ECLI:NL:PHR:2025:1311

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
23/04403
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging van de opgelegde straf in verband met overschrijding van de redelijke termijn in een drugshandelzaak

In deze zaak is de verdachte, geboren in 1986, betrokken bij drugstransacties waarbij hij wordt beschuldigd van het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. De verdachte was in eerste instantie vrijgesproken door de rechtbank, maar werd later door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte, waarbij drie middelen van cassatie zijn voorgesteld. De verdachte wordt ervan verdacht betrokken te zijn geweest bij de verkoop en aankoop van XTC-pillen, maar hij heeft verklaard dat het om neppillen ging. Het hof heeft de verklaringen van de verdachte en getuigen beoordeeld en geconcludeerd dat er onvoldoende bewijs is voor de stelling dat het om neppillen ging. De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van de getuige onbetrouwbaar zijn, maar het hof heeft deze argumenten verworpen. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de opgelegde straf vanwege overschrijding van de redelijke termijn, maar de overige onderdelen van het beroep worden verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/04403
Zitting2 december 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is – nadat hij in eerste aanleg door de rechtbank van dat feit was vrijgesproken [1] – bij arrest van 30 oktober 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20002900-22) [2] wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van voorarrest.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en W.B.M. Bos, advocaat in Oud‑Beijerland, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

2.De zaak in het kort

2.1
De verdachte wordt ervan verdacht betrokken te zijn geweest bij drie drugstransacties: de verkoop van 20.000 XTC-pillen op 3 augustus 2020, de aankoop van 15.000 XTC-pillen op 27 augustus 2020 en de aankoop van 9.000 XTC-pillen op 21 september 2020. Deze verdenking is ontstaan naar aanleiding van een groot aantal door de politie ontsleutelde chatberichten. Het hof heeft vastgesteld dat een deel van die berichten een chatgesprek betreft tussen de verdachte en [getuige] over de aankoop van XTC-pillen door de verdachte. De verdachte heeft daarover verklaard dat het, net als bij de andere transacties, ging om neppillen. [getuige] heeft in eerste instantie verklaard dat het ging om ‘echte’ XTCpillen. Nadat hij door de rechtercommissaris echter werd geconfronteerd met de verklaring van de verdachte dat het om neppillen ging, verklaarde hij datzelfde.
2.2
Middel 1 en 2 hebben betrekking op dit alternatieve scenario van de verdachte en op de wijze waarop het hof is omgegaan met de gewijzigde verklaring van [getuige] . Middel 3 richt zich tegen het oordeel van het hof over de omvang van het hoger beroep.

3.Het eerste en tweede middel

3.1
Het eerste middel klaagt, althans zo begrijp ik, dat het hof ongemotiveerd is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudende dat de (belastende) verklaringen van de [getuige] wegens onbetrouwbaarheid niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Het tweede middel klaagt dat het hof ongemotiveerd voorbij is gegaan aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de prijzen waarover in de ontsleutelde berichten wordt gesproken, maken dat van ‘echte’ XTC-pillen geen sprake kan zijn. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
3.2
De steller van het middel wijst met betrekking tot de in het middel genoemde verweren op de volgende passages uit de ter terechtzitting in hoger beroep van 16 oktober 2023 door de raadsman voorgedragen pleitnota:
“ [verdachte] is niet meer specifiek bevraagd omtrent de 2 andere transacties maar heeft aangegeven dat het ook daar om nep pillen ging.
Ten aanzien van transactie A geldt dat er in de Sky chat gesproken wordt over een productieprijs of inkoopprijs van de verkoper van 8 cent per pil. De voorgestelde prijs voor de transactie is 14 cent per pil en de voorgestelde doorverkoopprijs 18 cent per pil.
Voor transactie B wordt gesproken over een prijs van 17 cent per pil.
Voor transactie C wordt gesproken over een prijs van 20/21/22 cent per pil.
De Nationale Drugs Monitor gaat uit van een verkoopprijs van XTC van € 4,30 per pil.
Over de inkoopprijzen van XTC zijn nauwelijks gegevens beschikbaar in de openbare bronnen. De rechtbank Gelderland heeft in haar uitspraak d.d. 7 december 2020 (ECLI:NL:RBGEL:2020:7075) aansluiting gezocht bij de lijst "Drugsprijzen 2018" en komt op een inkoopprijs van € 0,45 cent per pil.
De verdediging stelt dan ook vast dat behalve een gebrek aan ondersteunend bewijs de in de chats gebruikte prijzen (5,14,17,18,20,21,22 cent) fors verschillen van de reguliere inkoopprijs (€ 0,45) zodat het er alle schijn van heeft dat als er al iets gekocht of verkocht is, dit zeker geen XTC is geweest.
Over transactie B is voorts nog een getuige gehoord, [getuige] . Hij is geïdentificeerd als de verkopende partij. Hij verklaart bij de rechter-commissaris ook dat het ging om neppillen. Als hij wordt geconfronteerd wordt met de prijs van € 0,17 per pil geeft ook hij aan dat dit wel erg weinig is voor een pil.
Het is ten aanzien van deze feiten niet aan cliënt om aan te tonen dat hij neppillen heeft gekocht of verkocht. Het O.M. zal middels wettig en overtuigend bewijs aan moeten tonen dat cliënt middelen heeft gekocht of verkocht die strafbaar zijn gesteld middels lijst 1 van de Opiumwet. Het dossier bevat niet meer dat de Sky gesprekken in samenhang met zijn verklaring en de verklaring van [getuige] . Het door cliënt geschetste alternatieve scenario past beter in de het dossier als gekeken wordt naar de prijzen en de verklaring van [getuige] . Het dossier sluit dat alternatieve scenario in ieder geval niet uit.
De conclusie is dan ook dat het wettig en overtuigend bewijs voor feit 1 ontbreekt en ik verzoek u cliënt van dat feit vrij te spreken, zoals de rechtbank dat eerder deed.
Bij appelschriftuur heeft het O.M. aangegeven dat de prijzen niet ongewoon zijn voor partijen van een dergelijke omvang. Dit blijkt echter nergens uit en het O.M. toont dat ook niet aan. Zoals aangegeven is de verdediging van mening dat de prijs van de pillen ongewoon laag is wat duidt op neppillen in plaats van XTC.
(…)
Daarnaast vindt het O.M. de verklaring van [getuige] bij de RC ongeloofwaardig.
Als het O.M. meende dat hij daar loog, waarom is er dan geen PV meineed verzocht?
Het feit dat cliënt verklaart heeft dat de verkoper hem heeft verteld dat het neppillen waren en [getuige] daar anders over verklaart neemt niet weg dat beiden verklaren dat het om neppillen is gegaan.”
3.3
Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen:
“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat het hof de verdachte dient vrij te spreken van het tenlastegelegde. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman aangevoerd dat de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen niet leiden tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat het in onderhavige zaak om stoffen gaat die vallen onder de Opiumwet; het gaat om neppillen en niet om XTC-pillen, bevattende MDMA.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Nadat de verdachte op 22 maart 2022 is aangehouden en zich in voorarrest bevond, heeft hij zich eerst beroepen op zijn zwijgrecht en na sluiting van het einddossier op 21 juni 2022 ten overstaan van de politie een inhoudelijke verklaring afgelegd ter zake van de verdenking van de politie van 3 drugstransacties. Die verdenking was gebaseerd op encrypted berichten waarover de politie de beschikking had gekregen. De berichten zijn ontsleuteld en de verdachte kwam daarbij in beeld als gebruiker van [Sky-account nummer 1] . De verdenking waarmee hij vervolgens door de politie werd geconfronteerd kwam kort gezegd erop neer dat de verdachte 20.000 XTC-tabletten had verkocht op 3 augustus 2020, 15.000 XTCtabletten had aangekocht op 27 augustus 2020, en 9.000 XTC-tabletten had aangekocht op 21 september 2020.
De verdachte verklaarde op 21 juni 2022 dat de 20.000 pillen neppillen, placebo’s, betroffen; deze heeft de verdachte verkocht voor 8 eurocent op dezelfde dag van de aankoop, op 3 augustus 2020. Dat het neppillen waren, geldt ook voor de andere pillen. De verdachte wist al dat dit neppillen waren, toen hij deze aankocht, omdat degene die deze pillen aanbood dat de verdachte had verteld. Er zat volgens de verdachte niks in de pillen, er zat slagpoeder in en geen XTC. De verdachte heeft vervolgens het complete bedrag aan zijn koper moeten terugbetalen. Die koper was namelijk boos, omdat hij nepspullen van de verdachte had gekregen. De verdachte heeft niet vaker zaken gedaan met degene aan wie hij het had verkocht. Ook met degene bij wie hij de pillen had ingekocht heeft de verdachte geen zaken meer gedaan. De verdachte heeft aan alle drie de kopers het geld teruggegeven.
Ter terechtzitting in eerste aanleg op 22 november 2022 heeft de verdachte ten overstaan van de rechtbank verklaard dat hij drie mensen heeft opgelicht met neppillen. De verdachte zou dit hebben gedaan om dat hij geld tekort kwam, hij had geen inkomen en ondervond financiële problemen. De verdachte verklaarde voorts dat het klopt dat hij aanvankelijk de pillen niet had gekocht als neppillen, maar dat het later neppillen bleken te zijn, waarna de verdachte nog een keer neppillen heeft aangekocht. De verdachte ging er aanvankelijk van uit dat het om XTC-pillen ging. Hij wist pas kort na de transactie dat het neppillen waren. De verdachte wist dit niet van de persoon van wie hij de pillen had gekocht. Geconfronteerd met zijn verklaring bij de politie, verklaarde de verdachte “ik durf nu niet meer te zeggen of ik het wist van de verkoper”.
Ter terechtzitting in hoger beroep op 16 oktober 2023 heeft de verdachte ten overstaan van het hof herhaald dat hij inderdaad bij drie transacties pillen heeft ingekocht en verkocht, maar het waren geen XTC-pillen, maar steeds neppillen. Het is volgens de verdachte ook bij alleen die drie tansacties gebleven. Waar in een chatgesprek over milligrammen werd gesproken, was dit spreektaal voor de sterkte van de pillen. Hierover had de verdachte dan contact met zijn verkoper, omdat hij dat van de klant moest vragen. Zo kon de verdachte dan een screenshot van het chatgesprek tussen de verdachte en de verkoper aan de koper laten zien. Voor wat betreft de in het aanvullende proces-verbaal weergegeven chatgesprekken die niet zien op de data van de drie transacties wil de verdachte in hoger beroep geen vragen beantwoorden, omdat die gesprekken volgens de verdachte niet zien op de drie transacties die ter beoordeling aan het hof voorliggen.
Het hof stelt in de eerste plaats vast dat de verdachte pas na sluiting van het onderhavige einddossier en daarmee na kennisneming van de inhoud van hetgeen de politie aan bewijs tegen hem had verzameld, is gekomen met een verklaring dat hij bij drie gelegenheden neppillen had ingekocht en verkocht. Ook ten overstaan van de rechtbank en het hof heeft de verdachte verklaard en herhaald dat het om neppillen ging, niet om XTC-pillen. Op een cruciaal onderdeel ter zake van de hem gemaakte verwijten onder feit 1 heeft de verdachte evenwel inconsistent verklaard. Waar hij in zijn eerste verklaring bij de politie verklaarde dat hij wist dat hij neppillen kocht bij de eerste transactie van 20.000 pillen, verklaarde hij bij de rechtbank eerst dat hij aanvankelijk ervan uitging dat hij 20.000 (
hof: echte) XTC-pillen had gekocht, maar dat hij er pas na de aankoop achter was gekomen dat het om neppillen ging. Ter terechtzitting van het hof heeft de verdachte verklaard dat het hem van meet af aan duidelijk was dat hem neppillen werden aangeboden, die hij vervolgens als echte XTC-pillen heeft verkocht.
Voorts stelt het hof vast dat de verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij niet vaker zaken heeft gedaan met diegene bij wie hij die neppillen heeft gekocht, noch met zijn afnemers/kopers die hij deze neppillen had verkocht. Op basis van het einddossier zoals dat op dat moment voorlag, viel op die verklaring van de verdachte dat hij eenmalig contact met hen had gehad weinig af te dingen. Echter, een nieuwe zoekslag in de onderschepte encrypted berichten waaraan de verdachte deelnam gaf de politie inzage in nieuwe chatgesprekken tussen de verdachte en zijn drie contacten (Sky-account gebruikers [Sky-account nummer 3] , [Sky-account nummer 2] en [Sky-account nummer 4] ). Uit deze nieuwe berichten die in hoger beroep aan het dossier zijn toegevoegd blijkt het hof dat de verdachte wel nog zaken heeft gedaan met deze contacten na de drie eerdere transacties en zelfs dat hij voordien al zaken had gedaan met een van hen. Daarbij ging het wederom om pillen. Zo heeft de verdachte met de koper van de 20.000 pillen ( [Sky-account nummer 3] ) op 21 en 22 oktober 2020 nog zaken gedaan (zie tabel 7). Ook met [Sky-account nummer 2] is het zaken doen niet gestopt na de aankoop op 26/27 augustus 2020 van de 15.000 pillen door de verdachte, daar op 26 en 28 september 2020 wederom druk tussen beiden is gechat, onder meer over het bijna zijn op de plek van de ‘snoep’ (zie tabellen 8 en 9). En tot slot is ook de verkoper van de 9.000 pillen ( [Sky-account nummer 4] ) op 21 september 2020 met de verdachte zaken blijven doen, zoals op 30 september, 8 en 10 oktober 2020 (tabellen 13, 12 en 14), maar dat niet alleen, want zij hadden al voorafgaand aan die transactie in september op 24 juli 2020 (zie tabel 11) druk over en weer chat-contact over pillen.
Naast de geconstateerde inconsistentie die de geloofwaardigheid van verdachtes verklaring dat het om neppillen ging, aantast, draagt ook de vaststelling dat verdachte zaken is blijven doen met dezelfde contacten, terwijl hij zulks eerder heeft ontkend, niet bij aan zijn geloofwaardigheid dat het bij die drie transacties om neppillen zou zijn gegaan. Daar komen nog bij de volgende feiten en omstandigheden die het hof leiden tot de conclusie dat de verklaring van de verdachte dat het ging om neppillen als niet geloofwaardig terzijde dient te worden geschoven.
Uit geen van de door de politie aangetroffen en onderzochte chatberichten blijkt dat gesproken is over neppillen of placebo’s of iets van dien aard, terwijl indien en voor zover er sprake zou zijn geweest van neppillen, placebo’s, het naar het oordeel van het hof voor de hand gelegen dat daarover wel was gecommuniceerd tussen de verdachte en zijn verkopers en/of kopers, in ieder geval voor zover deze ervan wisten. Het hof stelt daarentegen vast dat in de aangetroffen chatberichten wordt gesproken over de sterkte van de pillen - zoals ‘200 mlg’ -, hetgeen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep ook heeft bevestigd. Hoewel de verdachte daaraan een uitleg heeft proberen te geven, gaat deze naar het oordeel van het hof mank, daar in de chatgesprekken ook wordt gesproken over het testen van pillen door de koper/afnemers van de verdachte of zelfs een klant van de koper. In dat verband verdient bijvoorbeeld de transactie van 3 augustus 2020 bijzondere aandacht. De verdachte heeft die transactie immers uitgelegd, alsof hij bij die gelegenheid de eerste keer 20.000 neppillen had doorverkocht en dat diezelfde dag de koper zich bij hem zou hebben beklaagd, waarop hij het aankoopbedrag volledig zou hebben terugbetaald. Deze verklaring strookt in het geheel niet met het laatstelijk door de politie ontsleutelde chatbericht ter zake van deze transactie, waarin de verdachte van zijn [Sky-account nummer 3] op 3 augustus 2020 om 16:23:28 te horen kreeg ‘Heb hem tester gegeven goedgekeurd’, waarna de verkoop door de verdachte aan zijn contact is doorgezet zoals volgt uit de weergave van de daaropvolgende chatgesprekken rondom die transactie in tabel 1. Geen neppillen aldus, want een monster was door de klant goedgekeurd. En wat de sterkte van de pillen dan wel de werkzame stof in die pillen betreft, stond dit chatgesprek niet op zichzelf. Het hof stelt vast dat het daarover ging bij herhaling. Dit blijkt niet alleen uit de chatgesprekken die aan het bewezenverklaarde zijn te relateren, maar ook uit die van voor die tijd en van daarna met dezelfde contacten. Steeds gaat het daarbij om de handel in hoeveelheden pillen en de werkzame stof MDMA, hetgeen bijdraagt aan het bewijs dat het ook bij de bewezenverklaarde drie transacties ging om XTC-pillen. En ten slotte is het [getuige] ( [Sky-account nummer 2] ) die bij herhaling, zowel ten overstaan van de politie als verdachte in zijn eigen zaak, evenals als getuige in de onderhavige zaak, heeft verklaard dat het om XTC-pillen ging die hij aan de verdachte verkocht en leverde op 26/27 augustus 2020, door [getuige] ‘snoepers’ genoemd. Redenen om aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring te twijfelen, acht het hof niet aanwezig.
Dit alles leidt het hof ertoe dat het alternatiefscenario dat behelst dat de verdachte slechts het verwijt treft dat hij tot drie keer toe een transactie is aangegaan waarbij hij neppillen heeft gekocht of verkocht, geenszins aannemelijk is geworden. De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan en dat het steeds ging om XTC-pillen met de werkzame verboden stof MDMA zoals vermeld op lijst I van de Opiumwet, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven weergegeven bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.”
3.4
In de onder 3.2 geciteerde pleitnotities lees ik – alleen al omdat een dergelijke conclusie daarin ontbreekt – geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat ertoe strekt enige verklaring van [getuige] van het bewijs uit te sluiten. Het hof heeft hetgeen door de verdediging is aangevoerd kennelijk en bepaald niet onbegrijpelijk opgevat als een tot vrijspraak strekkend verweer, waarbij een alternatief scenario is ingeroepen en waarbij de in het tweede middel genoemde prijzen zijn aangehaald ter nadere motivering van dat verweer. Met de onder 3.3 weergegeven overwegingen heeft het hof vervolgens uitgebreid gemotiveerd waarom het aan dat verweer voorbijgaat. Van een schending van de in art. 359 lid 2 Sv neergelegde motiveringsplicht kan dan ook geen sprake zijn. Daarbij teken ik aan dat het hof niet gehouden was om op elk detail van de argumentatie in te gaan.
3.5
Voor zover in de toelichting op het eerste middel nog wordt aangevoerd dat “indien en voor zover het Gerechtshof had willen oordelen dat zij meer waarde hechten aan de belastende verklaring van [getuige] (…) dan aan de inhoud van de vervolgens afgelegde verklaring dat het om neppillen ging (…), was het Gerechtshof gehouden deze beslissing te motiveren”, miskent het de aan de feitenrechter voorbehouden vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal.
3.6
Beide middelen falen.

4.Het derde middel

4.1
Het middel klaagt dat het hof ten onrechte niet tot één hoofdstraf is gekomen voor de feiten 1 en 2 gezamenlijk. In plaats daarvan heeft het hof het vonnis in eerste aanleg “in twee stukken opgedeeld”, waardoor sprake zou zijn van “een executie van feit 1 en daarnaast een losstaande executie van feit 2”. Dat heeft volgens de steller van het middel tot gevolg dat de verdachte twee maanden later in aanmerking komt voor een voorwaardelijke invrijheidsstelling dan het geval zou zijn geweest als het hof de feiten 1 en 2 niet had opgesplitst.
4.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Aan de verdachte was een tweetal (Opiumwet)feiten ten laste gelegd. De rechtbank heeft de verdachte bij vonnis van 6 december 2022 vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit; voor het onder 2 ten laste gelegde feit heeft zij de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Het Openbaar Ministerie heeft op 20 december 2022 onbeperkt hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Dat hoger beroep heeft zij op 4 oktober 2023 partieel ingetrokken voor zover dat was gericht tegen de veroordeling voor feit 2.
4.3
Het bestreden arrest houdt over de omvang van het hoger beroep het volgende in:

Omvang van het hoger beroep
Bij appelakte van 20 december 2022 is door de officier van justitie in het arrondissement Zeeland-West-Brabant onbeperkt hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 6 december 2022.
Bij akte van 4 oktober 2023 heeft de officier van justitie in het arrondissement Zeeland-West-Brabant het hoger beroep partieel ingetrokken, namelijk voor zover het hoger beroep mede is ingesteld tegen feit 2. Daarmee is het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep uitdrukkelijk beperkt tot de vrijspraak van het aan de verdachte onder feit 1 tenlastegelegde.
Als gevolg van het partieel intrekken van het hoger beroep is de veroordeling ter zake van feit 2 onherroepelijk geworden op het moment dat het hoger beroep daartegen werd ingetrokken, te weten op 4 oktober 2023. Dat betekent dat daarmee de bij vonnis van 6 december 2022 opgelegde straffen en maatregelen vanaf 4 oktober 2023 onherroepelijk zijn.
(…)
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen, te weten feit 1.”
4.4
Het middel richt zich in het bijzonder tegen de overweging van het hof dat “als gevolg van het partieel intrekken van het hoger beroep de veroordeling ter zake van feit 2 onherroepelijk [is] geworden op het moment dat het hoger beroep daartegen werd ingetrokken” en dat dit betekent dat “de bij vonnis van 6 december 2022 opgelegde straffen en maatregelen vanaf 4 oktober 2023 onherroepelijk zijn.” Volgens de steller van het middel is deze door het hof toegepaste opsplitsing “in strijd met het recht en de wet”. Waarom dat het geval zou zijn vermag ik geenszins in te zien en wordt door de steller van het middel ook niet nader toegelicht.
4.5
Ik merk daarbij nog op dat de jurisprudentie waarnaar in de toelichting wordt verwezen betrekking heeft op gevallen, als bedoeld in art. 423 lid 4 Sv, waarin bij samenloop van meerdere feiten door de rechtbank één hoofdstraf is uitgesproken, zodat – indien hoger beroep wordt ingesteld tegen slechts een deel van die feiten – onbepaald is gebleven welk deel van die straf betrekking heeft op het deel van de feiten dat niet aan het oordeel van het hof onderworpen is en in zoverre onherroepelijk is opgelegd. In de onderhavige zaak is van een dergelijke onbepaaldheid geen sprake, nu de rechtbank de verdachte heeft vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit. De bij vonnis van 6 december 2022 aan de verdachte opgelegde straf had daarmee per definitie uitsluitend betrekking op (het overgebleven) feit 2 en deze straf is onherroepelijk geworden doordat daartegen uiteindelijk geen hoger beroep is ingesteld..
4.6
Het door de steller van het middel ingenomen standpunt dat “een losstaande executie van feit 2” nadelige gevolgen heeft voor de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidsstelling, maakt dit op zichzelf niet anders. In veel gevallen zal overigens het bepaalde in art. 6:2:6 Sv hiervoor een oplossing bieden. Dat artikel bepaalt immers dat “indien de veroordeelde meer dan één straf achtereenvolgens moet ondergaan, deze straffen zo enigszins mogelijk aaneensluitend ten uitvoer [worden] gelegd” en dat “in het geval meerdere straffen aaneensluitend ten uitvoer worden gelegd, geheel onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen vrijheidsstraffen gezamenlijk (…) als één vrijheidsstraf [worden] aangemerkt voor de toepassing van artikel 6:2:10 [de regeling van de voorwaardelijke invrijheidsstelling, MvW].”
4.7
Het middel faalt.

5.Afronding

5.1
Alle middelen falen en het derde middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 Wet RO ontleende motivering.
5.2
Ambtshalve merk ik op dat sinds het instellen van het cassatieberoep op 13 november 2023 tot aan deze conclusie meer dan twee jaren zijn verstreken, zodat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in cassatie is overschreden. De Hoge Raad zal met deze overschrijding rekening dienen te houden.
5.3
Verder heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 6 december 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:7249.