Conclusie
1.Inleiding
2.De zaak
3.Het middel
Alle gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring
4.Het beoordelingskader
zq, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
zq, vierde lid, van de wet zijn de gebieden omschreven in de bij dit besluit behorende bijlage.
zq, 126
zren 126
zsvan de wet, wordt toegepast, een schriftelijk bescheid, houdende nadere informatie omtrent de bevoegdheidsuitoefening.”
NJ2008/206 m.nt. P.A.M. Mevis, heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de eisen die gelden voor een krachtens een wettelijk voorschrift gedane vordering. Daarbij merk ik meteen op dat er in dit verband geen verschil bestaat tussen ‘vordering’ en ‘bevel’ en onderstaande jurisprudentie dus op beide begrippen van toepassing is. [3] De verdachte uit de zaak was veroordeeld voor het opzettelijk niet voldoen aan een vordering die was gedaan krachtens art. 2 Politiewet Pro 1993 (oud, nu: art. 3) (hierna: Polw). Een opsporingsambtenaar had hem op grond van die bepaling gevorderd het terrein te verlaten van een oude school die de verdachte wilde kraken. De Hoge Raad oordeelde als volgt:
uitdrukkelijke bevoegdheidhebben tot het geven van een vordering of bevel. Daarmee is de invulling van art. 184 lid 1 eerste Pro zinssnede Sr afhankelijk van bepalingen elders in de wet. [4] Sinds het arrest uit 2008 is het standaardjurisprudentie dat art. 3 Polw Pro geen uitdrukkelijke bevoegdheid in het leven roept. In die bepaling is enkel een algemene taakstelling met een bevoegdheid tot handelen opgenomen. Daaraan kan voor de verdachte geen rechtsplicht worden ontleend om zijn medewerking aan een bevel te verlenen. [5] Ik acht het nog wel van belang te vermelden dat het voorgaande niet betekent dat de politie op grond van bijvoorbeeld art. 3 Polw Pro geen bevelen mag geven aan burgers. Ook is het niet zo dat burgers nooit gehoor hoeven te geven aan bevelen die niet berusten op een uitdrukkelijke bevelsbevoegdheid. [6] Een burger kan onder omstandigheden immers ook tot medewerking gedwongen worden. [7] De standaardjurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot art. 184 Sr Pro heeft alleen tot gevolg dat de burger die niet voldoet aan een bevel of vordering waarvoor de opsporingsambtenaar geen expliciete bevoegdheid had, niet strafbaar is op grond van art. 184 lid 1 eerste Pro zinssnede Sr. Een veroordeling voor het delict uit de tweede zinssnede van die bepaling (verijdelen, belemmeren of beletten) kan dan overigens nog wel tot de mogelijkheden behoren, zo overweegt ook de Hoge Raad in het hierboven aangehaalde arrest uit 2008.