In deze zaak gaat het om een dodelijk verkeersongeval waarbij de verdachte, een bestuurder van een bestelbus, een voetganger heeft overreden terwijl hij achteruit reed in een voetgangersgebied. De verdachte was op 1 juli 2021 aan het werk en reed stapvoets achteruit zonder volledig zicht te hebben op wat zich achter zijn voertuig bevond. Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte veroordeeld voor het veroorzaken van een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval, waarbij de voetganger om het leven kwam. De verdachte heeft in cassatie twee middelen van verweer ingediend, gericht tegen de bewezenverklaring van schuld en de strafoplegging. Het hof oordeelde dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld, wat leidde tot de fatale aanrijding. De Hoge Raad bevestigde de uitspraak van het hof, waarbij werd opgemerkt dat de verdachte onvoldoende voorzichtigheid heeft betracht in een situatie waarin extra zorgvuldigheid vereist was. De strafmaat werd ook besproken, waarbij het hof in hoger beroep geen rekening hield met de eerder getoonde spijt van de verdachte, wat leidde tot een zwaardere straf dan in eerste aanleg. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.