Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het verloop van de zaak
A. Ontvankelijkheid klaagschrift
A-G: ik begrijp 2020] zijn doorzoekingen verricht bij verdachten [klager] ( [klager] ) en [betrokkene 1] ( [betrokkene 1] ). Bij de doorzoekingen is onder [betrokkene 1] een Ledger (hardware wallet) in beslag genomen met daarop 5.99985216 bitcoins. Het onderzoek heeft uiteindelijk niet geresulteerd in een strafzaak: beide zaken zijn geseponeerd. De zaak tegen [klager] is op 3 juni 2021 geseponeerd; dit is bij brief van 15 november 2021 nog eens aan klager bevestigd omdat hij daarvan eerder mogelijk geen bericht had gehad. De zaak tegen medeverdachte [betrokkene 1] is op 29 maart 2021 geseponeerd.
In tegenstelling tot het standpunt dat het OM tegen de vorige raadkamer innam, is het verzoek wel ontvankelijk, te weten op grond van artikel 552a lid 4 Sv. Immers van een vervolgde zaak in de zin van artikel 552a lid 3 Sv is, aldus HR 15 april 2008, NbSr 2008/184, NJ 2008/250, géén sprake wanneer een zaak, zonder dat een rechter in de zaak betrokken is, met een sepot is geëindigd. In een dergelijk geval is sprake van een situatie waarin geen vervolging is ingesteld zoals bedoeld in artikel 552a lid 4 Sv, zodat een klaagschrift uiterlijk binnen twee jaren na de inbeslagneming of kennisneming daarvan moet zijn ingediend” en concludeert dat het klaagschrift tijdig is ingediend, te weten binnen de 2 jaarstermijn o.g.v. [art. 552a] lid 4 [Sv]. Daarentegen heeft de rechtbank Oost-Brabant onderhavige kwestie doorverwezen naar uw gerechtshof op grond van artikel 552a lid 3 Sv. Gelet op het feit dat de procedure van broer (op basis waarvan beslag was gelegd) thans nog loopt, is naar mening van klager het klaagschrift tijdig – los van de erkenning door het OM – ingediend zodat naar de bescheiden mening van [klager] de kwestie zich toespitst op de materiële inhoud.”
De beoordeling
3.Het middel
conservatoirbeslag is namelijk niet gelegd in de
geseponeerde strafzaak tegen de klager, waarin het enkel ging om – het (inmiddels) beëindigde –
klassiekbeslag, maar is gelegd met het oog op bewaring van het recht van verhaal van de aan
de broer van de klager opgelegde ontnemingsmaatregel. Dat betekent dat er wel degelijk sprake is van een vervolgde zaak. Zijdelings en ten overvloede merk ik op dat het oordeel van het hof ook niet zonder meer begrijpelijk is aangezien het hof niet heeft vastgesteld dat het Openbaar Ministerie de strafzaak tegen de klager in het onderzoek “Rockport” heeft geseponeerd
zonder dat een strafrechter bij die zaak betrokken is geweest.