ECLI:NL:PHR:2025:1323

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
23/03438
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep tegen veroordeling voor bedreiging met brandstichting aan medewerkers van het Kabinet Gevolmachtigde Minister van Curaçao

In deze zaak gaat het om een cassatieberoep van de verdachte, die door het gerechtshof Den Haag op 22 augustus 2023 is veroordeeld voor bedreiging met brandstichting. De verdachte heeft een gevangenisstraf van zeventien dagen gekregen, waarvan veertien voorwaardelijk, en een proeftijd van twee jaren. Daarnaast is er een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte, vertegenwoordigd door advocaat J.Y. Taekema, die één middel van cassatie heeft voorgesteld. Het middel stelt dat niet is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, omdat de bewijsmiddelen onvoldoende steun bieden voor de telefonisch geuite bedreiging door de verdachte aan twee medewerkers van het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Curaçao.

De bedreiging vond plaats op 11 mei 2022, waarbij de verdachte dreigend heeft verklaard: "Ik ga jullie gebouw in de fik steken". De bewezenverklaring steunt op drie bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van getuigen en een proces-verbaal van aangifte. Het hof heeft in zijn arrest geen nadere bewijsoverweging gegeven, waardoor het impliciete oordeel dat aan het bewijsminimum is voldaan, niet zonder meer begrijpelijk is. De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het middel slaagt en dat de uitspraak van het hof moet worden vernietigd en de zaak moet worden terugverwezen naar het gerechtshof Den Haag voor herbehandeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/03438
Zitting9 december 2025
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 22 augustus 2023 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-002880-22) wegens “bedreiging met brandstichting” veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeventien dagen, waarvan veertien voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd en beslist over de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte. De advocaat J.Y. Taekema heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel klaagt in de kern dat niet is voldaan aan het bewijsminimum van art. 342 lid 2 Sv omdat de bewijsmiddelen onvoldoende steunbewijs bevatten voor de door [getuige 1] telefonisch vernomen bedreiging.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 11 mei 2022 te ’s-Gravenhage [getuige 1] en [getuige 2] van het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Curaçao heeft bedreigd met brandstichting, door die [getuige 1] en [getuige 2] dreigend de woorden toe te voegen “Ik ga jullie gebouw in de fik steken”.
2.3
Deze bewezenverklaring steunt op drie bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het arrest:

1. Een proces-verbaal van aangifted.d. van 13 mei 2023 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2022135905-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 3-4):
als de op 12 mei 2022 afgelegde verklaring van [getuige 2] :
Ik ben werkzaam als Minister bij het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Curaçao. Op 11 mei 2022 heeft zich een incident voorgedaan bij ons Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Curaçao te ‘s-Gravenhage.
De telefoon bij onze receptioniste ging. De receptioniste heeft in het verleden het telefoonnummer en de naam van de man opgeslagen. De man blijkt te zijn genaamd, [verdachte] . Tijdens het telefoongesprek zei de man tegen de receptioniste, “Ik ga jullie gebouw in de fik steken.”
2. Een proces-verbaal van verhoorvan getuige d.d. 12 mei 2022 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2022135905-4. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 17-18):
als de op 12 mei 2022 afgelegde verklaring van [getuige 1] :
Ik ben als telefoniste/receptioniste werkzaam bij het Kabinet van de gevolmachtigde Minister van Curaçao.
Op 11 mei 2022 zag ik dat [verdachte] zich bij de toegangsdeur van het Kabinet ophield.
Even later werd ik door hem gebeld. Ik hoorde [verdachte] zeggen: “Ik ga jullie gebouw in de fik steken.”
3. Een proces-verbaal van bevindingend.d. 13 mei 2022 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2022135905-10. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergeven – opgemaakt op 13 mei 2022 – (blz. 27):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 11 mei ging de telefoon bij de receptioniste van het Kabinet van De Gevolmachtigde Minister van Curaçao. Het telefoonnummer waarmee werd gebeld staat door de receptioniste opgeslagen onder de naam [verdachte] .
Tijdens de aanhouding is de telefoon van [verdachte] in beslag genomen. Ik heb het bovengenoemde telefoonnummer anoniem gebeld. Ik zag en hoorde dat de in beslag genomen telefoon van [verdachte] over ging.
2.4
Het arrest van het hof bevat geen nadere bewijsoverweging. Het hof heeft slechts overwogen dat het de bewezenverklaring heeft gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De motivering van het kennelijke oordeel van het hof dat aan het bewijsminimum van art. 342 lid 2 Sv is voldaan, moet dus worden gedestilleerd uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen.
2.5
Art. 342 lid 2 Sv formuleert een bewijsminimumregel die strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing. Volgens die bepaling kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Als de feiten en omstandigheden uit de verklaring van die ene getuige op zichzelf staan en onvoldoende worden ondersteund door ander bewijsmateriaal, verbiedt art. 342 lid 2 Sv dat de rechter tot een bewezenverklaring komt. Een belangrijke relativering van dit vereiste is dat het de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan. [1] Algemene regels voor de beantwoording van de vraag of aan het bewijsminimum is voldaan zijn volgens de Hoge Raad niet te geven en hangen samen met de concrete omstandigheden van het geval. Voor de toets in cassatie kan het volgens de Hoge Raad van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel nader heeft gemotiveerd. [2]
2.6
Hoewel de rechtspraak casuïstisch is, kan hieruit wel worden afgeleid dat er een voldoende duidelijk en specifiek verband moet zijn tussen de verklaring van de (enige) getuige en het steunbewijs. De concrete punten waarop de verklaring van de getuige steun vindt in andere bewijsmiddelen moeten in de context van die verklaring over de ten laste gelegde gedraging als wezenlijk kunnen worden aangemerkt. Dit kan geïllustreerd worden aan de hand van een aantal voorbeelden, waarin het steunbewijs volgens de Hoge Raad in het ene geval wel en in de andere twee gevallen niet voldoende wezenlijk was.
2.7
In HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1095 had de aangeefster verklaard dat zij over een langere periode was misbruikt door haar vader en had zij tevens verklaard dat de verdachte altijd drie zakdoeken gebruikte, dat die door verdachte uitgespreid werden neergelegd en werden gebruikt voor het afvegen van zaad. Die verklaring over de handelswijze van de verdachte vond steun in de verklaring van de moeder van de aangeefster, die had verklaard dat het tussen haar en de verdachte (haar ex-echtgenoot) ook op die manier met drie zakdoeken ging. De verklaring van de moeder stond volgens de Hoge Raad daarmee niet in een te ver verwijderd verband met de verklaring van de aangeefster omdat het een zeer specifiek onderdeel van de handelwijze van de verdachte bij seksuele gedragingen betrof. Het concrete punt waarop de verklaring van de aangeefster steun vond in de verklaring van haar moeder was daarom voldoende wezenlijk om als steunbewijs te worden aangemerkt. [3]
2.8
Dat was anders in HR 13 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:189. In die zaak had de aangeefster verklaard over seksueel misbruik door een collega en vriend van haar vader. De bewijsmiddelen die door het hof als voldoende specifiek steunbewijs werden aangemerkt, bestonden uit verklaringen van de ouders van de aangeefster dat zij in de betreffende periode op verschillende plekken en momenten bij de verdachte had gelogeerd, een verklaring van de verdachte zelf dat hij daarbij inderdaad aanwezig was geweest en een verklaring van de dochter van de verdachte dat haar vader “vrij dwingend” was. De Hoge Raad casseerde. De door het hof in aanmerking genomen aanwezigheid van de verdachte in het bijzijn van de aangeefster en de weinig specifieke verklaring van de dochter van de verdachte konden het oordeel niet dragen dat de feiten en omstandigheden betreffende het misbruik uit de verklaring van de aangeefster voldoende steun vonden in ander bewijsmateriaal. [4]
2.9
Uit dit arrest kan worden afgeleid dat een bevestiging van de aanwezigheid van de verdachte ten tijde van ten laste gelegde gedraging – of, anders gezegd, bevestiging van de context waarbinnen de ten laste gelegde gedraging heeft plaatsgevonden – niet zonder meer voldoende steunbewijs oplevert. Die lijn kan ook worden herkend in HR 14 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:686. In die zaak ging het om vermeende ontucht tijdens een massage in een massagesalon. De verklaring van de verdachte dat hij als masseur werkte in de massagesalon en de omstandigheid dat uit het klantensysteem bleek dat hij de aangeefster op de ten laste gelegde datum een massage had gegeven, leverden volgens de Hoge Raad niet voldoende steunbewijs op voor de verklaring van de aangeefster dat de verdachte daarbij ontuchtige handelingen had verricht. [5] De door het hof als steunbewijs aangemerkte feiten en omstandigheden bevestigden niet meer dan de context waarbinnen de ten laste gelegde ontucht zou zijn gepleegd. Het overige bewijsmateriaal gaf in zekere zin wel steun aan de verklaring van de aangeefster, maar die steun was te algemeen om van voldoende steunbewijs te kunnen spreken voor de ten laste gelegde ontucht.
2.1
Ik keer terug naar de onderhavige zaak.
2.11
De als bewijsmiddel 1 gebruikte verklaring van [getuige 2] is zo geformuleerd dat daaruit zou kunnen worden afgeleid dat hij de bedreiging ook zelf heeft waargenomen of gehoord. Nu echter uit de overige bewijsvoering volgt dat [getuige 1] degene is geweest die als telefoniste/receptioniste het telefoongesprek met de verdachte heeft gevoerd, is dat naar mijn oordeel niet zonder meer aannemelijk. Een nadere motivering op welke manier [getuige 2] de in het telefoongesprek geuite bedreiging van de verdachte zelf – en dus uit eigen waarneming – zou hebben gehoord, ontbreekt.
2.12
Uit bewijsmiddel 1 en 3 kan verder slechts worden afgeleid dat de verdachte op 11 mei 2022 inderdaad een telefoongesprek heeft gevoerd met het Kabinet van de Gevolmachtigd Minister van Curaçao.
2.13
Hieruit volgt dat, afgezien van de verklaring van [getuige 1] , het overige bewijsmateriaal slechts betrekking heeft op de context waarbinnen de bedreiging is geuit. Daaruit blijkt immers niet méér dan dat de verdachte op de ten laste gelegde datum inderdaad een telefoongesprek heeft gevoerd met het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Curaçao. Het enkele feit dat er een telefoongesprek heeft plaatsgevonden, is in de context van de ten laste gelegde bedreiging onvoldoende specifiek en concreet om als steunbewijs te kunnen gelden voor de verklaring van [getuige 1] . Net zoals in de hiervoor door mij aangehaalde arresten van 13 februari 2018 en 14 mei 2024, bevestigen de door het hof als steunbewijs aangemerkte feiten en omstandigheden slechts de context waarbinnen het vermeende strafbare feit heeft plaatsgevonden. Dat is niet genoeg.
2.14
Het impliciete oordeel van het hof dat de verklaring van [getuige 1] voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal, is niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij wreekt zich wat mij betreft ook dat het hof zijn oordeel niet nader heeft gemotiveerd. Dat in hoger beroep geen verweer is gevoerd over het bewijsminimum van art. 342 lid 2 Sv doet hieraan niet af.

3.Slotsom

3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan 24 maanden nadat cassatie is ingesteld. Dat betekent dat inbreuk is gemaakt op het in art. 6 lid 1 EVRM neergelegde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als de zaak conform van deze conclusie wordt teruggewezen, zal de rechter naar wie de zaak wordt teruggewezen over deze schending van de redelijke termijn in de cassatiefase moeten oordelen. Zo niet, dan geeft de door het hof opgelegde straf aanleiding om te volstaan met de constatering van de overschrijding van de redelijke termijn.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717,
2.Zie HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452,
3.HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1095, rov. 2.4.
4.HR 13 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:189,
5.HR 14 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:686, rov. 2.4.