Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het middel
1. Een proces-verbaal van aangifted.d. van 13 mei 2023 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2022135905-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 3-4):
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens bedreiging met brandstichting jegens medewerkers van het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Curaçao. Het hof baseerde zijn bewezenverklaring op de verklaring van één getuige, ondersteund door ander bewijsmateriaal.
In cassatie stelde de verdachte dat niet was voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro, omdat de verklaring van de enige getuige onvoldoende werd ondersteund door ander bewijs. De Hoge Raad analyseerde het bewijs en concludeerde dat het overige bewijsmateriaal slechts de context van het telefoongesprek bevestigde, maar geen concreet steunbewijs vormde voor de bedreiging zelf.
Het hof had bovendien zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, waardoor het impliciete oordeel dat aan het bewijsminimum was voldaan niet begrijpelijk was. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling. Tevens wees de Hoge Raad op de overschrijding van de redelijke termijn en de noodzaak dat het hof daar bij de hernieuwde behandeling rekening mee houdt.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling wegens onvoldoende steunbewijs en gebrekkige motivering.