ECLI:NL:PHR:2025:1295

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
25/00319
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep tegen veroordeling voor mishandeling met emmer

In deze zaak gaat het om een cassatieberoep van de verdachte, die door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 30 januari 2025 is veroordeeld voor mishandeling. De verdachte heeft een geldboete van € 250 opgelegd gekregen, subsidiair 5 dagen hechtenis. Het cassatieberoep is ingesteld door de advocaat van de verdachte, W.H. Jebbink, die één middel van cassatie heeft voorgesteld. Dit middel bevat vijf deelklachten over de bewijsvoering van het hof. De bewezenverklaring houdt in dat de verdachte op 9 juni 2021 in [plaats] het slachtoffer met een emmer tegen het gezicht heeft geslagen. De advocaat van de verdachte heeft betoogd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de veroordeling, en dat de verklaringen van getuigen en de aangeefster onbetrouwbaar zijn. Het hof heeft echter geoordeeld dat de verklaringen van de aangeefster en de aanwezige letsels voldoende bewijs vormen voor de veroordeling. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, T.N.B.M. Spronken, heeft in zijn conclusie aangegeven dat de tweede deelklacht van het cassatiemiddel terecht is voorgesteld, omdat de bewijsvoering van het hof niet voldoet aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv. De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor herbehandeling van de zaak.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00319
Zitting2 december 2025
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 30 januari 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem (parketnr. 21-002715-22) wegens “mishandeling”, veroordeeld tot een geldboete van € 250 subsidiair 5 dagen hechtenis.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. W.H. Jebbink, advocaat, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
1.3
Het cassatiemiddel bevat vijf deelklachten over de bewijsvoering van het hof. Voorafgaand aan de bespreking van de klachten, geef ik daarom eerst de bewezenverklaring en de bewijsvoering van het hof weer.

2.De bewezenverklaring en de bewijsmiddelen

2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij op 9 juni 2021 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met een emmer tegen het gezicht te slaan.”
2.2
Het hof heeft in de aanvulling op zijn verkorte arrest de volgende bewijsmiddelen opgenomen: [1]
“1. Het proces-verbaal van aangifte van 9 juni 2021, genummerd PL0900-2021180660-2, pagina's 7 t/m 11, inclusief fotobijlagen, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van aangeefster:
Op woensdag 9 juni 2021 omstreeks 12:00 uur bevond ik mij in mijn woning gelegen aan [a-straat 1] te [plaats] . (...) Sinds januari 2021 word ik geterroriseerd door mijn buurvrouw [betrokkene 1] van [a-straat 2] . (...) Ik hoorde een deur en toen wist ik meteen hoe laat het was. [betrokkene 1] is namelijk erg luid en met ferme stappen hoorde ik haar in mijn richting lopen. (...) Met forse kracht pakte zij mijn emmer ik hoorde haar schreeuwen en met luide stem roepen: Dief! Dief! Dit is mijn emmer! Krankzinnige, krankzinnige!" (...) Tijdens dat ik omhoog kwam sloeg [betrokkene 1] mij met kracht tegen de rechterkant van mijn gezicht met mijn emmer. Ik voelde op dat moment direct pijn aan de zijkant van mijn gezicht. Het ging zo snel dat ik geen mogelijkheid kreeg mijn hoofd te beschermen want vervolgens sloeg zij mij met kracht tegen de bovenkant van mijn hoofd, ook met mijn emmer. Ik voelde een enorme pijn waardoor ik nu een hele zware hoofdpijn heb. Daarna kreeg ik de emmer deels in mijn gezicht waardoor ik nu een wondje heb boven mijn bovenlip en waardoor de binnenkant van mijn onderlip kapot is. Tevens heb ik door de klap een zwelling aan de rechterzijde van mijn neus.
2. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 9 juni 2021, genummerd […] , pagina’s 27 t/m 31, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven-:
Ik stond voor mijn keukenraam. Ik keek naar buiten en ik zag dat zij mijn emmer had. Ik dacht heey dat is mijn emmer. Ik ben toen naar buiten gelopen om mijn emmer terug te vragen. Ik wees naar mijn emmer en ik vertelde haar: Heey, dat is mijn emmer.
3. De vaststelling van het hof dat verdachte ook wel wordt aangesproken met de naam [betrokkene 1] .
2.3
De in het verkorte arrest opgenomen ‘Overweging met betrekking tot het bewijs’ van het hof houdt het volgende in:
“Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Daartoe heeft hij allereerst aangevoerd dat de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] moeten worden uitgesloten van het bewijs, omdat het geen onafhankelijke getuigen betreffen. Daarnaast zijn de verklaringen van de getuigen volgens de raadsman onbetrouwbaar en ongeloofwaardig.
Ook de verklaringen van aangeefster zijn volgens de raadsman onbetrouwbaar en ongeloofwaardig en moeten daarom ook van het bewijs worden uitgesloten. Daartoe heeft de raadsman naar voren gebracht dat aangeefster inconsistent heeft verklaard over zowel het letsel dat zij heeft opgelopen als hoe dat is ontstaan.
Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat de door verdachte afgelegde verklaring, inhoudend dat aangeefster verdachte juist heeft geslagen in plaats van andersom, wordt ondersteund door de letselverklaring van de huisarts en de verklaring van [getuige 3] die een verse kras op de rug van verdachte heeft gezien.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Daartoe overweegt het hof in het bijzonder het volgende.
Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de door aangeefster afgelegde verklaringen over het letsel en de wijze waarop dat is ontstaan niet zodanig inconsistent zijn dat ze onbetrouwbaar moeten worden geacht. De verklaring van aangeefster dat zij door verdachte met een emmer tegen het gezicht is geslagen, wordt bovendien ondersteund door het bij aangeefster geconstateerde letsel en door de verklaring van verdachte dat zij naar aangeefster is toegelopen en haar heeft aangesproken over (het gebruik van) de emmer. Het hof zal de verklaring van aangeefster dan ook voor het bewijs gebruiken en concludeert dat verdachte aangeefster op 9 juni 2021 met een emmer tegen het gezicht heeft geslagen.”

3.De tweede deelklacht

3.1
Ik begin met de tweede deelklacht, waarin wordt geklaagd dat de bewijsvoering van het hof niet voldoet aan het bewijsminimum dat voortvloeit uit art. 342 lid 2 Sv (unus testis nullus testis).
3.2
Het volgende kan worden vooropgesteld. Volgens art. 342 lid 2 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat art. 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. Bij de beoordeling in cassatie of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd. [2]
3.3
De klacht is mijns inziens terecht voorgesteld. Het hof heeft in de aanvulling op zijn verkorte arrest drie bewijsmiddelen opgenomen. Het eerste bewijsmiddel betreft een proces-verbaal met de verklaring van de aangeefster, waarin zij onder meer verklaart dat haar buurvrouw “ [betrokkene 1] ” haar met een emmer heeft geslagen. De als bewijsmiddel 3 aangeduide “vaststelling van het hof dat verdachte ook wel wordt aangesproken met de naam [betrokkene 1] ” beschouw ik als een verduidelijking dat het hof (kennelijk op basis van andere stukken) heeft begrepen dat de aangeefster met “ [betrokkene 1] ” de verdachte bedoelt. Aan die “vaststelling” komt verder bij de beoordeling van de unus testis-klacht geen zelfstandige betekenis toe. Daarmee resteert bewijsmiddel 2; een proces-verbaal met de verklaring van de verdachte. Die verklaring bevestigt de verklaring van de aangeefster op het onderdeel dat, zoals het hof overweegt, de verdachte “naar aangeefster is toegelopen en haar heeft aangesproken over (het gebruik van) de emmer.” Anders gezegd, vindt de aanwezigheid van de verdachte ter plaatse, en de situatie waarbinnen volgens de aangeefster de mishandeling plaatsvond, steun in de verklaring van de verdachte. Ik meen dat die verklaring daarmee in dit geval onvoldoende steunbewijs vormt voor de verklaring van de aangeefster dat de verdachte de aangeefster ook met een emmer tegen het gezicht heeft geslagen. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat zo’n bevestiging van de aanwezigheid van de verdachte en van de situatie waarbinnen het vermeende strafbare feit heeft plaatsgevonden, niet zonder meer voldoende steunbewijs oplevert. Gewezen kan worden op de zaak die ten grondslag lag aan HR 14 mei 2024. [3] De verklaring van de verdachte dat hij werkzaam was als masseur in de betreffende massagesalon en hij volgens het klantensysteem op de tenlastegelegde dag de aangeefster een massage had gegeven, bood in die zaak (naast nog ander als zodanig aangemerkt steunbewijs) onvoldoende steun aan de verklaring van de aangeefster dat de verdachte tijdens de massage ontuchtige handelingen bij haar had gepleegd. In de zaak die leidde tot het arrest HR 13 februari 2018 [4] , was de bevestiging van de aanwezigheid van de verdachte in het bijzijn van de minderjarige aangeefster in zijn woning, op een camping en in zijn vakantiehuisje, niet toereikend steunbewijs voor de verklaring van de aangeefster dat de verdachte haar op die specifieke locaties – kort gezegd – seksueel had misbruikt.
3.4
In dit geval reikt de voor het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte niet verder dan dat zij naar buiten is gegaan en tegen de aangeefster heeft gezegd dat het haar emmer was. Zonder bijkomende omstandigheden, biedt deze verklaring naar mijn mening onvoldoende steun aan de verklaring van de aangeefster dat de verdachte haar met de emmer heeft geslagen.
3.5
Ik merk nog op dat het hof in zijn bewijsoverweging heeft overwogen dat de verklaring van de aangeefster ook wordt ondersteund door “het bij de aangeefster geconstateerde letsel”. Voor zover het hof heeft beoogd dit geconstateerde letsel voor het bewijs van het tenlastegelegde te gebruiken, heeft het verzuimd het bewijsmiddel aan te duiden waaraan het hof het bestaan van dit letsel heeft ontleend. [5] Daarmee kan dit (kennelijk) geconstateerde letsel geen rol spelen bij de beoordeling in cassatie of de bewijsvoering van het hof het bewijsminimum in art. 342 lid 2 Sv ontstijgt.

4.Slotsom

4.1
De tweede deelklacht van het middel is terecht voorgesteld. De overige deelklachten behoeven daarom geen bespreking.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Ik merk op dat in de kop van de tweede pagina van de aanvulling op het verkorte arrest, een ander parketnummer is vermeld dan het parketnummer van de onderhavige zaak. Gelet op het inhoudelijk verband tussen de twee pagina’s, ga ik ervan uit dat dit een fout is.
2.Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515 m.nt. M.J. Borgers.
4.ECLI:NL:HR:2018:189, NJ 2018/297 m.nt. N. Rozemond.
5.Vgl. HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5851, NJ 2008/69 m.nt. M.J. Borgers onder NJ 2008/70.