakken afgeleverd bij de loods. In de strijkzakken zitten henneptoppen, welke niet verpakt zit in sealbags. Gelet op het volume van de strijkzakken in vergelijking met die van sealbags inhoudende 1 kilogram, kan gesteld worden dat in deze drie strijkzakken in totaal 6 kilogram hennep geleverd is. De strijkzakken worden nadien in de Renault Clio van [verdachte] geladen door [verdachte] en [medeverdachte 5] en rijden afzonderlijk de loods uit.
Aanwezig bij deze transactie zijn [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] en [verdachte] .
Vrijdag 22 februari 2019
Op 22 februari 2019 worden een tweetal boodschappen tassen, inhoudende sealbags en een zestal strijkzakken bekeken, gewogen en herverpakt. [verdachte] is de persoon welke de hennep kwam brengen. De inhoud van de strijkzakken wordt deels buiten beeld bekeken en herverpakt in sealbags. In totaal worden er een 20 sealbags herverpakt en verdeeld over een 2-tal bigbags. Gelet op vorenstaande kan gesteld worden dat er 20 kilogram hennep geleverd is. Nadien gaan deze bigbags in een Opel, welke in de loods geparkeerd stond. Deze bigbags worden later die nacht door [verdachte] en [medeverdachte 5] overgeladen in de Renault Clio van [verdachte] en rijden daarmee de loods uit.
Aanwezig bij deze transactie zijn [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] .
(…)
Maandag 25 februari 2019
Op 25 februari 2019 wordt door [medeverdachte 6] .een doos gebracht, inhoudende 1 sealbag. [verdachte] rijdt hierna diens Renault naar binnen en in de kofferbak ligt een bigbag welke gevuld is met in elk geval minstens 3 sealbags. De eerder gebracht sealbag wordt daaraan toegevoegd. In totaal zijn er minimaal 4 sealbags zichtbaar geleverd a 1 kilogram is 4 kilogram hennep. Aanwezig bij deze transactie zijn [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 4] .
Nadien is (een deel van) deze partij vermoedelijk verkocht aan de in het proces-verbaal omschreven man, NN10.
Donderdag 28 februari 2019
Op 28 februari 2019 wordt door [verdachte] een tweetal kleinere sealbags gebracht, welke door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] tot 1 sealbag wordt samengevoegd, inhoudende 1 kg hennep en in ontvangst genomen door [verdachte] die de loods verlaat.
Aanwezig bij deze transactie zijn [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] .
Vrijdag 1 maart 2019
Op 1 maart 2019, omstreeks 13:22 uur wordt door [verdachte] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] een bigbag gebracht met de Ford Mondeo. De bigbag blijf in het voertuig, doch enkele sealbags worden eruit gehaald ter kwaliteitscontrole. In elk geval zitten er minimaal 3 sealbags in deze bigbag. Uitgaande van 1 sealbag per kilogram heeft [medeverdachte 6] 3 kilogram gebracht. Deze partij wordt vermoedelijk gekocht door de inzittenden van de Belgische Vw Golf [kenteken 1] , die rond 11:48 uur al in de loods arriveerde. Om 13:29 uur wordt door [verdachte] de Ford Mondeo de loods uitgereden, gevolgd door de inzittenden van de Belgische Vw Golf [kenteken 1] . Bij deze transactie zijn aanwezig [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [verdachte] . Later op die dag, omstreeks 15:10 uur, wordt door [verdachte] een bigbag de loods binnengebracht, welke in diens Renault lag. Er werden 6 sealbags a 1 kg hennep geleverd. Deze partij wordt vermoedelijk gekocht door de inzittenden van de Belgische Opel Corsa [kenteken 2] , die rond 13:36 uur arriveerden in de loods en waarbij de bigbag vermoedelijk in de kofferbak van de Corsa gaat. Bij deze transactie zijn aanwezig [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] .
Maandag 4 maart 2019
Op deze dag wordt door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] een kartonnen doos de loods binnengedragen en in de Ford Mondeo van [medeverdachte 6] gelegd. Hierna rijden met deze Ford Mondeo weg, [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] . Van deze doos kon de inhoud niet geduid worden. Gelet op vorenstaande en de wijze waar en waarop deze doos werd overgeladen, kan gesteld worden dat de inhoud zeer waarschijnlijk eveneens verdovende middelen betrof.
(…)
Woensdag 6 maart 2019
Op 6 maart 2019, omstreeks 12:02 uur wordt door de bestuurder van een Audi een bigbag afgeleverd inhoudende sealbags met hennep. Gelet op de telbeweging van [medeverdachte 2] zitten er zes sealbags in deze bigbag, a 1 kg hennep per sealbag is 6 kg aan hennep.
De hennep gaat terug in de bigbag en wordt door [medeverdachte 6] achterin de Ford Mondeo gelegd en door hem buiten op het terrein geparkeerd. Bij deze levering is aanwezig [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] , en [medeverdachte 5] . Voorts werd door [medeverdachte 3] later een bigshopper gebracht inhoudende 2 sealbags a 1 kg. Deze werd getest en gewogen door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] . Nadien werden de 8 sealbags door [verdachte] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] herverpakt in nieuwe strijkzakken en overgeladen in de Renault Clio van [verdachte] , die door [medeverdachte 3] buiten geparkeerd wordt. Deze dag is er 8 kg aan hennep geleverd.
(…)
Maandag 11 maart 2019
Op 11 maart 2019, omstreeks 14:00 uur wordt door [betrokkene 4] hennep gebracht. Onbekend hoeveel doch zichtbaar is in elk geval 1 sealbag. Uitgaande van 1 kg hennep per sealbag is er 1 kg hennep verhandeld.
Aanwezig waren [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [verdachte] .
(…)
Vrijdag 15 maart 2019
(…)
Hennep
Omstreeks 12:59 uur werd door een NN man een Jumbo boodschappentas inhoudende 1 sealbag hennep geleverd a 1 kg.
Hierbij waren aanwezig [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .
Voorts werd omstreeks 14:24 uur door [verdachte] drie (3) strijkzakken, inhoudende 5 sealbags a 1 kilogram hennep gebracht. Deze gaan na het bekijken terug in de Renault van [verdachte] en de loods uit.
Hierbij was aanwezig [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] .
Vermoedelijk is 1 sealbag verkocht aan een in het proces-verbaal omschreven man NN8. Tevens is er een doos inhoudende 3 sealbags vermoedelijk verkocht aan de in het proces-verbaal omschreven man NN5. Dit houdt in dat er van de 5 sealbags er dus 4 verkocht zijn.
(…)
Maandag 18 maart 2019
Op 18 maart 2019, omstreeks 13:45 uur werd door een NN man een kartonnen doos afgeleverd bij de loods bij [medeverdachte 1] . De doos bleek een strijkzak te bevatten met daarin 1 sealbag met hennep. Deze werd bekeken door [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] en herverpakt. Hierna werd de doos achterin de Vw Golf van [medeverdachte 3] gezet en de loods uitgebracht. Omstreeks 15:11 uur werd door [medeverdachte 3] een tweetal strijkzakken inhoudende elk een (1) sealbag de loods ingebracht. De bestuurder van een Belgische Vw Jetta, bekijkt de kwaliteit van de inhoud. De strijkzakken gaan hierna in dozen en terug in de Vw Golf van [medeverdachte 3] , welke in de loods achterbleef.
Hierbij waren [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aanwezig.
(…)
Dinsdag 26 maart 2019
Op 26 maart 2019, omstreeks 12:56 uur werd door de inzittenden van een Vw Caddy een doos afgeleverd inhoudende strijkzakken. In de strijkzakken zitten een 8-tal sealbags. Deze worden bekeken door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 6] . De sealbags worden in een bigbag gestopt, welke in de kofferbak van de Vw Golf van [medeverdachte 3] werd gelegd en uit de loods werd getransporteerd. [medeverdachte 2] overhandigde de inzittenden van de Caddy een plastic tasje. Bij deze transactie werden 8 sealbags afgeleverd a 1 kg. Er werd dus 8 kilogram hennep gebracht. Nadien werd de inhoud van deze bigbag aan een tweetal NN mannen getoond en getest en werd de bigbag overgeladen in de Renault Clio van [verdachte] waarop deze de loods verliet. Vermoedelijk is deze partij verkocht aan de in het proces-verbaal genoemde NN2, zijnde de bestuurder van een Belgische Volkswagen Golf, [kenteken 3] . Aanwezig waren [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 6] .
(…)
Dinsdag 9 april 2019
(…) Omstreeks 13:57 uur komt [medeverdachte 7] terug bij de loods en overhandigd een doos aan [medeverdachte 2] en [verdachte] . De inhoud betreft 2 strijkzakken met daarin een sealbag met hennep. Deze inhoud wordt door [medeverdachte 2] en [verdachte] bekeken en herverpakt. Hierna stopt [verdachte] de twee strijkzakken in een boodschappentas en legt deze in diens auto die buiten geparkeerd staat. Gelet hierop is door [medeverdachte 7] 2 kg hennep geleverd aan [verdachte] en [medeverdachte 2] . Tevens waren [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] aanwezig in de loods.
Woensdag 10 april 2019
Op 10 april 2019, omstreeks 08:00 uur arriveert [medeverdachte 7] bij de loods met diens bestelbus. Uit de laadruimte wordt een doos gepakt; inhoudende 3 strijkzakken. Deze werden door [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] het kantoor in gebracht en kort daarna weer terug in de doos gestopt. Deze doos werd in de loods bij het kantoor neergezet. [medeverdachte 7] vertrekt hierop bij de loods. Korte tijd later arriveert [medeverdachte 6] met de Ford Mondeo en wordt de doos met strijkzakken in de kofferbak van de Ford Mondeo van [medeverdachte 6] gezet en rijdt daarmee weg. Er is door [medeverdachte 7] in ieder geval minimaal 3 kg hennep geleverd. [medeverdachte 2] en [verdachte] arriveren vervolgens bij de loods. Hierop arriveert een inzittende van een Belgische Opel Corsa en wordt een pakketje, vermoedelijk geld, overhandigd aan [medeverdachte 2] waarna deze Belgische Opel Corsa weer de loods uitrijdt. Direct hierop rijdt [medeverdachte 6] de Ford Mondeo weer de loods binnen en word de kartonnen doos overgeladen in de Renault Clio van [verdachte] . [verdachte] zet de doos in de kofferbak en rijdt hiermee de loods uit.
Aanwezig waren hierbij [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] en [verdachte] .
Te 13:35 uur werd door de inzittenden van een Audi A6 een plastic tas met naar later bleek sealbag overhandigd werd aan [medeverdachte 2] en het kantoor inliepen. Kort hierna verlieten zij de loods zonder deze boodschappentas. Deze boodschappentas werd nadien door [verdachte] overgeladen in diens Renault Clio. Er bleek 1 sealbag in deze boodschappentas te zitten. Er is dus door de inzittenden van de Audi A6 1kg hennep geleverd. Aanwezig hierbij waren [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]
Donderdag 11 april 2019
Op 11 april 2019 te 11:24 uur arriveert de bestuurder van voornoemde Audi A6 weer bij de loods. Uit de kofferbak wordt een bigbag gepakt en overhandigd aan [medeverdachte 2] . De bigbag bleek 5 sealbags a 1 kg hennep te bevatten. Er is dus door de bestuurder van de Audi A6 5 kg hennep geleverd. De bigbag is door [medeverdachte 2] daarna in de Citroen van [medeverdachte 3] gelegd en buiten de loods geparkeerd. Later die dag werd de bigbag uit de Citroen overgeladen in de Renault Clio en reed [verdachte] daarmee weg. Hierbij waren aanwezig [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [verdachte] .
Maandag 15 april 2019
Op 15 april 2019 werden de genoemde verdachten aangehouden en werd op verschillende locaties doorzoekingen gehouden. Die dag werd reeds waargenomen dat door [medeverdachte 7] een partij van, naar later bleek, 12 kilogram hennep is afgeleverd. Voorts werd ten tijde van de aanhoudingen en inval een partij van 2 kilogram hennep in beslag genomen. Deze partij werd zojuist geleverd door de inzittende van een Volkswagen Passat.
(…)
Blijkens vorenstaande kan in elk geval gesteld worden dat in de loods aan de [a-straat 1] te [plaats] , in de periode van 21 februari 2019 tot 15 april 2019 is verhandeld een minimaal totaal van 136 kilogram aan hennep, 424 kg aan hasj,
(…)
- Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] d.d. 26 augustus 2019, pagina’s 120 tot en met 122 en 125 tot en met 127
Ik huur de loods aan de [a-straat 1] te [plaats] . Vrienden kwamen daar een hele dag rondhangen. Met vrienden bedoel ik de vrienden die je op de beelden hebt gezien, dat zijn mijn vrienden. [medeverdachte 1] , mijn vriend die altijd bij mij is, meneer [medeverdachte 4] is mijn beste vriend, wij zijn vanaf de geboorte samen, [medeverdachte 2] is mijn vriend, [medeverdachte 6] hoort bij de inboedel, die blowed heel veel, en [verdachte] is ook mijn beste vriend. Die kleine, [betrokkene 1] , was er ook af en toe.
(…)
- Het proces-verbaal van relaas, pagina’s 8 en 9
Op 20 november 2018 omstreeks 13:50 uur werd te [plaats] een Chrysler Grand Voyager met het Belgische [kenteken 4] door de politie gecontroleerd. De bestuurder van dit voertuig bleek een persoon met de Peruaanse nationaliteit te zijn, zijnde:
[betrokkene 2] geboren [geboortedatum] -1976 te [geboorteplaats] . Tijdens het doorzoeken van deze auto werd door de politie een 2-tal professionele verborgen ruimtes aangetroffen. 1 ruimte was aangebracht achter de bestuurdersstoel en 1 ruimte zat in de kofferbakruimte. Deze verborgen ruimtes konden worden geopend middels hydraulische pompen die zich in deze verborgen ruimtes bevonden. Ambtshalve is het bekend dat verborgen ruimtes in voertuigen vaak worden gebruikt voor het vervoer van verdovende middelen, wapens en/of geld. Voorts werd in de auto een Aquarius BQ telefoon aangetroffen. Ambtshalve is het bekend dat deze telefoons gebruik maken van versleutelde communicatie en met name gebruikt worden door criminelen.
In overleg met de Officier van Justitie van het arrondissementsparket Zeeland - West Brabant, mr. J. Schreur is naar aanleiding van bovenstaande informatie besloten om het voertuig te voorzien van een niet-registrerend peilbaken. De locaties waar het voertuig stopte konden sec live worden gevolgd.
Op maandag 26 en dinsdag 27 november 2018 werd waargenomen dat het voertuig geparkeerd stond op de locatie [a-straat 1] te [plaats] . Deze locatie betreft een perceel met een loods op industrieterrein [A] te [plaats] . Hieromtrent wordt nader gerelateerd. Hierna werd op verschillende datums (6-tal malen) gezien dat er diverse voertuigen bij deze loods arriveerden, geparkeerd stonden, danwel vertrokken. De tenaamgestelden, danwel de gebruikers van deze voertuigen en/of de bestuurders hebben allen antecedenten op het gebied van de Opiumwet en zijn nagenoeg allen gezien bij bovengenoemde observaties. Gezien zijn onder andere;
- Gezien werd een Ford Mondeo voorzien van het [kenteken 5] met als bestuurder [medeverdachte 6] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] .1965
- Gezien werd een BMW 1, voorzien van het [kenteken 6] . Nadien werd vastgesteld dat deze in gebruik is bij [medeverdachte 2] , geboren te [geboorteplaats]
- Gezien werd een Volkswagen Polo, voorzien van het [kenteken 7] , tenaamgesteld op [betrokkene 3] , geboren op [geboortedatum] 1953, moeder van [medeverdachte 4] , geboren te [plaats] en [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980.
- Gezien werd een Renault Clio Estate, voorzien van het [kenteken 8] , tenaamgesteld op [verdachte] , geboren te [geboortedatum] .1985 te [geboorteplaats] .
- Gezien werd een Hyundai Atos, voorzien van het [kenteken 9] . Nadien werd vastgesteld dat deze in gebruik is bij [medeverdachte 3] , geboren te [plaats] en [geboorteplaats] op [geboortedatum] .1980.
- [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] 1987 te [plaats] en [geboorteplaats] .
Voorts werden nog diverse andere voertuigen waargenomen welke allen blijkens het politiesysteem te relateren zijn aan hennep(handel). Gedurende de observaties zijn geen personen waargenomen die gekleed waren in kleding die men regulier kan/mag verwachten bij personen die werkzaam zijn bij een autobedrijf.
(…)
- Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 2889:
Op basis van het bekijken van beelden van de periode van 21 februari 2019 tot en met 15 april 2019 kan gesteld worden dat:
- [medeverdachte 3] nagenoeg dagelijks de loods opende tussen ongeveer 08:00 uur en 10:00 uur
- [medeverdachte 6] eveneens nagenoeg dagelijks bij de loods was en kort na [medeverdachte 3] arriveerde
- [medeverdachte 2] eveneens nagenoeg dagelijks aanwezig was bij de loods en veelal omstreeks 10:00 uur arriveerde.
- [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] veelal doende waren in de loods met het roken van sigaretten, opruimen en vegen van de loods, stofzuigen en schoonmaken van hun eigen auto.
- [medeverdachte 2] veelal in het kantoorgedeelte verbleef en alleen uit het kantoor kwam om te praten met leveranciers/afnemers, het bekijken en testen van verdovende middelen, om te bellen en om eten/drinken te halen.
- tussendoor [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [verdachte] en [medeverdachte 5] op verschillende tijden arriveerden bij de loods.
- [medeverdachte 3] vaak de monitor met beelden van de kennelijk door hen zelf geïnstalleerde beveiligingscamera aanzette, kort hierop vaak een leverancier de loods binnen reed de roldeur dan gesloten werd
- er een partij verdovende middelen uitgeladen, bekeken, getest en opnieuw in nieuwe strijkzakken verpakt werd. Deze partijen hierna in het voertuig van [medeverdachte 6] , of [verdachte] of [medeverdachte 3] geladen werd waarna deze auto's de loods verlieten,
- de roldeur hierna weer open bleef staan.
- hierna de loods vaak werd schoongemaakt en luchtverfrisser gespoten werd,
er geen (reparatie)werkzaamheden plaatsvonden aan auto’s, danwel klanten kwamen voor voertuigen, danwel overige goederen.
- de bezoekers van de loods sec mannen betroffen, waarvan nagenoeg alle personen welke geïdentificeerd werden, antecedenten hebben op het gebied van de Opiumwet.
Routine
Op basis van de beelden kon een bepaalde routine worden vastgesteld. Daarbij kan een onderscheid gemaakt worden in de werkwijze bij levering van verdovende middelen en bij het afnemen van verdovende middelen. Daarbij dient vermeld te worden dat deze twee aspecten vaak samengingen. Regelmatig werd er een partij verdovende middelen geleverd en tijdelijk in een voertuig ‘opgeslagen’ en buiten het terrein geparkeerd om nadien weer op dezelfde dag (deels) verkocht te worden.”
2.3
De rechtbank heeft in het vonnis enkele algemene (aan bespreking van de ten laste gelegde feiten voorafgaande) bewijsoverwegingen opgenomen, die blijkens het arrest door het hof zijn bevestigd. [2] Deze overwegingen houden onder meer het volgende in:

Algemeen
(…)
Uit de beschrijving van de camerabeelden komt ook duidelijk het beeld naar voren van een soepele samenwerking tussen de verdachten. Er is sprake van een modus operandi. Op momenten dat een derde de loods betreedt, treden verdachten als groep naar voren waarbij ieder zijn eigen rol vervult. Gezien wordt onder meer dat derden door de aanwezige verdachten worden begroet, de roldeuren worden gesloten, camera’s die zicht hebben op hetgeen buiten de loods plaatsvindt worden aangezet en worden bekeken, handschoenen worden aangedaan en er spullen worden overgeladen van de ene naar de andere auto. Sommige verdachten helpen daar dan bij en anderen staan ernaar te kijken. In wisselende samenstellingen worden handelingen door de verdachten verricht, die ook per moment en per verdachte kunnen variëren.”
“(Mede)plegen
(…)
De rechtbank is van oordeel dat verdachte de strafbare handelingen ten aanzien van de softdrugs pleegde in vereniging met anderen. Er werd dusdanig als groep opgetreden dat dit kan worden geduid als een nauwe en bewuste samenwerking. De verdachten waren in wisselende samenstelling vaak in een loods aanwezig, kennelijk met de bedoeling een bijdrage aan de handel in drugs te leveren. Als groep zijn op veel momenten handelingen verricht: rolluiken gaan dicht, camera’s gaan aan, mensen begroeten elkaar en pakketten worden uitgeladen, de inhoud wordt gekeurd door ruiken en bekijken en - soms na te zijn omgepakt - in een ander voertuig geladen. Op een oppervlakte van slechts enkele vierkante meters, staan verdachten allemaal (en soms letterlijk) met hun neus boven op deze handelingen, die worden verricht voor, tijdens en/of nadat er een derde de loods in komt gereden. De aandacht van alle aanwezigen richt zich op hetgeen er op dat moment in de loods plaatsvindt. Deze feiten en omstandigheden, te zien gedurende de gehele periode van observatie, in onderling verband en in samenhang te zien, vertonen een nauwe samenwerking waarbij men klaarblijkelijk helemaal op elkaar is ingespeeld. Kennelijk was het voor een ieder duidelijk wat er door wie moest gebeuren en werd daar ook naar gehandeld zonder dat hierover overleg ter plaatse nodig was. Het kan niet anders zijn dan dat dit na onderlinge afstemming plaatsvond. Ook wanneer de bijdrage van een verdachte op enig moment enkel bestond uit het op korte afstand toekijken, is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het terugkerende patroon en de genoemde omstandigheden waarbij deze verdachten op andere momenten wel een actieve bijdrage hadden, sprake van een nauwe en bewuste samenwerking en daarmee van medeplegen. Verdachten waren (behoudens die gevallen waarin de rechtbank ten aanzien van en bepaalde verdachte tot vrijspraak komt) met maar één doel samen aanwezig in de loods, namelijk om de handel in drugs soepel te laten verlopen en zij traden als zodanig ook als groep op jegens de andere bezoekers van de loods.
(…)
De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] ook wetenschap had van de aard van de activiteiten die in de loods plaatsvonden en overweegt daartoe het volgende.
Het betreft een feit van algemene bekendheid dat hennep een sterke geur met zich meebrengt. Uit de camerabeelden blijkt dat verdachte in de nabijheid van de pakketten hennep heef gestaan en/of handelingen heeft verricht met betrekking tot deze pakketten. [verdachte] moet een hennepgeur hebben geroken en wist aldus dat er sprake was van handel in hennep. Dat er een sterke geur in de loods aanwezig was, blijkt ook uit de camerabeelden waarop is te zien dat er na een transactie kennelijk luchtverfrisser in de loods werd gespoten, een handeling die kennelijk was bedoeld om de sterke geur in de loods te maskeren.”
2.4
Het hof heeft met betrekking tot de bewezenverklaring van deelneming aan een criminele organisatie als volgt overwogen:
Bewijsoverwegingen
Met betrekking tot het onder parketnummer 02-044465-21 tenlastegelegde
De verdediging heeft, op de gronden als verwoord in de pleitnota, vrijspraak bepleit van deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 11b van de Opiumwet. Deze gronden komen - kort gezegd - op het volgende neer. Niet kan worden bewezen dat sprake was van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur. Als al sprake was van een organisatie, kan niet worden bewezen dat die organisatie als oogmerk had het plegen van drugsdelicten. Bovendien is er geen bewijs dat de verdachte heeft deelgenomen aan die organisatie. De verdachte heeft geen aandeel gehad in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het bedoelde oogmerk en ook het vereiste opzet ontbrak bij de verdachte, aldus de verdediging.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Juridisch kader
Aan de verdachte is tenlastegelegd het deelnemen aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 11b van de Opiumwet (als logische specialis van art. 140 van het Wetboek van Strafrecht). De organisatie had volgens het Openbaar Ministerie als oogmerk, kort gezegd:
- het voorbereiden en/of het in de uitoefening van een bedrijf of beroep opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of telen en/of bereiden en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep en hasj en/of
- het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van cocaïne en/of amfetamine.
Bij de beoordeling van dit feit stelt het hof het volgende voorop.
Eerst moet worden vastgesteld of sprake is van een ‘organisatie’. Onder ‘organisatie’ wordt verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere rechts- dan wel natuurlijk persoon. Daarvoor is niet noodzakelijk dat binnen het samenwerkingsverband gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling hebben bestaan, waaraan individuele leden gebonden waren en waarbij op de deelnemers druk werd, of kon worden, uitgeoefend zich aan die regels te houden. Evenmin is vereist dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Gezagsverhoudingen (hiërarchie), rolverdeling, regels en een onder een gemeenschappelijke naam optreden tegenover derden kunnen sterke aanwijzingen zijn voor een samenwerkingsverband en daarmee een organisatie, maar zijn niet vereist om dit vast te kunnen stellen.
Een organisatie zoals hiervoor bedoeld, wordt pas een criminele organisatie als vast komt te staan dat de organisatie het oogmerk heeft op het plegen van een misdrijf / misdrijven. Daarvoor is van belang dat gekeken wordt naar de misdrijven die in het kader van de organisatie zijn gepleegd en aan het duurzame of gestructureerde karakter van de samenwerking, te weten de planmatigheid of stelselmatigheid van de activiteiten van de deelnemers gericht op het doel van de organisatie. Van belang hierbij is om op te merken dat het oogmerk van de organisatie niet hetzelfde is als het oogmerk van de deelnemer. In het deelnemen aan de organisatie ligt het opzet besloten. De deelnemer moet weten dat de organisatie het oogmerk heeft het plegen van een misdrijf / misdrijven. Niet vereist is dat de deelnemer opzet heeft op de door de organisatie beoogde of gepleegde, concrete misdrijven.
Bij de vraag of sprake is geweest van deelneming aan een criminele organisatie is niet vereist dat vastgesteld wordt dat een verdachte voor alle tenlastegelegde feiten — in het kader van de criminele organisatie — verantwoordelijk is. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van deelneming bij de afzonderlijke de verdachte gaat er om of kan worden vastgesteld:
- of de verdachte - in zijn algemeenheid - wist dat de organisatie het oogmerk had tot het plegen van misdrijven (waarbij voorwaardelijk opzet niet voldoende is) en
- of de verdachte een aandeel heeft gehad c.q. ondersteunende handelingen heeft verricht, gericht op verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.
Bij deze beoordeling speelt een belangrijke, maar geen beslissende rol of een verdachte wordt veroordeeld voor één van de afzonderlijke tenlastegelegde andere feiten in het kader van de criminele organisatie. In dit kader wordt nog opgemerkt dat niet vereist is dat komt vast te staan dat een persoon moet hebben samengewerkt met, althans bekend is geweest met alle andere natuurlijke en rechtspersonen die deel uitmaken c.q. uitmaakten van de organisatie.
Beoordeling
Het hof overweegt, gedeeltelijk overeenkomstig de rechtbank, het volgende.
Naar het oordeel van het hof volgt uit de gebruikte bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, dat er in de periode van 20 november 2018 tot en met 15 april 2019 sprake is geweest van een gestructureerde samenwerking gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, tweede, derde, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet.
Uit de camerabeelden blijkt dat alle zeven in de tenlastelegging genoemde verdachten in de periode van 21 februari 2019 tot en met 15 april 2019 zeer regelmatig, en sommigen zelfs vrijwel dagelijks, aanwezig zijn geweest in de loods aan de [a-straat 1] te [plaats] en dat zij daar, in wisselende samenstellingen, activiteiten hebben verricht die verband houden met de handel in hennep en hasj. Deze activiteiten worden per dag beschreven in de gebruikte bewijsmiddelen. Het gaat dan onder meer om het uit-, in- en/of overladen van hennep en hasj en het keuren en herverpakken ervan.
Voor zover de verdediging heeft betwist dat de verdachte een of meer van dergelijke gedragingen heeft begaan en/of dat hij alleen in de loods kwam om te ‘chillen’ zonder enige betrokkenheid te hebben gehad bij de drugshandel, vindt het zijn weerlegging reeds in de gebruikte bewijsmiddelen, in het bijzonder in de beschrijving van de camerabeelden. Het hof voegt daaraan toe, dat het bovendien niet geloofwaardig is dat als personen bezig zijn met verboden drugshandel in een loods, zij tegelijkertijd anderen toelaten in die ruimte om daar alleen te ‘chillen’. De handel in drugs gaat immers gepaard met grote risico’s voor de betrokkenen, vanwege de geldwaarde van die drugs, de veelal grote contante geldbedragen die in die handel omgaan en de kans op ontdekking door concurrenten of de politie. Om deze risico’s zo klein mogelijk te houden, zullen alleen rechtstreeks betrokkenen tot dit proces worden toegelaten en zullen pottenkijkers die alleen in de loods aanwezig willen zijn om te ‘chillen’ daarbij normaal gesproken niet worden getolereerd.
Uit de bewijsmiddelen komt voorts naar voren dat de handel niet beperkt bleef tot enkele dagen, maar dat sprake was van een komen en gaan van leveranciers en afnemers en een continu proces van ontvangst en levering van partijen drugs, waarbij iedere genoemde verdachte gedurende de gehele periode op vele dagen was betrokken. Gedurende 54 observatiedagen werden enkele tientallen afzonderlijke transacties waargenomen. Hieruit blijkt naar het oordeel van het hof ook de duurzaamheid van de organisatie.
Op de camerabeelden, zoals beschreven in de gebruikte bewijsmiddelen, is te zien dat er bijna dagelijks handelingen werden verricht die te maken hadden met de handel in softdrugs. Weliswaar zijn niet alle waargenomen pakketten afgevangen, maar nu de gedragingen van de verdachte en de medeverdachten met en rond die pakketten steeds vergelijkbaar waren met de gedragingen die zijn waargenomen bij de pakketten die wel zijn afgevangen en waarvan is vastgesteld dat die softdrugs bevatten en ook de verpakkingen van die pakketten telkens min of meer gelijk waren, heeft het hof geen enkele aanleiding om eraan te twijfelen dat al die pakketten telkens hasj of hennep bevatten en dat die gedragingen betrekking hadden op de handel daarin. De verdachte en de medeverdachten hebben ook niet verklaard dat het om iets anders zou gaan dan om hasj of hennep.
Gelet op het bovenstaande stelt het hof vast dat er sprake was van stelselmatige activiteiten met een vaste modus operandi, waarbij alle verdachten, in wisselende samenstellingen, actief waren betrokken met het doel softdrugs te verhandelen. Daarmee staat voor het hof vast dat de handel in softdrugs het oogmerk was van de organisatie.
Met de rechtbank stelt het hof verder vast dat ook de (verlengde) uitvoer van softdrugs tot het oogmerk van de organisatie behoorde. De loods waar de drugs werden verhandeld bevindt zich niet ver van de Belgische grens en gedurende het onderzoek zijn meerdere malen auto’s met Belgische kentekens de loods in- en uitgereden die hennep of hasj kwamen halen of brengen. Enkele malen is een auto met verdovende middelen die de loods had verlaten bovendien op weg naar België onderschept.
Het hof is van oordeel dat de gedragingen met betrekking tot de softdrugs kunnen worden aangemerkt als te zijn begaan in de uitoefening van een beroep of bedrijf, gelet op het grote aantal transacties in een betrekkelijk korte tijd, de hoeveelheid verhandelde drugs, de vaste manier van werken en de mate waarin de verdachten op elkaar waren ingespeeld. Een en ander is duidelijk niet het werk geweest van personen die ‘het erbij deden’, maar van professionals.
Gelet hierop komt het hof tot de conclusie dat het samenwerkingsverband als een organisatie kan worden aangemerkt met een gestructureerd en duurzaam karakter.
Alle verdachten hebben in de tenlastegelegde periode deelgenomen aan deze organisatie. De bijdrage die de verdachte leverde is naar het oordeel van het hof van voldoende intensiteit en duur geweest, waardoor hij kan worden aangemerkt als deelnemer van de organisatie. Het bewijs van het opzet van de verdachte, zowel op de deelname aan de organisatie als op het oogmerk van de organisatie volgt reeds uit de bewijsmiddelen.
Bij het ontbreken van (voor het bewijs bruikbare) verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten omtrent ieders taken en verantwoordelijkheden kan op basis van alleen de camerabeelden een precieze gezagsverhouding en rolverdeling tussen de verdachten naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld. Wel kan worden vastgesteld dat sprake was van een structuur waarbij eenieder wist wat er gedaan moest worden. Samen met de anderen werd er op geroutineerde wijze gezorgd dat de handelingen die op dat moment van hen werden verwacht, werden uitgevoerd. Het hof merkt alle verdachten dan ook aan als deelnemer aan de criminele organisatie.
Wat betreft de tenlastegelegde periode overweegt het hof als volgt. De aanleiding van het onderzoek ‘Verdejo’ is onder andere geweest de controle van een Chrysler Grand Voyager met verborgen ruimtes en met als bestuurder [betrokkene 2] op 20 november 2018. Na het plaatsen van een peilbaken werd dit voertuig op 26 en 27 november 2018 gezien aan de [a-straat 1] te [plaats] . Daarna werden de verdachten in het onderzoek ‘Verdejo’ op verschillende data bij de loods gezien. Tevens is waargenomen dat er auto’s af en aan reden; auto’s en bestuurders die te relateren waren aan hennephandel. Op 8 januari 2019 werd op het adres van voornoemde [betrokkene 2] 38 kilo hennep en 1 kilo hasj aangetroffen.
Het hof stelt op basis hiervan vast dat er vanaf november 2018 gedragingen zijn waargenomen, die vergelijkbaar zijn met de gedragingen zoals die hierboven zijn beschreven en die verband houden met de handel in drugs.
Ondanks dat er niet bij alle waarnemingen sprake is geweest van een ‘afvang’, kan er naar het oordeel van het hof wel worden bewezen dat ook in de periode voorafgaand aan de observatie van de loods in [plaats] , te weten van november 2018 tot en met 21 februari 2019 al sprake was van drugshandel door de criminele organisatie waaraan de verdachte een bijdrage heeft geleverd.
Concluderend acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de tenlastegelegde periode heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, die als oogmerk had het (in de uitoefening van een bedrijf of beroep) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep en hasj.
De gevoerde bewijsverweren worden verworpen.”

3.Het eerste en het tweede middel

3.1
In het eerste middel wordt geklaagd dat de bewezenverklaring ten aanzien van de deelneming aan een criminele organisatie onvoldoende gemotiveerd is. De klacht is – zonder enige nadere specificering – gericht tegen zowel het oordeel van het hof dat sprake is van een gestructureerd samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid als het oordeel dat requirant hieraan heeft deelgenomen. In het verlengde daarvan wordt in het tweede middel de pleegperiode bestreden. Volgens de steller van het middel kan de ten laste gelegde deelneming aan een criminele organisatie in ieder geval niet bewezen worden verklaard ten aanzien van de periode waarvan geen camerabeelden beschikbaar zijn, te weten november 2018 t/m 20 februari 2019. Betoogd wordt dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat er in die periode enige criminele activiteit is verricht die is te koppelen aan de door het hof bewezenverklaarde criminele organisatie zodat de bewezenverklaring in die periode onvoldoende is gemotiveerd. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
3.2
Van een ‘organisatie’ als bedoeld in artikel 140 Sr is sprake als het gaat om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Het kan daarbij gaan om natuurlijke personen en/of rechtspersonen. Van deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 11b Ow (een logische specialis van art. 140 Sr; zodat voor de betekenis van de bestanddelen van artikel 11b Ow aansluiting kan worden gezocht bij het juridisch kader voor art. 140 Sr) kan slechts dan sprake zijn indien de verdachte:
1. behoort tot het samenwerkingsverband en
2. een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. [3]
Het is niet vereist dat vast komt te staan dat de betrokkene heeft samengewerkt met, of in ieder geval bekend is met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de betrokkene op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijker rol vervulden dan de betrokkene. [4] In het bestanddeel deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr ligt tevens een opzetvereiste van de verdachte besloten. Redelijke wetsuitleg brengt volgens de Hoge Raad mee dat voor "deelneming" voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet vereist is dat de verdachte wetenschap heeft van een of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. [5] Ook hoeft de verdachte geen opzet op die concrete misdrijven te hebben. [6] Voor het bewijs van deelneming is niet vereist dat uit de bewijsvoering volgt dat met deelneming is aangevangen op de in de tenlastelegging vermelde aanvangsdatum. [7]
3.3
Het hof heeft bewezen geacht dat er in de periode van 20 november 2018 tot en met 15 april 2019 sprake is geweest van een gestructureerde samenwerking gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in art. 11, lid 2, 3, 4 en 5 Ow. Dit samenwerkingsverband heeft zich beziggehouden met het uitvoeren, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en aanwezig hebben van hennep en hasjiesj. Op basis van de camerabeelden heeft het hof vastgesteld dat alle zeven in de tenlastelegging genoemde verdachten in de periode van 21 februari 2019 tot en met 15 april 2019 zeer regelmatig, en sommigen zelfs vrijwel dagelijks, aanwezig zijn geweest in de loods en dat zij daar, in wisselende samenstellingen, activiteiten hebben verricht die verband houden met de handel in hennep en hasj. Deze activiteiten, die per dag worden beschreven in de gebruikte bewijsmiddelen, zijn onder meer het uit-, in- en/of overladen van hennep en hasj en het keuren en herverpakken ervan. Voor wat betreft de duurzaamheid van de organisatie heeft het hof in aanmerking genomen dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de handel niet beperkt bleef tot enkele dagen maar dat sprake was van een komen en gaan van leveranciers en afnemers en één continu, proces van ontvangst en levering van partijen drugs, waarbij iedere genoemde verdachte gedurende de gehele periode op vele dagen was betrokken. Gedurende 54 observatiedagen werden enkele tientallen afzonderlijke transacties waargenome en er werden bijna dagelijks handelingen verricht die te maken hadden met de handel in softdrugs. Het hof heeft tot slot vastgesteld dat sprake van stelselmatige activiteiten met een vaste modus operandi, waarbij alle verdachten, in wisselende samenstellingen, actief waren betrokken met het doel softdrugs te verhandelen. Hieruit heeft het hof geconcludeerd dat de handel in softdrugs het oogmerk was van de organisatie.
3.4
Het hof heeft vastgesteld dat alle verdachten in de ten laste gelegde periode hebben deelgenomen aan de organisatie. Het hof heeft overwogen dat, bij het ontbreken van (voor het bewijs bruikbare) verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten omtrent ieders taken en verantwoordelijkheden, op basis van alleen de camerabeelden een precieze gezagsverhouding en rolverdeling tussen de verdachten niet kan worden vastgesteld. Wel kan volgens het hof worden vastgesteld dat sprake was van een structuur waarbij eenieder wist wat er gedaan moest worden: samen met de anderen werd er op geroutineerde wijze gezorgd dat de handelingen die op dat moment van hen werden verwacht, werden uitgevoerd. Om deze reden heeft het hof alle verdachten aangemerkt als deelnemer aan de criminele organisatie.
Ten aanzien van de verdachte heeft het hof geoordeeld dat de bijdrage die hij heeft geleverd van voldoende intensiteit en duur is geweest, waardoor hij kan worden aangemerkt als deelnemer van de organisatie. Zijn opzet, zowel op de deelname aan de organisatie als op het oogmerk van de organisatie, volgt volgens het hof reeds uit de bewijsmiddelen. Het door de verdediging gevoerde verweer dat de verdachte de genoemde gedragingen niet heeft verricht en/of dat hij alleen in de loods kwam om te ‘chillen’ zonder enige betrokkenheid te hebben gehad bij de drugshandel, vindt volgens het hof zijn weerlegging reeds in de gebruikte bewijsmiddelen. Het hof heeft daaraan toegevoegd dat het bovendien niet geloofwaardig is dat als personen bezig zijn met verboden drugshandel in een loods, zij tegelijkertijd anderen toelaten in die ruimte om daar alleen te ‘chillen’, omdat de handel in drugs gepaard gaat met grote risico’s voor de betrokkenen, vanwege de geldwaarde van die drugs, de veelal grote contante geldbedragen die in die handel omgaan en de kans op ontdekking door concurrenten of de politie. Om deze risico’s zo klein mogelijk te houden, zullen alleen rechtstreeks betrokkenen tot dit proces worden toegelaten en zullen pottenkijkers die alleen in de loods aanwezig willen zijn om te ‘chillen’ daarbij normaal gesproken niet worden getolereerd, aldus het hof.
Wat betreft de tenlastegelegde periode heeft het hof vastgesteld dat vanaf november 2018 gedragingen zijn waargenomen, die vergelijkbaar zijn met de gedragingen zoals op basis van de camerabeelden is beschreven en die verband houden met de handel in drugs. Het hof heeft dit afgeleid uit waarnemingen die, op verschillende data, in deze periode buiten de loods werden gedaan. Waargenomen is op de eerste plaats dat een op 20 november 2018 gecontroleerde auto met verborgen ruimtes (en nadien voorzien van een peilbaken) op 26 en 27 november 2018 bij de loods aanwezig was. Bij de bestuurder van deze auto is op 8 januari 2019 hennep en hasj aangetroffen. Voorts is op verschillende datums – blijkens de bewijsmiddelen een zestal – waargenomen dat, evenals tijdens de periode waarvan camerabeelden beschikbaar zijn, de verdachte en medeverdachten op diverse momenten bij de loods aanwezig waren en dat auto’s “af en aan reden” die op naam stonden of bestuurd werden door personen die te relateren waren aan hennephandel. Ondanks het feit dat niet bij alle waarnemingen sprake is geweest van een ‘afvang’, kon naar het oordeel van het hof wel worden bewezen dat ook in de periode voorafgaand aan de observatie van de loods in [plaats] , te weten van november 2018 tot en met 21 februari 2019 al sprake was van drugshandel door de criminele organisatie waaraan de verdachte een bijdrage heeft geleverd.
Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt (voorts) dat de verdachte in de ten laste gelegde periode meermaals betrokken of aanwezig was bij het verrichten van de door het hof genoemde activiteiten die verband houden met de handel in hennep en hasj. De verdachte heeft op meerdere momenten strijkzakken en sealbags met hennep (met zijn auto) naar de loods of weg uit de loods vervoerd, strijkzakken en bigbags met hennep in auto’s (over)geladen, geleverde sealbags met hennep aangenomen en de inhoud van sealbags bekeken en/of herverpakt. Hij was daarnaast aanwezig bij diverse transacties, waarbij ik opmerk dat niet van elke transactie tot in de detail is beschreven wie welke handeling heeft verricht. Wel wordt in de bewijsmiddelen op basis van de camerabeelden een bepaalde routine beschreven, die naast het uitladen, bekijken, testen en opnieuw in strijkzakken verpakken en daarna in een auto inladen van partijen softdrugs, ook het openen en sluiten van de roldeur en schoonmaken en ‘zuiveren’ van de loods met behulp van luchtverfrisser omvatte. Daarbij waren drie medeverdachten nagenoeg dagelijks, vanaf een vast tijdstip, aanwezig bij de loods en arriveerden de verdachte en drie andere medeverdachten “tussendoor” en “op verschillende tijdstippen”.
3.5
Het hof heeft op basis van genoemde feiten en omstandigheden niet onbegrijpelijk geoordeeld dat in de periode van 20 november 2018 t/m 15 april 2019 sprake is geweest van een criminele organisatie zoals bedoeld in art. 11b Ow en dat de bijdrage van de verdachte van voldoende intensiteit en duur is geweest, om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van deelneming aan die criminele organisatie. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft gehad in gedragingen dan wel gedragingen heeft ondersteund die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van het samenwerkingsverband. Het oordeel van het hof is, mede in het licht van hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep namens de verdachte is aangevoerd, toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat van de periode voor 21 februari 2019 geen camerabeelden beschikbaar zijn. Op grond van de hierboven vermelden observaties op 20, 26 en 27 november 2018 en verschillende datums hierna, tezamen met het aantreffen van hennep bij de eigenaar van de auto met de verborgen ruimte die op 26 en 27 november aanwezig was, en hetgeen vanaf 21 februari 2019 op grond van camerabeelden is vastgesteld omtrent de activiteiten die binnen het samenwerkingsverband werden uitgevoerd, de werkwijze en de betrokken personen, heeft het hof, mede in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, kunnen oordelen dat de criminele organisatie reeds in de periode voor 21 februari 2019 actief is geweest.
3.6
Zowel het eerst als het tweede middel faalt.

4.Slotsom

4.1
De middelen falen en kunnen met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Het hof heeft het vonnis waarvan beroep vernietigd ten aanzien van de bewezenverklaring en de kwalificatie van het in de zaak met parketnummer 02-044465-21 tenlastegelegde en de opgelegde straf en in zoverre opnieuw recht gedaan. Anders dan de rechtbank, acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de criminele organisatie tevens als oogmerk had het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van cocaïne en/of amfetamine. Het hof heeft voor het overige het vonnis waarvan beroep – met verbetering en aanvulling van gronden – bevestigd.
2.In het arrest is opgenomen dat het hof zich verenigt met het vonnis waarvan beroep en met de gronden waarop dit berust, met inbegrip van de beslissing op het beslag, met verbetering en aanvulling van de gronden, behalve voor wat betreft de bewezenverklaring en de kwalificatie van het onder’ parketnummer 02-044490-21 onder 1 tenlastegelegde en de opgelegde straf.
3.Zie onder meer HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:970, NJ 2022/362, m.nt. N. Jörg en HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264.
4.HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:970, NJ 2022/362, m.nt. N. Jörg, rov. 2.4.3.
5.HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858 (niet gepubliceerd),
6.HR 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651.
7.HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1399, rov. 2.3 en HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3728, rov. 3.4.