ECLI:NL:PHR:2025:1379

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
14 december 2025
Zaaknummer
25/00330
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de proportionaliteit en subsidiariteit van beslag in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar illegaal aanbieden van kansspelen

In deze zaak gaat het om een beklagprocedure naar aanleiding van een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, waarin het klaagschrift van de klager tot gedeeltelijke opheffing van het beslag op diverse onroerende en roerende goederen ongegrond werd verklaard. De klager, geboren in 1969, heeft een klaagschrift ingediend op 10 november 2023, waarin hij stelt dat het beslag op zijn goederen in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De rechtbank heeft op 30 mei 2024 het klaagschrift ongegrond verklaard, waarbij zij oordeelde dat de voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De klager heeft in cassatie vijf middelen van cassatie voorgesteld, die alle betrekking hebben op de motivering van de rechtbank. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij niet over de benodigde stukken beschikte om de waarde van het beslag te kunnen beoordelen. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank voor een nieuwe beoordeling. De zaak heeft samenhang met meerdere andere zaken die ook betrekking hebben op het strafrechtelijk onderzoek naar illegaal aanbieden van kansspelen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00330 B
Zitting16 december 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de klager.

1.Inleiding

1.1
De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch (raadkamernr. 23/028267), heeft bij beschikking van 30 mei 2024 het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift, strekkende tot gedeeltelijke opheffing van het beslag op diverse onroerende en roerende goederen, ongegrond verklaard.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 25/00320, 25/00321, 25/00322, 25/00326, 25/00328, 25/00331, 25/00332, 25/00333, 25/00334 en 25/00335. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en G.J.M.E. de Bont, M. Prins en C.J.M. Perraud, allen advocaat in Amsterdam, hebben vijf middelen van cassatie voorgesteld.
1.4
Alle middelen hebben betrekking op het oordeel van de rechtbank dat voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het eerste, tweede en derde middel komen erop neer dat de rechtbank dat oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd in het licht van hetgeen is aangevoerd over de wanverhouding tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en). Het vierde en vijfde middel komen erop neer dat de rechtbank voornoemd oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd in het licht van hetgeen is aangevoerd over de persoonlijke belangen van de klager bij de opheffing van het beslag.

2.De zaak in het kort

2.1
De onderhavige beklagprocedure speelt tegen de achtergrond van het strafrechtelijk onderzoek ‘Milwaukee’. Dat onderzoek richt zich (onder meer) tegen de verdachten [medeklager 3] (25/00322), [klager] (aandeelhouder van [medeklager 3] ), [medeklaagster 2] (25/00335) (partner van [klager] ), [medeklager 8] (25/00331), [medeklager 9] (25/00320) (aandeelhouder van [medeklager 8] ), [medeklager 10] (25/00321) en [medeklager 11] (25/00332) (aandeelhouder van [medeklager 10] ), die verdacht worden van het – kort gezegd – illegaal aanbieden van online kansspelen op de Nederlandse markt, het witwassen van uit dat misdrijf afkomstige geldbedragen en het deelnemen aan een criminele organisatie. Met het oog op de ontneming van het in dat kader wederrechtelijk verkregen voordeel is op 16 juni en 15 september 2021 conservatoir beslag gelegd op een groot aantal – zich (in het onderhavige geval) in Zwitserland, België en Luxemburg bevindende – roerende en onroerende zaken, waaronder: woningen, bouwgrond, voertuigen, effectenportefeuilles, bankrekeningen en een geldvordering.
2.2
Namens de klager is, na zich herhaaldelijk en tevergeefs tot het openbaar ministerie te hebben gewend, op 10 november 2023 een klaagschrift ingediend dat strekt tot opheffing van het beslag voor zover de waarde daarvan het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel overstijgt. Dat ‘overbeslag’ komt volgens de klager neer op ruim 46 miljoen euro. Het openbaar ministerie heeft op 7 april 2024 schriftelijk op dat klaagschrift gereageerd en zich daarbij op het standpunt gesteld dat van overbeslag geen sprake is. Op 19 april 2024 is het klaagschrift in raadkamer behandeld, waarna de rechtbank dit bij beschikking van 30 mei 2024 ongegrond heeft verklaard.
Het klaagschrift, het standpunt van het OM, het proces-verbaal van de raadkamer en de bestreden beschikking
3.1
Het klaagschrift – dat voor [klager] , [medeklaagster 2] en [medeklager 3] gelijkluidend is – komt er in de kern op neer dat sprake is van € 46.534.387,- aan ‘overbeslag’. Op het door de FIOD geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van € 137.406.608,- dient volgens de klager immers nog in mindering te worden gebracht i) een bedrag ter hoogte van (minimaal) € 11.749.977,- aan inkomsten die betrekking hebben op [A] N.V. (waaruit [klager] dividend ontving), aangezien deze vennootschap geen online kansspelen heeft aangeboden en ii) een bedrag ter hoogte van (minimaal) € 1.712.720,- aan omzet van spelers uit het buitenland, terwijl de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen volgens de klager op € 170.478.298,- moet worden geschat. [1] Ten behoeve van dat laatste heeft de klager overzichten overgelegd van (de saldi van) een deel van de beslagen bankrekeningen en effectenportefeuilles.
3.2
Meer specifiek houdt het klaagschrift – voor zover hier relevant – het volgende in (met weglating van voetnoten):

1.0. Feiten – algemeen
(…)
1.3.
De volgende onroerende zaken, voertuigen, effectenrekeningen en bankrekeningen zijn thans beslagen:
1.3.1.
Onroerende zaken:
Het woonhuis aan de [a-straat 1] , te [plaats] (België).
Het perceel bouwgrond aan de [b-straat] te [plaats] (België).
Het vakantiehuis aan de [c-straat 1] te [plaats] (Zwitserland).
1.3.2.
Voertuigen:
De personenauto Audi A7, met Belgisch kenteken [kenteken 1] .
De personenauto Jaguar F-pace, waarvoor vervangende zekerheid is gegeven.
1.3.3.
Effectenportefeuilles:
Julius Bär, [effectenrekening 1]
Julius Bär, [effectenrekening 2]
Julius Bär, [effectenrekening 3]
BNP, [effectenrekening 4]
BNP, [effectenrekening 5]
BNP, [effectenrekening 6]
BNP, [effectenrekening 7]
BNP, [effectenrekening 8]
BNP, [effectenrekening 9]
Goldman Sachs, bank- en effectenrekeningen
BNP, [effectenrekening 10]
BNP, [effectenrekening 11]
BNP, [effectenrekening 12]
BNP, [effectenrekening 13]
Julius Bär, [effectenrekening 14]
Julius Bär, [effectenrekening 15]
1.3.4.
Bankrekeningen:
ING [effectenrekening 16]
ING [effectenrekening 17]
ING [effectenrekening 18]
Raiffeisen [effectenrekening 19]
Raiffeisen [effectenrekening 20]
NIBC [effectenrekening 21]
ING [effectenrekening 22]
Keytrade bank [effectenrekening 23]
Keytrade bank [effectenrekening 24]
Keytrade bank [effectenrekening 25]
Keytrade bank [effectenrekening 26]
Julius Bar [effectenrekening 27]
Julius Bar [effectenrekening 28]
Julius Bar [effectenrekening 29]
Julius Bar [effectenrekening 30]
1.3.5.
Overige zaken:
De vordering op [medeklager 7]
1.4.
Als bijlage bij dit klaagschrift gaat een overzicht van de waarden en saldi van voornoemde zaken (
bijlage 1) alsmede bankoverzichten waaruit voornoemde waarden en saldi blijken (
bijlage 2).
(…)
4.0.
Overbeslag
4.1.
Het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel zou volgens de FIOD voor [medeklaagster 2] en [klager] tezamen € 137.406.608 bedragen. Uit de als bijlage 1 en 2 opgenomen documenten volgt dat het OM beslag heeft gelegd op vermogen met een waarde van in totaal € 170.478.298.
4.2.
Van de zijde van het OM is opgemerkt dat het percentage spelers uit het buitenland niet hoger zou zijn dan 3,08%. Ten aanzien van dat percentage mag dan gevoeglijk worden aangenomen dat het OM daarvan eveneens van oordeel is dat dit niet is verkregen als gevolg van een schending van de WOK. Dat rechtvaardigt een verdere verlaging van het becijferde wederrechtelijk verkregen voordeel van [klager] ad € 1.712.720.
4.3.
Daarbij komt dat [A] N.V. zich niet beziggehouden heeft met het aanbieden van kansspelen. Deze vennootschap heeft geen online kansspelen aangeboden maar publiceerde informatie over online kansspelen, hetgeen niet kwalificeert als misdrijf in de zin van de WOK. In dat kader zouden alle inkomsten uit [A] N.V. uit het wederrechtelijk verkregen voordeel geëlimineerd moeten worden, hetgeen reeds op 20 augustus 2021 door de verdediging onder de aandacht van het openbaar ministerie is gebracht. Van de zijde van de Nederlandse toezichthouders is immers opgemerkt dat deze werkzaamheden niet verboden waren.
4.4.
Indien bij het verlagen van het becijferde wederrechtelijk verkregen voordeel alle inkomsten die betrekking hebben op [A] N.V. worden geëlimineerd, zou dit een verlaging van het becijferde wederrechtelijk verkregen voordeel met een bedrag van € 20.946.478 betekenen. In ieder geval dient het vermeend wederrechtelijk verkregen voordeel te worden verlaagd met de inkomsten die niet gerelateerd zijn aan [casino 1] en [casino 2] alsook de inkomsten die betrekking hebben op omzet die niet van spelers in Nederland afkomstig was. In dat kader zou het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel van [medeklaagster 2] en [klager] in ieder geval verlaagd moeten worden met een totaalbedrag ad € 11.749.977.
4.5.
Naast het feit dat sprake is van een aanzienlijk bedrag aan overbeslag, dient naar onze stellige overtuiging ook acht te worden geslagen op de rol van de overheid bij onder meer het beleid rondom online kansspelen alsook de beslissingen die zijn genomen in de zaak Milwaukee, welke een verdere matiging van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel rechtvaardigen.
4.6.
In het kader van het vorenstaande kan het overbeslag als volgt worden berekend:
3.3
In zijn schriftelijke reactie op dit klaagschrift stelt het openbaar ministerie voorop dat de informatie die hij nodig heeft “voor een inzicht in hetgeen allemaal beslagen is” door een lopende geheimhouderprocedure (nog altijd) voor een belangrijk deel ontbreekt. Daardoor kan hij de stellingen van de klagers niet beoordelen. Weliswaar is door de klagers een overzicht gegeven en zijn bedragen genoemd maar op basis van die informatie neemt het openbaar ministerie geen beslissingen. Opgemerkt wordt ook dat de klagers gezamenlijk tegen een grote hoeveelheid verschillende beslagen klagen die “uiteraard” niet aan al die klagers toebehoren dan wel ten laste van hen allen zijn gelegd. Dat maakt het volgens het openbaar ministerie “een tamelijk onoverzichtelijk geheel”. Dat sprake is van overbeslag wordt door het openbaar ministerie verder “ten zeerste” betwist, met name omdat in de berekening van de FIOD nog geen rekening is gehouden met vervolgprofijt en de verdiensten van de verdachten aanzienlijk waren.
3.4
Meer specifiek houdt de schriftelijke reactie van het openbaar ministerie – voor zover hier relevant – het volgende in (met weglating van voetnoten):

Ter inleiding
Het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) heeft kennisgenomen van het door de heer De Bont namens zeven klagers, te weten [klager] , [medeklaagster 2] , [medeklager 3] ., [medeklager 4] , [medeklager 5] , [medeklager 6] en [medeklager 7] ingediende klaagschriften in het onderzoek Milwaukee.
Deze klaagschriften zijn gelijkluidend, het OM zal dan ook voor deze klaagschriften gezamenlijk één verweerschrift indienen. Opgemerkt zij dat het door al die gelijkluidende klaagschriften namens al die klagers een tamelijk onoverzichtelijk geheel is. Immers de bovengenoemde zeven klagers klagen gezamenlijk tegen een grote hoeveelheid verschillende beslagen, die uiteraard niet aan al die zeven klagers toebehoren dan wel ten laste van hen allen zijn gelegd. Om wat overzicht te krijgen hebben we een beslagschema gemaakt, op basis van de informatie die we hebben. Het zij maar weer herhaald, de informatie die we nodig hebben voor een inzicht in hetgeen allemaal beslagen is, ontbreekt nog altijd voor een belangrijk deel door de inmiddels ook bij Uw Rechtbank welbekende geheimhouderprocedure in dit onderzoek.
Hoe dan ook geldt het volgende terzake de klagers op basis van de huidige informatie: niet alle klagers zijn op dit moment verdachte in het onderzoek:
De klaagschriften hebben betrekking op beslagen gelegd in Zwitserland, België en Luxemburg.
Vooropgesteld zij helaas - het is niets nieuws voor Uw Rechtbank - dat het OM nog niet beschikt over alle documenten, uitvoeringsstukken etcetera die betrekking hebben op de beslagen waar de klaagschriften op zien.
De geheimhouderprocedure is nog altijd niet afgerond. Met Uw Rechtbank is eerder afgestemd dat de behandeling van deze klaagschriften zou worden aangehouden tot het moment dat het onderzoeksteam de beschikking heeft over alle stukken en de rechter-commissaris dat aangeeft, waarna het OM heeft toegezegd binnen een maand een Inhoudelijk standpunt te kunnen formuleren, verwezen zij naar de e-mailwisseling in maart 2022. Desgewenst overleggen we deze.
Kennelijk is dat standpunt verlaten. De situatie is echter onveranderd, op basis van de tot op heden ter beschikking gestelde informatie hebben we slechts beperkt inhoudelijke kennis van de gelegde beslagen.
De stand van zaken is dus nog steeds dat wij de verzoeken van de verdediging om opheffing van de beslagen en de stellingen die zij dienaangaande betrekken niet steeds kunnen beoordelen, nu de onderliggende informatie en documenten veelal ontbreken. We hebben nog géén zicht op de geldstromen in Zwitserland, België en Luxemburg, op wat er exact in beslag is genomen, op hoeveel, ten laste van wiens conto dit valt.
De verdediging heeft weliswaar een overzicht gegeven en bedragen genoemd, maar het mag duidelijk zijn dat het OM op basis van die informatie geen beslissingen neemt. Ter Illustratie van dat laatste: de verdediging brengt keer op keer de beweerdelijke, benarde financiële positie van cliënten naar voren. [klager] en [medeklaagster 2] zouden krap bij kas zitten, ook in dit klaagschrift (r.o. 5.1) geven klagers aan dat ze moeilijk aan hun financiële verplichtingen kunnen voldoen. In dat verband hecht het OM eraan op te merken dat op enig moment informatie kwam, luidende dat [klager] op 6 juli 2021 (nota bene: daags na de beslagleggingen en doorzoekingen) in privé een bedrag van ruim 3 miljoen Euro heeft overgeboekt naar een rekening van hem bij Emirates NBD Bank PJSC. Dit is ook gecommuniceerd per e-mail van 30 maart 2022 richting verdediging, zie
bijlage 1. Op dit bedrag is (bewust) geen beslag gelegd door het OM. Dit bedrag staat dus ter beschikking van klagers. Met dit soort informatie komt de verdediging zelf niet, dat is hun goed recht. Het betekent tegelijkertijd wel dat wij niet varen op de eenzijdige, onvolledige en/of onjuiste informatie van de verdediging. Wij dienen zelf zicht te krijgen op de materie alvorens besluiten te nemen.
Zwitserland
Met betrekking tot het in Zwitserland gelegde beslag, berichten we u dat helaas de situatie nog steeds onveranderd is ten opzichte van de vorige raadkamer In dit onderzoek, dat was in januari 2024.
Kort en goed is het
fysieke beslagvermoedelijk wel grotendeels overgebracht naar Nederland, de geheimhoudertoets is echter nog niet afgerond. Het onderzoeksteam heeft in elk geval nog veel stukken niet, en onduidelijk vanzelfsprekend is wat er nog komt aan fysiek beslag omdat we geen overzicht mogen hebben van hetgeen er allemaal is. Immers ook dat zou geheimhouderinformatle kunnen bevatten. Wij, het onderzoeksteam en het OM, zijn afhankelijk van wat de rechter-commissaris uit hoofde van de geheimhouderprocedure besluit en vrijgeeft.
We tekenen daarbij aan dat we merken dat de verdediging ook een behoorlijk aantal klaagschriften indient tegen de beslissingen van de rechter-commissaris in het kader van de geheimhouderprocedure. Dat betekent een verdere vertraging in de vrijgave van de stukken.
Het
digitale beslag, hierover is op 24 januari jl. een regiezitting geweest bij de rechters-commissaris. Het doel was, wat het OM betreft althans, om afspraken te maken over de overbrenging van het beslag vanuit Zwitserland naar Nederland en om de rechters-commissaris hierbij te betrekken. Bijgevoegde brief van de rechters-commissaris ontvingen we in afschrift (
bijlage 2). Het mag duidelijk zijn dat zolang de verdediging om garanties vraagt van de rechter-commissaris, die de rechter-commissaris niet kan geven, ook dit traject stagneert. Met andere woorden, dit laat nog even op zich wachten en de uitkomst is ongewis.
België
Vanuit België hebben we nog steeds niet de beschikking over vele uitvoeringsstukken, we hebben bijvoorbeeld geen informatie over het beslag onder de NIBC België (bank), over het beslag op onroerend goed en over voertuigen. Ook van de doorzoeking bij de financieel adviseur van [klager] en [medeklaagster 2] heeft het onderzoeksteam de stukken (nog )niet.
Luxemburg
Vanuit Luxemburg hebben we wel wat uitvoeringsstukken ontvangen, terzake conservatoir gelegde beslagen onder BGL BNP Paribas SA en Goldman Sachs Europe SA.
Standpunt OM
(…)
Klagers stellen dat er sprake is van overbeslag. Het OM betwist dat ten zeerste. De verdediging gaat steeds, in alle correspondentie en nu ook in de klaagschriften, voorbij aan het feit dat er sprake is van vervolgprofijt. Al het beslag dat is gelegd, stemt overeen met de criminele verdiensten verdiend met de strafbare feiten en voortvloeiend daaruit, waar ook het vervolgprofijt onder begrepen dient te worden. Verwezen zij ook naar hetgeen hiervoor onder 2.3 is opgemerkt. Daarbij geldt dat de verdiensten van de verdachten aanzienlijk waren, renderen en daarmee Inmiddels ook vervolgprofijt hebben gegenereerd. Ook daarop leggen we beslag. Van overbeslag is dus geen sprake.
Overigens, zo er al sprake zou zijn van overbeslag, geldt dat verdachten zelf hebben gesteld dat sommige verdachte vennootschappen failliet dreigen te gaan. Onder verwijzing naar hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 31 januari 2006, LJN AU4691 (het zogeheten Cumberbatch-arrest) stelt het OM zich op het standpunt dat niet van belang is dat de totale waarde van de conservatoir in beslag genomen voorwerpen op een hoger bedrag wordt geschat dan het voorlopig berekende wederrechtelijk verkregen voordeel. Het beslag dient Immers tot het veiligstellen van het verhaal van een vordering, ook rekening houdend met eventuele faillissementen en meerdere schuldeisers.”
3.5
Blijkens het proces-verbaal van de raadkamer van 19 april 2024 hebben de raadslieden van de klager aldaar het woord gevoerd overeenkomstig een overgelegde pleitnota. In die pleitnota wordt verder voortgebouwd op het in het klaagschrift ingenomen standpunt dat op het door de FIOD geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering moet worden gebracht i) de inkomsten die betrekking hebben op [A] N.V. en ii) de omzet van spelers uit het buitenland. Die laatste ‘post’ zal vermoedelijk nog hoger uitvallen dan in het klaagschrift genoemd, omdat daarbij nog geen rekening is gehouden met Nederlandse spelers die – bijvoorbeeld tijdens een vakantie of zakenreis – vanuit het buitenland aan de kansspelen deelnamen. Ook de inkomsten die betrekking hebben op [A] N.V. vallen in werkelijkheid nog hoger uit: € 20.805.102 in plaats van € 11.749.977.
3.6
Meer specifiek houdt de pleitnota – voor zover hier relevant – het volgende in (met weglating van voetnoten):

2.0. Verlaging becijfering wederrechtelijk verkregen voordeel: Percentage spelers die zich niet in Nederland bevonden.
2.1.
Volgens het Openbaar Ministerie zijn alle beslagen gelden uit misdrijf afkomstig en is het meerdere zonder meer vervolgprofijt. In de klaagschriften is uiteengezet dat het Openbaar Ministerie en de FIOD hebben geverbaliseerd over het percentage spelers uit het buitenland dat niet hoger zou zijn dan 3,08%. Dit betreft geen standpunt van de verdediging, maar hetgeen door de FIOD is geverbaliseerd. Vastgesteld kan worden dat het Openbaar Ministerie meent dat de omzet en het resterende resultaat voor 3,08% niet voortvloeit uit het, aanbieden van kansspelen aan Nederlandse spelers.
2.2.
Een duidelijke parallel kan worden getrokken met een zaak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 15 april 2008 (ECLI:NL:GHSHE:2008:BD0903) waarin een vennootschap in Hongarije binnen een vennootschapsstructuur zogenoemde 'technisch eiproducten’ "omkatte" tot humaan eiproducten. Daarbij ging het Hof ervanuit dat het wederrechtelijk verkregen voordeel was opgekomen binnen de vennootschap [bedrijf 10] en ging het Hof voor de berekening van het - wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de transacties die via [bedrijf 10] zijn gelopen. Het voordeel werd, aangezien de exacte administratieve gegevens ontbreken ten aanzien van de inkoop en verkoop van de eiproducten, vastgesteld op basis van de door [bedrijf 10] aan [bedrijf 3] uitgekeerde dividenden. Het Hof oordeelt als volgt:
"Zoals hiervoor onder D1.3 is overwogen gaat het hof uit van een percentage van 96,97% van de totale hoeveelheid ingekocht eiproduct waarmee gefraudeerd is. Het gedeelte van het dividend dat als wederrechtelijk genoten voordeel wordt aangemerkt, wordt op grond daarvan eveneens op een percentage van 96,97% 'bepaald."
2.3.
Uitgaande van 3,08% die niet wederrechtelijk is, en uitgaande van het bedrag dat volgens het Openbaar Ministerie (vide p. 74 en 75 van AMB-004,
productie 1) werd verdiend met de online casino's te weten op euro's afgerond € 137.406.608 (het vermeend wederrechtelijk verkregen voordeel van klagers tezamen) en - na aftrek van het wederrechtelijk verkregen dat betrekking heeft op [A] N.V. nu hierover in onderdeel 3 van de pleitnota nader wordt ingegaan - een bedrag ad € 116.460.131, zou een bedrag van € 3.586.972 in ieder geval niet wederrechtelijk zijn verkregen.
2.4.
Voornoemd bedrag ad € 137.406.608 heeft vervolgens geleid tot een rendement. Uit de producties bij het klaagschrift blijkt dat een bedrag van € 170.478.298 werd geraakt. Gerekend vanaf het verkregen bedrag van € 137.406.608 van klagers is het totale rendement dan € 33.071.689. Daar dan 3,08% van is € 1.018.608.
2.5.
Indien met het Openbaar Ministerie zou worden aangenomen dat slechts 3,08% is verdiend met het aanbod van spellen aan spelers buiten Nederland, zou in ieder geval een bedrag van
€ 4.605.580als niet wederrechtelijk moeten worden aangemerkt en dient het beslag met dat bedrag te worden verminderd ten aanzien van klagers.
2.6.
Het is echter een feit dat de opbrengst van spelers die hebben ingezet van buiten Nederland veel groter is geweest dan 3,08%.
2.7.
Overigens is het percentage "Nederland" gebaseerd op het adres dat de speler bij registratie heeft opgegeven. Dat betekent een overschatting ten opzichte van deelname aan een kansspel vanuit Nederland, omdat wanneer deze spelers voor korte of langere tijd in het buitenland verbleven (voor vakantie of werk, op een hotelkamer, een luchthaven) en dan een storting deden deze ook aan Nederland wordt toegerekend. Terwijl er dan geen sprake was van deelname aan een kansspel vanuit Nederland.
2.8.
In de Nadere Memorie van Antwoord bij de Wijziging van de Wet op de kansspelbelasting in verband met kansspelen via internet (Eerste Kamer, 2007- 2008, 30 583, E, pagina 2) staat:
"De Wet op de kansspelen laat wel toe dat Nederlandse belastingplichtigen vanuit het buitenland, bijvoorbeeld wanneer zij daar met vakantie zijn of verblijven, (via internet) deelnemen aan kansspelen. Dergelijke buitenlandse internetkansspelen kunnen als toelaatbaar worden aangemerkt."
2.9.
Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch overwoog in zijn uitspraak van 11 maart 2024 (zaak Rykiel):
"Hoewel niet met zoveel woorden vervat in de delictsomschrijving van artikel 1, lid 1, onder a, van de Wok, moet sprake zijn van het in Nederland gelegenheid geven tot het spelen van kansspelen, nu het gaat om een hier te lande geldende nationale regeling."
2.10.
Er kan niet anders dan worden geconcludeerd dat de omzet die afkomstig is van spelers in het buitenland niet als wederrechtelijk kan worden aangemerkt.
2.11.
Het gemiddeld aantal vakantiedagen per inwoner van Nederland (15 jaar en ouder) dat werd doorgebracht in het buitenland was 14,6 dagen per jaar (2007-2014):
• 2007 13,9
• 2008 15,1
• 2009 14,6
• 2010 14,8
• 2011 14,9
• 2012 14,8
• 2013 14,4
• 2014 14,4
2.12
Dat betekent dat inwoners van Nederland (15 jaar en ouder) gemiddeld 4% van de dagen doorbrachten in het buitenland voor vakantie (2007-2014).
2.13.
In 2019 maakten Nederlanders in totaal 3,7 miljoen zakelijke vliegreizen en de gemiddelde verblijfsduur was 3,9 dagen. Het gemiddeld aantal verblijfsdagen voor zakenreizen per vliegtuig was daarmee 1,0 per inwoner van Nederland (18 jaar en ouder).
2.14.
Dat betekent dat inwoners van Nederland (18 jaar en ouder) gemiddeld 0,28% van de 365 dagen doorbrachten in het buitenland voor zakenreizen (2019). Dat is dus exclusief zakenreizen per auto of trein.
2.15.
Opgeteld betekent dat dat inwoners van Nederland (18 jaar en ouder) gemiddeld 4,28% van de dagen doorbrachten buiten Nederland.
2.16.
De ervaring leert dat spelers tijdens verblijf in het buitenland niet minder spelen dan thuis. In tegendeel, tijdens verblijf in hotel of op een luchthaven zijn kansspelen een populair tijdverdrijf (dit blijkt ook uit de vele casino's in het buitenland op dergelijke locaties).
2.17.
Het is dus een veilige conclusie dat 4,28% van 96,92% = nog eens 4,15% niet aan Nederland toe te rekenen valt. Dus in plaats van 96,92% is het nauwkeuriger om uit te gaan van 96,92% - 4,15% = 92,77%. Een percentage van 7,23% is niet aan omzet van spelers in Nederland toe te rekenen.
2.18.
In verband met het beslag zou dat er toe leiden dat een bedrag van 7,23% niet wederrechtelijk is verkregen, en uitgaande van het bedrag dat volgens het Openbaar Ministerie (vide p. 74 en 75 van AMB-004, productie 1) werd verdiend met de online casino's (na aftrek van de bedragen die betrekking hebben op [A] NV) te weten op euro's afgerond € 116.460.131 zou een bedrag van € 8.420.067 in ieder geval niet wederrechtelijk zijn verkregen.
2.19.
Dit bedrag heeft vervolgens geleid tot een rendement. Het percentage van 7,23% van het totale rendement van € 33.071.689 leidt tot een bedrag van € 2.391.083.
2.20.
Nu aannemelijk is dat het percentage spelers in het buitenland 7,23% is, zou in ieder geval een bedrag van
€ 10.811.151als niet wederrechtelijk moeten worden aangemerkt en dient het beslag met dat bedrag te worden verminderd ten aanzien van klagers.
2.21.
Vanaf 28 maart 2012 was [...] .com niet meer te bezoeken in België. De Belgische cijfers na die tijd, te weten de 3,08%, zijn dus niet vergelijkbaar met de periode daarvoor. Ook voor [casino 1] zijn de cijfers over 2013 fors lager dan in voorgaande jaren, omdat daar geen Belgische spelers geaccepteerd werden tijdens de vergunningsaanvraag in België, die een groot deel van 2013 liep.
2.22.
In aangehechte e-mail (
productie 2) aan de bestuurder van [casino 1] en [casino 2] , [betrokkene 1] , zijn percentages opgenomen over een eerdere periode, namelijk 1 januari 2012 tot en met 28 maart 2012. Toen was het aandeel in het totaalbedrag deposits NL/BE/RoW (overige landen):
• bij [casino 2] : 91,6%/6,2%/2,2% (dus 8,4% buiten NL)
• bij [casino 1] : 88,9%/7,9%/3,2% (dus 11,1% buiten NL)
dat kwam neer op in totaal 9,75% buiten Nederland.
2.23.
Indien we uitgaan van de cijfers uit 2012 (9,75% buiten Nederland, dus 90,25% Nederland), dan is het 4,28% van 90,25% = 3,86%. Dat komt dan dus neer op 90,25% - 3,86% = 86,39% Nederland in het eerste kwartaal van 2012.
2.24.
Op basis van de hiervoor benutte rekenmethodiek zou dan 13,61% van € 116.460.131 (verkregen voordeel na aftrek van de bedragen die betrekking hebben op [A] NV) en € 33.071.689 (rendement) als niet wederrechtelijk moeten te worden aangemerkt. Dat betreft dan
€ 20.351.281.
3.0.
[A] N.V.
3.1.
[A] N.V. heeft zich nimmer bezig gehouden met het aanbieden van online kansspelen. Door middel van publicaties op het internet werd informatie verschaft over kansspelen.
3.2.
Niet alleen de aard van de onderneming wijkt af, ook de feitelijke betrokkenheid is geheel anders dan bij de overige verdachte vennootschappen. [medeklaagster 2] was uiteindelijk begunstigde voor 1/3 van de aandelen in [A] N.V. Dat was zij niet van de andere vennootschappen zoals [B] N.V., [C] N.V., [D] N.V. en [E] Ltd.
3.3.
Van groot belang voor deze procedure is dat [A] N.V. meerdere cliënten had en haar omzet zelfs voor meer dan de helft aan andere cliënten te danken had. Het merendeel van de omzet was derhalve afkomstig van partijen die met de huidige strafzaak niets van doen hebben. Meer concreet was de omzet slechts voor 45,3% afkomstig van betalingen van [casino 2] en [casino 1] . Voor een percentage van 54,7% heeft het resultaat van [A] N.V. in het geheel niets te maken met de door het Openbaar Ministerie veronderstelde criminele organisatie. Dus zelfs als [A] N.V. gerekend zou dienen te worden tot een criminele organisatie, quod non, zelfs dan kan niet worden gesteld dat alle revenuen van deze N.V. aangemerkt kunnen worden als wederechtelijk verkregen.
3.4.
[medeklaagster 2] ontving - ook volgens het Openbaar Ministerie - in totaal € 2.203.444 aan dividenden uit [A] N.V. Een bedrag van
€ 1.205.283kan op basis van het huidige strafdossier in ieder geval niet als wederrechtelijk verkregen worden aangemerkt.
3.5.
[klager] heeft een identiek dividend genoten. Ook voor hem geldt dientengevolge dat een bedrag van
€ 1.205.283niet als wederrechtelijk verkregen kan worden aangemerkt.
3.6.
De verkoopopbrengst wordt mede door de Belastingdienst gesteld op € 24.809.385. Daarvan is dan 54,7% niet als wederrechtelijk aan te merken, te weten € 13.570.733. Aangezien klager een belang van 2/3 heeft gehad, dient dat te leiden tot een verlaging van het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel van
€ 9.047.156.
3.7.
Zoals hiervoor opgemerkt was de omzet voor 45,3% afkomstig van [casino 2] en [casino 1] . Van die omzet was ten minste 3,08% afkomstig van spelers buiten Nederland.
3.8.
Van de dividenden ad € 6.610.332 is € 2.994.480 toe te rekenen aan de omzet van [casino 2] en [casino 1] . Van dat laatste bedrag is dan 3,08%, te weten € 92.230, niet als wederrechtelijk aan te merken. Daarvan kwam 2/3 aan klagers toe:
€ 61.487.
3.9.
Van de verkoopopbrengst ad € 24.809.385 is € 11.238.651 toe te rekenen aan de omzet van [casino 2] en [casino 1] . Van dat laatste bedrag is dan 3,08%, te weten € 346.150, niet als wederrechtelijk aan te merken, 2/3 daarvan bedraagt
€ 230.766.
3.10.
Het totaal bedrag ad € 11.749.977 heeft gerendeerd. Het rendement op hetgeen [klager] en [medeklaagster 2] hebben verdiend (€ 137.406.608) is € 35.275.133. Dat is een percentage van 25,67%. Het gevolg daarvan is dat van het rendement een bedrag van € 9.055.126 niet als wederechtelijk kan worden aangemerkt.
3.11.
Het verweer betreffende [A] betreft in totaal een bedrag van
€ 20.805.102.
3.7
Het proces-verbaal van de raadkamer houdt verder nog het volgende in:
“De officieren van justitie:
Desgevraagd door de voorzitter geef ik aan dat daar waar het Openbaar Ministerie stelt geen stukken te hebben dit gaat over inbeslagnames in Zwitserland. Desgevraagd geef ik aan dat het klopt dat hier niet een per klager gesplitst overzicht kon worden gemaakt als bij de andere klagers omdat het samenhangt met verschillende waardes en er per bankrekening nog geen onderscheid gemaakt kan worden. Desgevraagd geef ik aan dat ik nog niet kan zeggen of er onderdelen zijn waar wij ons kunnen vinden in de gestelde waardes van de verdediging.
(…)
Ik heb soms het idee dat er sprake is van totaal andere belevingswerelden. Het Openbaar Ministerie wil ontzettend graag door met de zaak, maar wij kunnen en mogen geen enkele bemoeienis hebben met de geheimhoudersprocedure. Met de FIOD is de afspraak gemaakt dat zodra de geheimhoudersprocedure is afgerond er binnen enkele maanden een eindproces-verbaal klaar zal zijn. Het Openbaar Ministerie wil graag de discussie met de verdachten voeren en zijn bereid om creatieve maatregelen te nemen om het proces te versnellen. Hierom was ook het voorstel gedaan om FIOD medewerkers naar Zwitserland te sturen, maar dit heeft jammer genoeg niet mogen plaatsvinden.
Daarnaast merk ik op dat het summiere karakter van de raadkamerprocedure wordt overstegen als hier nu de discussie gevoerd zou worden over of spelers die vanaf een vakantieland gokken moeten meetellen in de berekeningen.”
3.8
De bestreden beschikking houdt – voor zover hier relevant – het volgende in (met weglating van voetnoten):

De standpunten.
Het standpunt van klagers.
(…)
Inhoudelijk is verzocht het beklag gegrond te verklaren, omdat het voortduren van het conservatoir gelegde beslag in strijd zou zijn met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, nu (zakelijk weergeven):
- er sprake is van ‘overbeslag’, gelet op het bedrag aan vermeend wederrechtelijk verkregen voordeel zoals dit is berekend door de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (FIOD) en de waarde van het door het Openbaar Ministerie gelegde beslag;
(…)
Het standpunt van het Openbaar Ministerie.
(…)
Subsidiair dient het beklag ongegrond te worden verklaard. Daarbij heeft het Openbaar Ministerie zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van ‘overbeslag’ omdat de verdediging er aan voorbij gaat dat er sprake is van 'vervolgprofijt' en dat het voortduren van het beslag niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
(…)
Het ‘overbeslag’.
Allereerst voeren klagers aan dat sprake is van overbeslag. Klagers stellen daarbij de waarde van het beslag van ongeveer € 170 miljoen tegenover het vooralsnog door de FIOD berekende wederrechtelijk verkregen voordeel van circa € 137 miljoen. Op dit berekende voordeel zouden volgens klagers diverse correcties moeten worden toegepast. Een bedrag van circa € 41,1 miljoen zou moeten worden afgetrokken van het door de FIOD berekende wederrechtelijk verkregen voordeel in verband met (legaal) behaalde omzet uit het buitenland en de (legale) inkomsten van [A] . Gelet hierop is volgens klagers sprake van overbeslag en is het beslag in zoverre in strijd met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Het Openbaar Ministerie heeft in dit kader aangevoerd dat het - vanwege de nog lopende procedure met betrekking tot de geheimhouderstukken - op dit moment niet beschikt over de stukken uit Zwitserland, België en Luxemburg en dat zij daarom de hoogte van het beslag niet zelf kan vaststellen. Het Openbaar Ministerie kan niet uitgaan van de waarde die de verdediging toekent aan het beslag omdat het dit niet kan controleren. Daarnaast is in het door de FIOD voorlopig berekende wederrechtelijk verkregen voordeel nog geen rekening gehouden met vervolgprofijt. Gelet op de grote bedragen die zijn verdiend, kan dit vervolgprofijt aanzienlijk zijn. De verwachting is daarom dat het uiteindelijk te berekenen wederrechtelijk verkregen voordeel een stuk hoger uit gaat komen.
Zoals hierboven onder het juridisch kader reeds is vermeld, draagt de beoordeling van een beklag als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd inhoudelijk in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank stelt allereerst vast dat ook zij niet beschikt over de stukken die zijn nodig zijn om een oordeel te kunnen vormen over de waarde van het gelegde beslag. De stukken die de verdediging in dat kader heeft overgelegd zijn onvoldoende om deze vaststelling te kunnen doen.
Jegens klagers [klager] , [medeklaagster 2] en [medeklager 3] bestaat een verdenking van strafbare feiten waarmee (veel) wederrechtelijk voordeel kan zijn verkregen, waarbij sprake kan zijn van ‘vervolgprofijt’. Dit kan eveneens het geval zijn voor de niet verdachte klagers.
De afweging die de verdediging de rechtbank vraagt te maken zou in feite neerkomen op een beoordeling van het door de FIOD berekende bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel (dat in een zeer vroeg stadium van het onderzoek is opgemaakt) Een dergelijke afweging zou naar het oordeel van de rechtbank te veel vooruitlopen op beslissingen die zullen worden genomen in de strafzaak of de ontnemingszaak en gaat het beoordelingskader van deze procedure te buiten. De rechtbank kan en zal in deze procedure daarom niet inhoudelijk reageren op de door de verdediging voorgestelde rekenmethodes met betrekking tot de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank kan gelet op het voorgaande niet vaststellen dat sprake is van overbeslag, zoals door de verdediging is gesteld. In zoverre is de rechtbank daarom van oordeel dat het beslag niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.”

4.Het eerste tot en met het derde middel

4.1
Als gezegd klagen het eerste tot en met het derde middel dat de rechtbank haar oordeel dat voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, ontoereikend heeft gemotiveerd in het licht van hetgeen is aangevoerd over de wanverhouding tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en).
4.2
Het eerste middel klaagt in het bijzonder over het oordeel van de rechtbank dat “zij niet beschikt over de stukken die nodig [zijn] om een oordeel te kunnen vormen over de waarde van het gelegde beslag” en dat “de stukken die de verdediging in dat kader heeft overgelegd onvoldoende [zijn] om deze vaststelling te kunnen doen”. Het tweede middel klaagt in het bijzonder over het oordeel van de rechtbank dat “de afweging die de verdediging de rechtbank vraagt te maken in feite [zou] neerkomen op een beoordeling van het door de FIOD berekende bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel”. Het derde middel richt zich in het bijzonder tegen het oordeel van de rechtbank dat zij “niet [kan] vaststellen dat sprake is van overbeslag” en dat zij “in zoverre (…) van oordeel [is] dat het beslag niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit”. De middelen lenen zich voor een gezamenlijk bespreking.
Het juridisch kader
4.3
Het gaat in deze zaak om de vraag wanneer de rechter blijk moet geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, en – als dat het geval is – welke eisen aan de motivering van zijn beslissing moeten worden gesteld. Voor de beantwoording van die vraag is het volgende van belang.
4.4
De Hoge Raad is op deze vraag ingegaan in zijn arrest van 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128. Daarin overwoog de Hoge Raad onder andere het volgende:

Proportionaliteit en subsidiariteit
2.4.1
De rechter is bij de beoordeling van het beklag over de inbeslagneming niet verplicht ambtshalve te onderzoeken of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Als echter door of namens de klager wordt aangevoerd dat zijn persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag zwaarder moeten wegen dan het met artikel 94 en/of 94a Sv nagestreefde strafvorderlijk belang bij het voortduren daarvan, kan de rechter gehouden zijn blijk te geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. (Vgl. bijvoorbeeld HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:247 en Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) 7 november 2019, nr. 32644/09 (Apostolovi/Bulgarije), overweging 103.)
Bij een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv kan de rechter daarnaast gehouden zijn blijk te geven van zo’n onderzoek als door of namens de klager wordt aangevoerd dat geen redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en). (Vgl. HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB9890, HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3722 en EHRM 17 mei 2016, nr. 38359/13 (Džinić/Kroatië), overweging 80.)
2.4.2
De vraag wanneer de rechter blijk moet geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, en – als dat het geval is – welke eisen moeten worden gesteld aan de motivering van zijn beslissing, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar is afhankelijk van de concrete onderbouwing en de indringendheid van de door of namens de klager aangevoerde argumenten. Ook is van belang wat daarover door het openbaar ministerie wordt ingebracht. Verder komt betekenis toe aan het tijdsverloop sinds de beslaglegging en aan de termijn waarbinnen een beslissing in de hoofdzaak of in de ontnemingsprocedure redelijkerwijs valt te verwachten. Naarmate meer tijd is verstreken – en de klager dus al langer door het beslag wordt getroffen – kan meer gewicht toekomen aan de persoonlijke belangen van de klager bij de opheffing van het beslag.
2.4.3
Mede in verband met de beoordeling door de rechter of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit mag van het openbaar ministerie worden verlangd dat het, zoveel als mogelijk is gelet op de fase waarin de zaak zich bevindt, in de beklagprocedure informatie verschaft over het beslag en over de onderliggende strafzaak of ontnemingsprocedure. In geval van conservatoir beslag gaat het daarbij in het bijzonder om de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen in relatie tot de (te verwachten) hoogte van de betalingsverplichting in verband waarmee wordt beoogd een verhaalsmogelijkheid zeker te stellen. Omdat tijdens de raadkamerprocedure het onderzoek in de strafzaak en/of de ontnemingszaak veelal nog loopt, zal het openbaar ministerie in de regel alleen een voorlopige en globale uitspraak kunnen doen over de hoogte van de te vorderen betalingsverplichting.
2.4.4
Als de beklagrechter van oordeel is dat hij over onvoldoende gegevens beschikt voor de beoordeling van het klaagschrift, brengt de onderzoekstaak van de beklagrechter met zich dat hij zich nader laat informeren. De beklagrechter kan daarvoor op grond van artikel 23 lid 1 Sv aan het openbaar ministerie het bevel geven om stukken over te leggen. Zo nodig houdt de rechter daartoe het onderzoek in raadkamer aan. Het openbaar ministerie is op grond van artikel 23 lid 5 Sv gehouden de hiervoor bedoelde stukken aan de rechter over te leggen. Laat het openbaar ministerie dat achterwege, dan kan de beklagrechter die omstandigheid betrekken bij de beoordeling van het klaagschrift. (Vgl. HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:376, rechtsoverwegingen 3.3.2-3.3.3.)
2.4.5
Als de beklagrechter naar aanleiding van zijn hiervoor in 2.4.1 bedoelde onderzoek oordeelt dat voortzetting van het beslag in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, verklaart hij het beklag gegrond en geeft hij de daarmee overeenkomende last als bedoeld in artikel 552a lid 10 Sv.”
4.5
De omstandigheid dat door of namens de klager wordt aangevoerd dat geen redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en) kan dus maken dat de rechter gehouden is blijk te geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De vraag of een dergelijke motiveringsplicht is ontstaan, en zo ja, welke eisen aan de motivering moeten worden gesteld, is volgens de Hoge Raad, naast het tijdsverloop en de termijn waarbinnen een beslissing van de rechter in de strafprocedure kan worden verwacht, afhankelijk van de concrete onderbouwing en de indringendheid van de door of namens de klager aangevoerde argumenten en van hetgeen daarover door het OM is ingebracht. Van het OM mag daarbij worden verlangd dat het, zoveel als mogelijk is gelet op de fase waarin de zaak zich bevindt, informatie verschaft over de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen in relatie tot de (te verwachten) hoogte van de betalingsverplichting. Is de beklagrechter van oordeel dat hij over onvoldoende gegevens beschikt voor de beoordeling van het klaagschrift, dan brengt zijn onderzoekstaak met zich dat hij zich nader laat informeren.
4.6
Het hiervoor door de Hoge Raad genoemde arrest EHRM 17 mei 2016, nr. 38359/13 (Džinić/Kroatië) [2] geeft een nadere invulling aan de geformuleerde onderzoeksplicht. In de zaak die leidde tot deze uitspraak van het EHRM ging het om een verdenking van verschillende (economische) delicten, waarbij het door de verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel werd geschat op € 1.060.000,-. Als gevolg daarvan had het openbaar ministerie beslag gelegd op onroerend goed van de verdachte, waarover laatstgenoemde tevergeefs had geklaagd. In het verdere verloop van de strafrechtelijke procedure had de verdachte de rechtbank verzocht de reikwijdte van het beslag opnieuw te beoordelen, omdat (nog altijd) sprake zou zijn van een grove wanverhouding tussen de waarde van het beslag en het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel. Ter onderbouwing van dat standpunt had de verdachte een “detailed assessment” van de waarde van het beslag overgelegd dat gebaseerd was op openbaar beschikbare informatie over de marktwaarde van onroerend goed in Kroatië. Volgens die informatie betrof de waarde van het beslagen onroerend goed € 9.887.084,- (en dus een negenvoud van het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel). Het EHRM onderzocht in het kader van de inbreuk die dit beslag maakte op het recht van ongestoord genot van eigendom, zoals neergelegd in art. 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, of sprake was van een “reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim sought to be realised” (§ 67). In het bijzonder keek het Hof naar “procedural safeguards” die nodig zijn om een disproportionele inbreuk op het eigendomsrecht te voorkomen (§ 68). Het EHRM overwoog daarover het volgende:
“77. In this respect the Court notes, although it is impossible for it to speculate on the exact value of the restrained property, that the applicant’s allegations were not frivolous and devoid of any substance. In any event, in view of the overall circumstances of the case, the Court considers that such a request made by the applicant should have prompted the Supreme Court to examine his allegations carefully. This is particularly true given that the applicant’s business activity arguably related to the possibility of him freely disposing of his real property (see paragraph 17 above) and that a relevant assessment of the value of the seized real property had never been made (see paragraphs 67-69, and 71-75 above).
78. Having said that, the Court notes that the Supreme Court, without making any further assessment with regard to the applicant’s specific allegations concerning the disproportion between the impounded property and the alleged unlawfully obtained pecuniary gain, and although being unable to benefit from any such assessment made by the Vukovar County Court, rejected the applicant’s arguments as speculative, without explaining why it ignored the applicant’s detailed assessment of the value of his restrained property made on the basis of publicly available information on the market value of properties in Croatia (see paragraph 28 above).
79. The Supreme Court thereby allowed the impugned situation to persist for more than two and a half years without ever addressing the applicant’s specific arguments of disproportion between the value of the seized property and the alleged unlawfully obtained pecuniary gain. In this connection the Court finds it important to note that the overall seized property was not alleged to be a result of crime or traceable to the crime. The seizure at issue was rather applied as a provisional measure on the applicant’s overall property aimed at securing enforcement of a possible confiscation order imposed at the outcome of the criminal proceedings.
80. In these circumstances, the Court notes that the impugned seizure of the applicant’s real property in the context of the criminal proceedings at issue, although in principle legitimate and justified, was imposed and kept in force without an assessment of whether the value of the seized property corresponded to the possible confiscation claim. The Court therefore finds that the application of such a measure was not adequate to demonstrate that a requirement of “fair balance” inherent in the second paragraph of Article 1 of Protocol No. 1 was satisfied.”
4.7
Voor het aannemen van een schending van art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM op de grond dat de rechter de proportionaliteit van de beslaglegging onvoldoende (kenbaar) heeft onderzocht, achtte het EHRM, naast de daarmee samenhangende persoonlijke belangen van de verdachte, aldus van belang dat hetgeen door de verdachte was aangevoerd “not frivolous and devoid of any substance” was. Onder die omstandigheden had het Kroatische gerecht hetgeen door de verdachte was aangevoerd zorgvuldig moeten onderzoeken en dit niet als speculatief terzijde mogen schuiven, zonder daarbij nader te motiveren waarom het de betrokkene niet volgde in zijn “detailed assessement” over de wanverhouding tussen het beslagene en het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel.
De bespreking van de middelen
4.8
Namens de klager is op de onder 3.1 samengevatte wijze aangevoerd dat de waarde van het beslag het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel met € 46.534.387,- overstijgt. Met betrekking tot de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen zijn daartoe ten aanzien van een deel van de beslagen bank- en effectenrekeningen overzichten overgelegd. Het openbaar ministerie heeft het standpunt van de klager betwist op de wijze zoals hiervoor onder 3.4 is weergegeven. Kort gezegd is volgens hem geen sprake van overbeslag, met name omdat bij het door de FIOD geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel nog vervolgprofijt moet worden opgeteld. Of er onderdelen zijn waar het openbaar ministerie zich kan vinden in de door de klager gestelde waardes van het beslag kon het ten tijde van de raadkamer “nog niet zeggen” (zie randnr. 3.7). De informatie die het openbaar ministerie nodig heeft voor een inzicht in hetgeen allemaal beslagen is, ontbreekt. Het kan de stellingen van de klager daarom niet beoordelen en op basis van het door hem gegeven overzicht en de door hem genoemde bedragen neemt het openbaar ministerie geen beslissingen.
4.9
De rechtbank heeft geoordeeld dat zij niet inhoudelijk zal reageren op de door de klager voorgestelde rekenmethodes met betrekking tot de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat dit in feite neer zou komen op een beoordeling van het door de FIOD berekende bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarmee zou zij te veel vooruitlopen op beslissingen die zullen worden genomen in de straf- of ontnemingszaak en dit zou het beoordelingskader van de beklagprocedure te buiten gaan. De rechtbank heeft hiermee tot uitdrukking gebracht dat het onderzoek in de raadkamer een summier en voorlopig karakter draagt en dat een beoordeling van hetgeen namens de klager is aangevoerd over de posten die van het door de FIOD voorlopig geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel zouden moeten worden afgetrokken, daarvoor te ver voert. Dat oordeel acht ik, gelet op de aard en indringendheid van de in dat kader namens de klager aangevoerde argumenten, niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat het openbaar ministerie tijdens een raadkamerprocedure in de regel alleen een voorlopige en globale uitspraak kan doen over de hoogte van de te vorderen betalingsverplichting.
4.1
De rechtbank heeft verder overwogen dat zij niet beschikt over de stukken die nodig zijn om een oordeel te kunnen vormen over de waarde van het beslag en dat de door de klager overgelegde stukken daartoe onvoldoende zijn. Gelet daarop kan zij niet vaststellen dat sprake is van overbeslag. In zoverre, zo vervolgt zij, is de rechtbank “daarom” van oordeel dat het beslag niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het in die overwegingen besloten liggende oordeel van de rechtbank dat zij, zonder zich een oordeel te kunnen vormen over de waarde van het beslag, het klaagschrift kan beoordelen en haar onderzoekstaak derhalve niet met zich brengt dat zij zich nader laat informeren, acht ik niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat hetgeen door de klager is aangevoerd over de waarde van het beslag (met name voor wat betreft de beslagen bank- en effectenrekeningen) bezwaarlijk anders kan worden opgevat dan “not frivolous and devoid of any substance” en “detailed” en dat het openbaar ministerie daartegen niet meer heeft ingebracht dan dat het “nog niet kan zeggen” in hoeverre het zich daarin kan vinden omdat het (nog) niet over de daarvoor benodigde informatie beschikt. Dit laatste terwijl van het openbaar ministerie mag worden verlangd dat het, zoveel als mogelijk is gelet op de fase waarin de zaak zich bevindt, informatie verschaft over de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen in relatie tot de (te verwachten) hoogte van de betalingsverplichting en ten tijde van de raadkamer sinds de beslaglegging inmiddels ruim twee en een half jaar waren verstreken. Aan de begrijpelijkheid van het oordeel van de rechtbank doet verder af dat zij niet heeft gemotiveerd dat het voor het openbaar ministerie niet mogelijk is deze informatie te verschaffen en wat daarvan, mede gelet op het genoemde tijdsverloop, de gevolgen zouden moeten zijn.
4.11
De middelen zijn in zoverre terecht voorgesteld.
4.12
Ik merk nog op dat de rechtbank ten aanzien van hetgeen door het openbaar ministerie is ingebracht over het vervolgprofijt niet meer heeft overwogen dan dat “jegens klagers [klager] , [medeklaagster 2] en [medeklager 3] een verdenking [bestaat] van strafbare feiten waarmee (veel) wederrechtelijk voordeel kan zijn verkregen, waarbij sprake kan zijn van ‘vervolgprofijt’”. Dat maakt dat het onder 4.9 overwogene – anders dan in de samenhangende zaken [medeklager 11] (25/00332) en [medeklager 10] (25/00321), waarin de door de klagers geschatte waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen, zonder de door hen genoemde aftrekposten, de hoogte van het geschatte wederrechtelijk voordeel niet overstijgt – niet zonder meer met zich brengt dat belang bij cassatie ontbreekt.

5.Het vierde en vijfde middel

Nu de voorgaande middelen naar ik meen gedeeltelijk doel treffen, behoeven het vierde en vijfde middel geen bespreking. Indien de Hoge Raad hierover anders oordeelt, ben ik uiteraard bereid aanvullend te concluderen.

6.Afronding

6.1
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Oost-Brabant teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.170.478.298 minus (137.406.608 – 11.749.977 – 1.712.720 =) 123.943.911 = 46.534.387.
2.ECLI:CE:ECHR:2016:0517JUD003835913.