ECLI:NL:PHR:2025:1368

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
24/02736
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Dodelijk verkeersongeval door achteruitrijdende bestuurder in voetgangersgebied

In deze zaak gaat het om een dodelijk verkeersongeval waarbij de verdachte, een bestuurder van een bestelbus, een voetganger heeft overreden terwijl hij achteruit reed in een voetgangersgebied. De verdachte was op 1 juli 2021 aan het werk en reed stapvoets achteruit zonder volledig zicht te hebben op wat zich achter zijn voertuig bevond. Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte veroordeeld voor het veroorzaken van een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval, waarbij de voetganger om het leven kwam. De verdachte heeft in cassatie twee middelen van verweer ingediend, gericht tegen de bewezenverklaring van schuld en de strafoplegging. Het hof oordeelde dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld, wat leidde tot de fatale aanrijding. De Hoge Raad bevestigde de uitspraak van het hof, waarbij werd opgemerkt dat de verdachte onvoldoende voorzichtigheid heeft betracht in een situatie waarin extra zorgvuldigheid vereist was. De strafmaat werd ook besproken, waarbij het hof in hoger beroep geen rekening hield met de eerder getoonde spijt van de verdachte, wat leidde tot een zwaardere straf dan in eerste aanleg. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/02736
Zitting16 december 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 5 juli 2024 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22000045-23) wegens "overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood", veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tweehonderd uren, te vervangen door honderd dagen hechtenis, en tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Het eerste middel

2.1
Het eerste middel richt zich tegen de bewezenverklaring, voor zover die inhoudt dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld. Dat oordeel zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend gemotiveerd zijn.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 1 juli 2021 te [plaats] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto), daarmede rijdende over de weg, de [a-straat] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend als volgt te handelen:
- hij is aldaar vanaf de [b-straat] achteruit de [a-straat] opgereden welke weg door middel van bord G7 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 als voetpad was aangemerkt en
- hij heeft bij het achteruit rijden geen voorrang verleend aan het overige verkeer, ten gevolge waarvan hij tegen een zich aldaar bevindende voetganger is gebotst, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood.”
2.3
Die bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen waar in de voetnoten van het PROMIS-arrest naar wordt verwezen.
2.4
Het arrest bevat, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, de volgende bewijsoverweging [1] :

Nadere bewijsoverweging
(…)
Beoordeling
Op basis van de bewijsmiddelen stelt het hof, met de rechtbank, de volgende feiten en omstandigheden vast.
De verdachte heeft sinds 18 november 2020 zijn rijbewijs en werkte sinds 2,5 maand in de bestelauto. Gedurende die periode reed de verdachte vijf dagen per week dezelfde route, een route die hem daardoor bekend was en op welke route hij gedurende een periode van vijftien dagen was getraind. Op 1 juli 2021 begon de verdachte om 16:04 uur aan zijn werkzaamheden. De verdachte was niet onder invloed van verdovende middelen en maakte ook geen gebruik van een mobiele telefoon. Hij was onderweg naar de Bruna om daar lege containers te brengen en volle containers op te halen. De Bruna is gelegen aan de [a-straat] en in een voetgangersgebied. Dit is ter plaatse aangeduid door middel van een G7-bord (zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990). De verdachte had geen ontheffing om in dit voetgangersgebied te mogen rijden. Voordat de verdachte de [a-straat] in reed, stond hij een paar seconden stil om de gehele straat te overzien en verleende hij voorrang aan een scooter en een fietser, die op het aldaar gelegen fietspad reden. De verdachte reed hierna stapvoets achteruit die straat in. Gedurende het achteruitrijden keek de verdachte in zijn buitenspiegels en zag niemand. De bestelauto van de verdachte beschikte weliswaar over een binnenspiegel, maar die bood geen zicht op wat er zich recht achter het voertuig bevond. Verder was de bestelauto niet uitgerust met een achteruitrijcamera. Daardoor had de verdachte tijdens het achteruitrijden geen zicht op hetgeen recht achter zijn bestelauto gebeurde.
[getuige] zag dat [slachtoffer] tegen de achteruitrijdende bestelauto aan stond, recht achter de bestelauto, precies in het midden, precies op de verticale middenstreep tussen de dubbele openslaande deuren. Zij zag dat de bestelauto verder achteruitreed en dat [slachtoffer] recht achterover viel en onder de bestelauto terechtkwam. De verdachte voelde iets tegen de bestelauto komen, stopte, stapte uit en liep naar de achterkant van zijn bestelauto. Hij zag dat er twee benen onder zijn bestelauto uitstaken en dat er een rollator achter de bestelauto stond. Hij liep vervolgens naar de andere kant van de bestelauto en zag dat het hoofd van een mevrouw (naar het hof begrijpt: [slachtoffer] ) was geraakt. Uit het schouwverslag volgt dat [slachtoffer] een niet natuurlijke dood is gestorven, veroorzaakt door de aanrijding met de bestelauto.
Is er sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW?
Bij de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. In zijn algemeenheid valt niet aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van aanmerkelijke onoplettendheid en/of onachtzaamheid en dus van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan.
Het hof overweegt - grotendeels in navolging van de rechtbank - dat de verdachte had moeten en kunnen weten dat hij in een voetgangersgebied reed. Dit was immers duidelijk zichtbaar: het betrof een wandelpromenade in een winkelcentrum en de verdachte heeft dat gebied als chauffeur van deze bestelauto veelvuldig bezocht. Daarbij merkt het hof op dat de verdachte bij de politie over de plaats waar het ongeval heeft plaatsgevonden heeft verklaard dat dit een stuk is waar mensen wandelen en fietsen en daar zich daar ook de Bruna bevindt. Dat hij er in zijn training niet expliciet op is gewezen dat dit een voetgangersgebied betrof en dat het G7-bord door begroeiing niet geheel zichtbaar is geweest, doet aan het voorgaande niet af. Van een chauffeur die beroepsmatig een bestelauto bestuurt, mag worden verwacht dat hij steeds zelfstandig voor ogen houdt in hoeverre hij met zijn verrichtingen verkeersregels overtreedt en of de verkeersveiligheid in het geding is. Verder overweegt het hof dat achteruitrijden een bijzondere manoeuvre betreft, waarbij al het overige verkeer voorrang heeft. Ook is het een feit van algemene bekendheid dat achteruitrijden extra zorgvuldigheid van bestuurders vraagt, zeker in het geval waarin (zoals de verdachte ook wist) geen volledig zicht mogelijk is op wat er zich achter het voertuig bevindt. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de verdachte heeft nagelaten de nodige voorzichtigheid en oplettendheid te betrachten. Hij heeft weliswaar gedurende het achteruitrijden in zijn spiegels gekeken of er mensen waren en stapvoets gereden, maar die handelwijze acht het hof in dit geval onvoldoende voorzichtig en oplettend, nu hij niet voortdurend kon zien of er iemand achter zijn bestelauto stond of liep en hij derhalve niet in voldoende mate kon inschatten of hij veilig achteruit kon rijden in dit voetgangersgebied. Kennelijk heeft de verdachte niet gezien dat [slachtoffer] zich begaf naar of zich bevond op een positie direct achter de bestelauto van de verdachte, waardoor hij haar op dat moment niet kon zien. Door achteruit te rijden in een voetgangersgebied, zonder volledig zicht te hebben op wat er zich achter de bestelauto bevond en zonder de daarbij passende veiligheidsmaatregelen te nemen om te voorkomen dat een voetganger zich (door hem ongezien) achter de bestelbus zou begeven, heeft de verdachte zich naar het oordeel van het hof aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedragen. Van de verdachte mocht in de gegeven situatie worden verwacht dat hij zich er volledig van zou verzekeren dat zich tijdens het achteruitrijden niemand achter de bestelbus bevond. Dat heeft hij kennelijk nagelaten. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld, als gevolg waarvan [slachtoffer] is komen te overlijden. Daarmee is sprake van schuld als bedoeld in artikel 6 WVW.
Met de rechtbank is het hof aldus van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, het veroorzaken van een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te handelen.”
2.5
Bij de bespreking van het middel is verder relevant hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822 over schuld in de zin van artikel 6 WVW heeft overwogen [2] :
“3.5 In cassatie kan slechts worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 Wegenverkeerswet 1994, in het onderhavige geval de bewezenverklaarde aanmerkelijke onoplettendheid en/of onachtzaamheid, uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.
Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van evenbedoelde bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.”
2.6
Volgens de stellers van het middel zou de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd zijn omdat het hof zou hebben geoordeeld dat de verdachte “onvoldoende voorzichtig en oplettend” heeft gehandeld, terwijl voor schuld in de zin van artikel 6 WVW aanmerkelijke onvoorzichtigheid is vereist. Daarbij zou uit de vaststellingen van het hof ook niet volgen dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen, maar juist dat hij zorgvuldig is geweest door stapvoets achteruit te rijden en gebruik te maken van zijn spiegels. Daarnaast zou de omstandigheid dat het hof heeft nagelaten aan te geven welke “voorzorgsmaatregelen” de verdachte had behoren te nemen, maken dat de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd is.
2.7
Blijkens de hiervoor weergegeven nadere bewijsoverweging is het hof bij zijn beoordeling van het primair tenlastegelegde terecht uitgegaan van het hierboven onder randnummer 2.5 weergegeven juridisch kader. Met hantering daarvan heeft het hof geoordeeld dat van de verdachte in de gegeven omstandigheden, te weten terwijl hij met een bestelbus achteruitreed in een voetgangersgebied, waarbij geen volledig zicht mogelijk was op wat zich achter het voertuig bevond, mocht worden verwacht dat hij zich er volledig van zou verzekeren dat zich niemand achter de bus bevond. In dat verband heeft het hof er acht op geslagen dat i) de verdachte beroepsmatig een bestelbus bestuurde, ii) dat hij alleen al om die reden, gelet op wat daarvan zichtbaar was, had moeten en kunnen weten dat het gebied waar hij reed een voetgangersgebied betrof, iii) dat achteruitrijden een bijzondere manoeuvre is waarbij al het overige verkeer voorrang heeft en iv) dat het een feit van algemene bekendheid is dat achteruitrijden extra zorgvuldigheid van bestuurders vraagt, zeker in het geval waarin geen volledig zicht mogelijk is op wat zich achter het voertuig bevindt. Dat samenstel van omstandigheden in aanmerking genomen, heeft het hof de door de verdachte getroffen maatregelen van stapvoets rijden en in zijn spiegels kijken onvoldoende geacht, en is het tot het oordeel gekomen dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen.
2.8
Hoewel het hof het handelen van de verdachte in de nadere bewijsoverweging op één punt inderdaad typeert als “onvoldoende voorzichtig en oplettend”, wordt in dezelfde alinea van de bewijsoverweging tot de slotsom gekomen dat de verdachte “aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld”. Het komt mij voor dat het hof daarmee tot uitdrukking heeft gebracht dat de verdachte met zijn gedragingen niet de mate van oplettendheid en voorzichtigheid in acht heeft genomen die van een persoon in zijn hoedanigheid in deze situatie mocht worden verwacht en dat de verdachte daarmee heeft gehandeld met de voor artikel 6 WVW vereiste mate van schuld, namelijk aanmerkelijke onoplettendheid of onachtzaamheid. Ik meen dat de vaststellingen van het hof dat oordeel ook kunnen dragen. In reactie op het betoog dat de verdachte juist zorgvuldig zou hebben gehandeld door stapvoets te rijden en in zijn buitenspiegels te kijken, merk ik op dat het hof heeft overwogen dat de verdachte ondanks die maatregelen nog steeds geen volledig zicht had op wat zich achter het voertuig bevond. Niettegenstaande de door de verdachte getroffen maatregelen bleef het met een bestelbus achteruitrijden in een voetgangersgebied daardoor een ongeoorloofd risico vormen als niet tegelijkertijd (aanvullende) passende veiligheidsmaatregelen worden genomen. Mede gelet op de kwetsbaarheid van een groot deel van het verkeer dat zich vrijelijk bewegend in een voetgangersgebied bevindt en de daaruit voortvloeiende kans op zwaar dan wel dodelijk letsel bij een botsing met een voertuig zoals dat van de verdachte, acht ik dit oordeel niet onbegrijpelijk.
2.9
Dat in de motivering van een bewezenverklaring van artikel 6 WVW dient te zijn opgenomen welke “voorzorgsmaatregelen” de verdachte had behoren te treffen om de in het geding zijnde zorgvuldigheidsnorm niet te schenden, is voorts geen eis die het recht stelt. Het is juist dat schuld als bestanddeel een objectieve en een subjectieve zijde kent, wat meebrengt dat niet alleen moet worden vastgesteld dat de verdachte anders
moesthandelen, maar ook dat hij anders
konhandelen. [3] Dat de door het hof noodzakelijk geachte maatregelen niet kónden worden getroffen volgt echter niet uit de vaststellingen van het hof en is door de verdachte ook niet betoogd.
2.1
Het middel faalt in zijn onderdelen.

3.Het tweede middel

3.1
Het tweede middel klaagt dat de strafoplegging onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd is, doordat het hof in strafverzwarende zin heeft meegewogen dat de verdachte in hoger beroep “er geen blijk van heeft gegeven spijt te hebben dan wel geen medeleven (meer) heeft getoond”.
3.2
In eerste aanleg is door de rechtbank aan de verdachte een taakstraf voor de duur van tweehonderd uur, te vervangen door honderd dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaar, waarvan zes maanden voorwaardelijk, opgelegd. Aan het voorwaardelijk deel van de ontzegging van de rijbevoegdheid heeft de rechtbank een proeftijd van twee jaar verbonden. In hoger beroep is door de advocaat-generaal gevorderd om bevestiging van het vonnis van de rechtbank met aanvulling van gronden, daaronder begrepen de opgelegde straf. Het hof heeft aan de verdachte een taakstraf voor de duur van tweehonderd uur, te vervangen door honderd dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar opgelegd.
3.3
Blijkens de pleitnota in hoger beroep is door de verdediging op de terechtzitting in hoger beroep van 21 juni 2024 onder meer het volgende naar voren gebracht:

Inleiding
De verdediging herhaalt mede namens [verdachte] steunbetuiging aan de familie van [slachtoffer] . De verdediging zal in het belang van de verdediging tegen de strafrechtelijke verdenking tegen [verdachte] verweer voeren. Dit neemt echter niet weg dat client dit tragische incident zeer betreurt.
(…)
Strafmaat
Indien en voor zover u tot een bewezenverklaring komt, verzoek ik u rekening te houden met onder andere navolgende zwaarwegende (persoonlijke) omstandigheden van cliënt.
(…)
Het ongeval en de gevolgen daarvan hebben een enorme impact gehad op cliënt. Cliënt betreurt het dat het slachtoffer is overleden en leeft ook mee met haar familie en nabestaanden. Hij heeft ruim een half jaar niet meer gedurfd auto te rijden en heeft een EMDR-training moeten volgen.”
3.4
De strafmotivering in het bestreden arrest houdt, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, in:
“Uit hetgeen door één van de nabestaanden naar voren is gebracht in hoger beroep blijkt dat het voor de nabestaanden moeilijk te verteren is dat de verdachte zijn verantwoordelijkheid niet ten volle neemt. Hoewel het hof het de verdachte niet kan verwijten dat hij gebruik heeft gemaakt van het recht om in hoger beroep te gaan, merkt het hof wel op dat het hof heeft moeten vaststellen dat van het in eerste instantie door de verdachte jegens de nabestaanden geuite medeleven en van de gevoelens van verantwoordelijkheid en spijt gedurende de behandeling van de zaak in hoger beroep (al dan niet ingegeven door de gekozen processtrategie) weinig meer lijkt te zijn overgebleven. De verdachte heeft daar in ieder geval geen blijk meer van gegeven, maar wekte de indruk alleen nog oog te hebben voor een voor hem zo gunstig mogelijke afloop van deze strafzaak. Dat maakt dat het hof - anders dan de rechtbank - niet ten voordele van de verdachte rekening houdt met de (schuldbewuste) houding van de verdachte.”
3.5
Voor zover het middel betoogt dat het hof in strafverzwarende zin acht heeft geslagen op een gebrek aan spijt of medeleven bij de verdachte, mist het feitelijke grondslag. Immers blijkt uit de hiervoor geciteerde overwegingen dat het hof “niet ten voordele van de verdachte” rekening heeft gehouden met de houding van de verdachte, wat iets anders is dan het ten nadele meewegen daarvan. [4]
3.6
Voor zover in het middel wordt betoog dat het hof heeft miskend dat de verdachte wel zijn verantwoordelijkheid heeft genomen en spijt heeft betuigd, namelijk bij de rechtbank en in de uitingen in de pleitnota, wordt miskend het dat het hof kennelijk doelt op de houding van de verdachte gedurende de gehele behandeling ter terechtzitting in hoger beroep. Dat oordeel komt mij, sterk verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, niet onbegrijpelijk voor.
3.7
Op een en ander stuit het tweede middel af.

4.Afronding

4.1
Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De bijbehorende voetnoten zijn hier niet weergegeven.
2.Herhaald in o.a. HR 15 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2024:1398.
3.J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen,
4.Het hof heeft desondanks lichter gestraft dan de rechtbank, in die zin dat het een ontzegging van de rijbevoegdheid heeft opgelegd van kortere duur. Welk belang de verdachte bij dit middel heeft, is mij dan ook niet zonder meer duidelijk.