ECLI:NL:PHR:2025:1367

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
23/04312
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over opzettelijk niet voldoen aan ambtelijk bevel in veiligheidsrisicogebied

In deze zaak is de verdachte, geboren in 1992, veroordeeld door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor het opzettelijk niet voldoen aan een ambtelijk bevel, wat resulteerde in een geldboete van € 250,00 of vijf dagen hechtenis bij gebreke van betaling. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte, vertegenwoordigd door advocaat A.C. Vingerling. De zaak draait om een incident op 12 augustus 2021, waarbij de verdachte in een veiligheidsrisicogebied een stopteken van de politie negeerde en wegrende toen hem werd gevraagd mee te werken aan een fouillering. Het hof oordeelde dat de politie bevoegd was om de verdachte te fouilleren op basis van de noodverordening die in dat gebied van kracht was. De advocaat betoogde echter dat de wijze waarop de politie het bevel gaf niet voldeed aan de eisen van artikel 184 Sr, dat vereist dat een bevel of vordering krachtens wettelijk voorschrift moet zijn gedaan. De conclusie van de procureur-generaal was dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had en dat er geen sprake was van een wettelijk bevel, waardoor het middel slaagde. De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest en terugwijzing naar het gerechtshof voor herbehandeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/04312
Zitting16 december 2025
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 6 november 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem (parketnr. 21-000025-22), wegens “opzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast”, veroordeeld tot een geldboete van € 250,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vijf dagen hechtenis.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. A.C. Vingerling, advocaat in Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.De zaak

2.1
Op 12 augustus 2021 reed de verdachte in zijn auto over de [a-straat] in [plaats] , langs [locatie] , in de richting van [plaats] . Die weg is onderdeel van het veiligheidsrisicogebied [A] . Er was op dat moment extra politietoezicht vanwege een dreiging rondom de uitzending van [tv-programma] , die rond dat moment plaatsvond vanaf [locatie] . Naar aanleiding van informatie uit de politiesystemen die mogelijk in verband kon worden gebracht met die dreiging, heeft de politie de verdachte een stopteken gegeven. In een veiligheidsrisicogebied is het de politie toegestaan preventief te fouilleren. Van die bevoegdheid wilde de politie gebruikmaken. De verdachte is medegedeeld dat hij mee moest werken aan die fouillering. Daarop is de verdachte weggerend. Zowel de politierechter als het hof hebben hem veroordeeld voor het opzettelijk niet voldoen aan een ambtelijk bevel.

3.Het middel

3.1
Het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verdachte niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering als bedoeld in art. 184 lid 1 Sr, althans dat dat oordeel niet begrijpelijk gemotiveerd is. In de toelichting wordt betoogd dat de wijze waarop de verdachte is gezegd dat hij zijn medewerking moest verlenen aan een fouillering niet voldoet aan de eisen die aan een bevel of vordering als bedoeld in art. 184 lid 1 Sr worden gesteld.
De bewezenverklaring en de bewijsvoering van het hof
3.2
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 12 augustus 2021 te [plaats] opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 126zs Strafvordering, gedaan door een politieambtenaar, te weten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ,
belast met de uitoefening van enig toezicht en belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaren hem hadden bevolen en gevorderd mee te werken aan een onderzoek aan zijn kleding en hieraan geen gevolg te geven.”
3.3
Het hof heeft mondeling arrest gewezen. In de aantekening van het mondeling arrest staan de volgende bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen opgenomen:

Alle gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring
In de hierna onder 1 en 2 te melden bewijsmiddelen wordt steeds verwezen naar bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van politie, genummerd PL0900- 2021257362, door [verbalisant 3] , hoofdagent, op 13 september 2021.
1. Het proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0900-2021257362-5 (pagina’s 08 t/m 10), in de wettelijke vorm opgemaakt op 12 augustus 2021 door [verbalisant 4] , hoofdagent, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisant:
Hoedanigheid
Ik, [verbalisant 4] , was op 12 augustus 2021, omstreeks 17:45 uur, in motoruniform gekleed bij [locatie] te [plaats] . Ik verplaatste mij op een opvallende dienstmotor en was belast met het toezicht op [locatie] , en met name de uitzending van [tv-programma] , in verband met de dreiging hierop. Deze dreiging zou afkomstig zijn uit […] .
Aanleiding
Diezelfde dag, omstreeks 17:45 uur, hoorde ik over de mobilofoon een eenheid van politie zeggen dat zij op de [b-straat] in de richting van [plaats] achter een Volkswagen Golf zaten waarin de neef van [betrokkene 1] eerder in is waargenomen. Ik hoorde vervolgens dat zij een staandehouding hadden bij de [b-straat] ter hoogte van de verkeerslichten. Ik ben vervolgens derwaarts gegaan om bij deze staandehouding te ondersteunen.
Situatie ter plaatse
Ik zag vervolgens bij de verkeerslichten aan de [b-straat] , ter hoogte van [c-straat] , de politie-eenheid D.3.1.12 achter een Volkswagen Golf, voorzien van het [kenteken] staan.
Ik zag dat collega [verbalisant 2] rechts van het voertuig stond. Ik zag dat hij in gesprek was met een jongen welke ook rechts van het voertuig stond.
Deze jongen bleek later te zijn genaamd:
[verdachte]
Geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] (Nederland)
Hierna genoemd: ‘ [verdachte] ".
Ik hoorde [verbalisant 2] op een gegeven moment zeggen dat het voertuig op grond van de noodverordening doorzocht zou worden. Ik zag dat hij vervolgens met een formulier, waarop de uitleg van de noodverordening staat, richting [verdachte] liep.
Wegrennen [verdachte]
Ik hoorde [verbalisant 2] vervolgens tegen [verdachte] zeggen dat zij zich in een gebied bevonden waarin een noodverordening van kracht was. Ik hoorde hem zeggen dat hij mee moest werken aan een fouillering en de doorzoeking van zijn auto. Ik hoorde [verbalisant 2] vervolgens zeggen dat hij hem een formulier zou geven waarin alles nader uitgelegd stond en dat hij deze op een later moment, na zijn fouillering, kon lezen. Ik hoorde [verbalisant 2] tegen [verdachte] zeggen dat hij de uitlevering van eventuele drugs en wapens vorderde. Ik draaide mij vervolgens om teneinde mijn motorhelm op mijn motorfiets te leggen. Toen ik mij omdraaide hoorde ik zowel [verbalisant 2] als [verbalisant 1] roepen "Blijf staan!". Ik draaide mij vervolgens om en zag [verbalisant 2] en [verbalisant 1] rechtsaf een bosrand in rennen.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0900-2021257362-7 (pagina's 14
t/m 17), in de wettelijke vorm opgemaakt op 12 augustus 2021 door [verbalisant 2] , verbalisant, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – als relaas van voornoemde verbalisant:
Op 12 augustus 2021 omstreeks 17:00 uur was ik, [verbalisant 2] , samen met collega [verbalisant 1] , in uniform gekleed, rijdend in een opvallend dienstvoertuig. Wij waren belast met de openbare orde rondom de omgeving van [locatie] in [plaats] .
Gezien de recente gebeurtenissen rondom [tv-programma] is [locatie] in [plaats] aangewezen als veiligheidsrisico gebied. Dit is ook van kracht in de directe omgeving rondom [locatie] . Het was onze taak om extra toezicht te houden op dit gebied, gedurende de uitzending van [tv-programma] .
Omstreeks 17:41 reed ik samen met collega [verbalisant 1] de [d-straat] op komende van de richting van [locatie] te [plaats] . Ik zag op dat moment een Volkswagen Golf voorzien van [kenteken] op de rotonde rijden. Deze rotonde bevindt zich voor de hoofdingang van [locatie] . Vanaf deze rotonde is er direct zicht op de toegang van de studio waar de opnames van [tv-programma] opgenomen worden. Vanaf deze rotonde is er ook zicht op de leden van de bewakingseenheid politie Midden Nederland die belast zijn met de beveiliging van de studio. Tevens bevindt de rotonde zich in het aangewezen veiligheidsrisico gebied. Ik heb de hierboven genoemde Golf door de politiesystemen nagetrokken.
Ik zag dat het voertuig op naam stond van:
Naam: [verdachte]
Geboren: [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats]
Ik zag dat het voertuig meerdere keren voorkwam in de politie systemen.
Hierbij zag ik dat er op 28 april 2021 waargenomen was dat uit de Golf de volgende persoon stapte:
Naam: [betrokkene 2]
Geboren: [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] .
Ik zag dat de Golf de [a-straat] op reed en zijn weg vervolgde richting [plaats] . Ik zag dat de Golf vervolgens de [b-straat] te [plaats] op reed. Gezien het hierboven genoemde voertuig in combinatie met [betrokkene 1] heb ik met collega [verbalisant 1] een stopteken gegeven op grond van artikel 160 Wegen Verkeerswet. Ik heb direct de commandant van de bewakingseenheid in kennis gesteld. Op de [b-straat] ter hoogte van de verkeerslichten met de kruising [c-straat] te [plaats] zag ik dat de Golf gehoor gaf aan het stopteken. Ik zag dat de Golf rechts de berm in reed en tot stilstand kwam. Ik ben toen uit gestapt en naar de Golf gelopen. Ik zag dat er een man achter het stuur zat en een vrouw als bijrijder voorin de Golf zat. Ik zag dat collega [verbalisant 1] naar de bestuurder liep. Ik hoorde hem vragen naar het rijbewijs en kentekenbewijs van de bestuurder. Ik zag dat de bestuurder zijn rijbewijs overhandigde.
Ik ging in gesprek met de bestuurder. Ik heb na de bevragingen portofonisch contact opgenomen met de commandant van de bewakingseenheid. In overleg is besloten om gebruik te maken van de bevoegdheden die op dat moment gelden in het veiligheidsrisico gebied. Ik liep naar mijn dienstvoertuig en pakte daar de flyer uit die wij verplicht zijn te overhandigen aan personen waar wij de bevoegdheden bij gebruiken.
Ik liep naar [verdachte] toe en liet hem de flyer zien. Ik vertelde hem dat hij verplicht was om mee te werken aan de doorzoeking van de auto en het fouilleren van [verdachte] . Ik vorderde hem de overgifte van wapens of drugs of andere strafbare feiten als hij die in zijn bezit had. Ik hoorde hem zeggen: "Ik heb niks bij me". Ik zei tegen [verdachte] dat ik de flyer op de auto zou leggen en eerst hem zou fouilleren en dat hij daarna de flyer door kon nemen. Ik wilde toen de flyer op de auto leggen om vervolgens [verdachte] te kunnen fouilleren. Ik zag op dat moment dat [verdachte] weg rende en voor de auto langs het fietspad overstak en het bos in rende richting het spoor. Ik riep met luide stem: "politie staan blijven". Ik hoorde collega [verbalisant 1] dit ook meerdere keren roepen. Gezien de afstand tot [verdachte] kan het niet anders dan dat hij dit duidelijk hoorde.
3. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 24 december 2021, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik op 12 augustus 2021 te [plaats] niet heb meegewerkt aan een vordering tot fouillering.
Overwegingen met betrekking tot het bewijs
Het hof stelt voorop dat uit het dossier volgt dat op 12 augustus 2021 te [plaats] op de plek waar verdachte staande is gehouden een noodverordening gold en dat de politie mensen kon verplichten mee te werken aan een fouillering. Daarbij blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 4] dat tegen verdachte is gezegd dat hij mee moest werken aan een fouillering en doorzoeking van zijn auto. Naar het oordeel van het hof was dat geen verzoek, maar hielden die woorden in dat verdachte mee moest werken aan een fouillering. Door de woorden die zijn gebruikt, was het voor verdachte duidelijk dat sprake was van een verplichting tot medewerking.
Vervolgens is verdachte weg gerend en heeft de politie op hoorafstand van verdachte nog geroepen dat hij moest blijven staan.
Naar het oordeel van het hof is dan ook voldoende Wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat verdachte opzettelijk niet heeft voldaan aan het door de politie gegeven bevel of gedane vordering.”

4.Het beoordelingskader

4.1
Bij de beoordeling van het middel is een aantal bepalingen relevant:
Art. 184 lid 1 Sr
“1. Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”
Art. 126zs lid 1, 3 en 4 Sv
“1. In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf is de opsporingsambtenaar, bij bevel daartoe van de officier van justitie, bevoegd in het belang van het onderzoek personen aan de kleding te onderzoeken.
3. Artikel 126
zq, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze van uitvoering van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.”
Art. 126zq lid 3 en 4 Sv
“3. Het bevel kan mondeling worden gegeven. Het wordt gegeven voor een periode van ten hoogste twaalf uren, voor een daarbij omschreven gebied. De geldigheidsduur kan telkens met ten hoogste twaalf uren worden verlengd.
4. In bij algemene maatregel van bestuur aangewezen veiligheidsrisicogebieden kan voor de uitoefening van een in dit artikel bedoelde bevoegdheid onder bij die algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden een bevel van de officier van justitie achterwege blijven.”
Art. 3 lid 1 en 3 Besluit opsporing terroristische misdrijven
“1. Veiligheidsrisicogebieden als bedoeld in artikel 126
zq, vierde lid, van de wet zijn de gebieden omschreven in de bij dit besluit behorende bijlage.
3. De opsporingsambtenaar verstrekt aan de persoon te wiens aanzien een van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 126
zq, 126
zren 126
zsvan de wet, wordt toegepast, een schriftelijk bescheid, houdende nadere informatie omtrent de bevoegdheidsuitoefening.”
4.2
De bijlage bij het Besluit opsporing terroristische misdrijven houdt, voor zover relevant, in:
“Veiligheidsrisicogebieden
De onderstaande gebieden zijn veiligheidsrisicogebieden, aangewezen met het oog op de opsporing van terroristische misdrijven.
(…)
- [locatie] te [plaats] ” [1]
4.3
Art. 184 Sr strekt ertoe het openbaar gezag te beschermen bij de uitvoering van wetten, binnen de door die wetten gestelde grenzen, tegen verhindering of belemmering anders dan door geweld of bedreiging met geweld. [2] De strafbepaling is te zien als ‘lichte’ variant van art. 180 Sr (wederspannigheid). In de bepaling zijn twee strafbare feiten van elkaar te onderscheiden. De eerste zinssnede stelt het opzettelijk niet voldoen aan een vordering of bevel strafbaar en de tweede, kort gezegd, het beletten, belemmeren of verijdelen van een rechtmatige ambtshandeling van een opsporingsambtenaar. In de onderhavige zaak is enkel die eerste zinssnede ten laste gelegd.
4.4
In HR 29 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB4018,
NJ2008/206 m.nt. P.A.M. Mevis, heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de eisen die gelden voor een krachtens een wettelijk voorschrift gedane vordering. Daarbij merk ik meteen op dat er in dit verband geen verschil bestaat tussen ‘vordering’ en ‘bevel’ en onderstaande jurisprudentie dus op beide begrippen van toepassing is. [3] De verdachte uit de zaak was veroordeeld voor het opzettelijk niet voldoen aan een vordering die was gedaan krachtens art. 2 Politiewet 1993 (oud, nu: art. 3) (hierna: Polw). Een opsporingsambtenaar had hem op grond van die bepaling gevorderd het terrein te verlaten van een oude school die de verdachte wilde kraken. De Hoge Raad oordeelde als volgt:
“3.4 Het oordeel van het Hof dat de onderhavige vordering kan worden gebaseerd op art. 2 Politiewet 1993, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Art. 184, eerste lid, Sr eist een ‘krachtens wettelijk voorschrift’ gedane vordering. Een dergelijk voorschrift moet uitdrukkelijk inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een vordering. Art. 2 Politiewet 1993 bevat een algemene taakomschrijving voor de politie en kan niet worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven waaraan op straffe van overtreding van art. 184, eerste lid, Sr moet worden voldaan. Daarbij verdient echter opmerking dat art. 2 Politiewet 1993 wel als een wettelijk voorschrift kan worden aangemerkt ter uitvoering waarvan de in art. 184 Sr bedoelde ambtenaren handelingen kunnen ondernemen waarvan het beletten, belemmeren of verijdelen overtreding van art. 184, eerste lid, Sr kan opleveren.”
4.5
De ‘vorderende’ of ‘bevelende’ opsporingsambtenaar moet dus een uit een wettelijk voorschrift voortvloeiende
uitdrukkelijke bevoegdheidhebben tot het geven van een vordering of bevel. Daarmee is de invulling van art. 184 lid 1 eerste zinssnede Sr afhankelijk van bepalingen elders in de wet. [4] Sinds het arrest uit 2008 is het standaardjurisprudentie dat art. 3 Polw geen uitdrukkelijke bevoegdheid in het leven roept. In die bepaling is enkel een algemene taakstelling met een bevoegdheid tot handelen opgenomen. Daaraan kan voor de verdachte geen rechtsplicht worden ontleend om zijn medewerking aan een bevel te verlenen. [5] Ik acht het nog wel van belang te vermelden dat het voorgaande niet betekent dat de politie op grond van bijvoorbeeld art. 3 Polw geen bevelen mag geven aan burgers. Ook is het niet zo dat burgers nooit gehoor hoeven te geven aan bevelen die niet berusten op een uitdrukkelijke bevelsbevoegdheid. [6] Een burger kan onder omstandigheden immers ook tot medewerking gedwongen worden. [7] De standaardjurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot art. 184 Sr heeft alleen tot gevolg dat de burger die niet voldoet aan een bevel of vordering waarvoor de opsporingsambtenaar geen expliciete bevoegdheid had, niet strafbaar is op grond van art. 184 lid 1 eerste zinssnede Sr. Een veroordeling voor het delict uit de tweede zinssnede van die bepaling (verijdelen, belemmeren of beletten) kan dan overigens nog wel tot de mogelijkheden behoren, zo overweegt ook de Hoge Raad in het hierboven aangehaalde arrest uit 2008.

5.De bespreking van het middel

5.1
Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan, te weten art. 126zs Sv, door een opsporingsambtenaar. Op grond van art. 126zs lid 1 Sv zijn opsporingsambtenaren bevoegd om een persoon te fouilleren in het geval er aanwijzingen bestaan van een terroristisch misdrijf en als de officier van justitie daartoe een bevel geeft. Dat bevel kan op grond van art. art. 126 lid 3 en 126zq lid 4 achterwege blijven wanneer de opsporingsambtenaar deze bevoegdheid uitoefent binnen een aangewezen veiligheidsrisicogebied. Het [A] is een dergelijk veiligheidsrisicogebied, zo volgt uit het Besluit opsporing terroristische misdrijven en de daarbij behorende bijlage. De opsporingsambtenaren waren in de onderhavige zaak dus bevoegd om de verdachte aan een fouillering te onderwerpen. Aangezien een uitdrukkelijke bevels- of vorderingsbevoegdheid ontbreekt in art. 126zs Sv en die ook niet volgt uit overige toepasselijke bepalingen, konden zij de verdachte echter niet bevelen of vorderen (als bedoeld in art. 184 Sr) om aan die fouillering mee te werken. [8] Het oordeel van het hof dat sprake is van een bevel of vordering krachtens een wettelijk voorschrift gedaan, als bedoeld in art. 184 Sr, getuigt aldus van een onjuiste rechtsopvatting.
5.2
Voor zover het middel daarover klaagt, slaagt het.

6.Slotsom

6.1
Het middel slaagt.
6.2
Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn in cassatie op 7 november 2025 is overschreden.
6.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De bijlage bevat ook een gebiedsaanwijzing waarin meer precies is aangegeven welk gebied is aangewezen.
2.H.J. Schmidt & J.W. Smidt,
3.Een bevel is een type vordering. In het oorspronkelijke wetsvoorstel stond alleen de term ‘vordering’ opgenomen. Betwijfeld werd echter of onder ‘vordering’ ook ‘bevel’ kon worden begrepen. Zekerheidshalve zijn beide termen uiteindelijk opgenomen. Zie H.J. Smidt & J.W. Smidt,
4.P.A.M. Mevis & R.J. Verbeek, ‘Strafbaarheid ter zake van het niet opvolgen van ambtelijk bevel vraagt meer aandacht voor de strafrechtelijke bestanddelen van artikel 184 Sr’,
5.A.J. Machielse, in:
6.Zie hierover ook het artikel van Mevis en Verbeek. Bijzondere wetten regelen soms de sanctionering van het niet opvolgen van bepaalde bevelen die niet onder het bereik van art. 184 Sr vallen. Zo wordt het negeren van een stopteken in de WVW 1994 bijvoorbeeld apart gesanctioneerd via art. 177 en 178 WVW 1994. Zie daarover HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:199,
7.Op grond van art. 7 lid 1 Politiewet 2012 is een politieambtenaar bevoegd om in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld of vrijheidsbeperkende middelen te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Zie bijv. ook HR 4 september 2007, ECLI:NL:HR:BA5832, rov. 3.5.1. Zie ook de memorie van toelichting bij art. 126zs Sv: “De bevoegdheid om de burger aan zijn kleding te onderzoek en gebruik te maken van detectieapparatuur impliceert de bevoegdheid voor de opsporingsambtenaar om een onwillige burger te vragen zich aan beide vormen van onderzoek te onderwerpen en deze bij een weigering tegen de wil van de burger te effectueren”, Kamerstukken II 2004/2005, 30 164, nr. 3, p. 46.
8.Voor de goede orde merk ik op dat de politie conform art. 126zs Sv en het Besluit opsporing terroristische misdrijven lijkt te hebben gehandeld. Zij hebben de verdachte bijv. medegedeeld dat hij moest meewerken aan een fouillering en stonden op het punt hem overeenkomstig art. 3 lid 3 van het Besluit een schriftelijk bescheid te verstrekken met informatie over de bevoegdheidsuitoefening.