Conclusie
1.Inleiding
2.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
14 maart 2022, [4] gewezen door de enkelvoudige strafkamer van het Gerechtshof Den Haag, onder parketnummer 22-001112-21 (96-22013120).”
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte is door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor overtreding van artikel 9 lid 2 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Op 14 maart 2022 werd hij bij verstek veroordeeld, waarna op 15 maart 2022 een herstelbeslissing volgde die het onderzoek heropende en schorste. Op 9 september 2022 werd de verdachte opnieuw veroordeeld, ditmaal in een zitting met tegenspraak.
Het cassatieberoep werd pas op 18 maart 2024 ingesteld, ruim na de wettelijke termijn van veertien dagen na de einduitspraak. De akte van cassatie richtte zich enerzijds tegen het arrest van 9 september 2022, maar de bijzondere volmacht beperkte het beroep tot de beslissing van 14 maart 2022. Beide cassatieberoepen zijn daardoor te laat ingediend.
De procureur-generaal concludeert dat de verdachte niet ontvankelijk is in het cassatieberoep. De Hoge Raad bevestigt dat de wettelijke termijnen niet zijn nageleefd, waardoor het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De procedure toont ook dat de verdachte en zijn raadsman niet tijdig of correct zijn opgeroepen, maar dit ontslaat niet van de termijnvereisten.
De uitspraak benadrukt het belang van strikte naleving van de cassatietermijnen en bevestigt dat ook bij herstelbeslissingen en schorsingen de termijn voor cassatie begint te lopen vanaf de oorspronkelijke einduitspraak. De verdachte kan daarom niet meer in cassatie worden ontvangen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.