ECLI:NL:PHR:2025:1386

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
24/00998
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 2 WVW 1994Art. 432 lid 1 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens te late indiening na veroordeling overtreding Wegenverkeerswet

De verdachte is door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor overtreding van artikel 9 lid 2 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Op 14 maart 2022 werd hij bij verstek veroordeeld, waarna op 15 maart 2022 een herstelbeslissing volgde die het onderzoek heropende en schorste. Op 9 september 2022 werd de verdachte opnieuw veroordeeld, ditmaal in een zitting met tegenspraak.

Het cassatieberoep werd pas op 18 maart 2024 ingesteld, ruim na de wettelijke termijn van veertien dagen na de einduitspraak. De akte van cassatie richtte zich enerzijds tegen het arrest van 9 september 2022, maar de bijzondere volmacht beperkte het beroep tot de beslissing van 14 maart 2022. Beide cassatieberoepen zijn daardoor te laat ingediend.

De procureur-generaal concludeert dat de verdachte niet ontvankelijk is in het cassatieberoep. De Hoge Raad bevestigt dat de wettelijke termijnen niet zijn nageleefd, waardoor het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De procedure toont ook dat de verdachte en zijn raadsman niet tijdig of correct zijn opgeroepen, maar dit ontslaat niet van de termijnvereisten.

De uitspraak benadrukt het belang van strikte naleving van de cassatietermijnen en bevestigt dat ook bij herstelbeslissingen en schorsingen de termijn voor cassatie begint te lopen vanaf de oorspronkelijke einduitspraak. De verdachte kan daarom niet meer in cassatie worden ontvangen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00998
Zitting16 december 2025
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 9 september 2022 [1] door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-001112-21) wegens "overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994", veroordeeld tot een taakstraf van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
1.3
Het middel, waaraan voorafgaand wordt betoogd dat de verdachte ontvankelijk is in het cassatieberoep, bevat de klacht dat het opmaken van een proces-verbaal met daarin een aantekening mondeling arrest van 9 september 2022 achterwege is gebleven, als ook het opmaken van een proces-verbaal van de terechtzitting van 14 maart 2022.

2.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1
In de cassatieschriftuur wordt aangevoerd dat namens de verdachte tijdig beroep in cassatie is ingesteld, nu de verdachte op 14 maart 2022 (bij verstek) is veroordeeld en de oproep voor deze zitting niet in persoon aan hem is betekend.
2.2
De stukken van het geding houden het volgende in:
(i) Op 2 april 2021 is de verdachte door de politierechter in de rechtbank Den Haag wegens overtreding van art. 9 lid 2 WVW Pro 1994 veroordeeld tot een taakstraf van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één week met een proeftijd van twee jaren.
(ii) Op 16 april 2021 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
(iii) De verdachte is gedagvaard voor de terechtzitting van het hof van 16 juli 2021. Blijkens het proces-verbaal van die (rol)zitting zijn de verdachte en zijn raadsman niet verschenen. Het hof heeft daarop het onderzoek geschorst tot 3 december 2021 en de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer voor strafzaken, met bevel tot oproeping van de verdachte en zijn raadsman.
(iv) Het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 december 2021 houdt in dat de verdachte niet is verschenen, dat hij per e-mailbericht van 2 december 2021 wegens ziekte heeft verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak en dat de raadsman van de verdachte zich heeft onttrokken aan de zaak. Blijkens het proces-verbaal heeft het hof het onderzoek vervolgens geschorst tot 14 maart 2022, met bevel tot oproeping van de verdachte.
(v) De oproeping voor de zitting van 14 maart 2022 is na vergeefse aanbieding op het BRP-adres van de verdachte op 8 februari 2022 uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie en als gewone brief naar het BRP-adres van de verdachte verzonden.
(vi) Op 14 maart 2022 om 10:00u heeft de verdachte een e-mailbericht verzonden aan de strafgriffie van de rechtbank Den Haag, welk bericht klaarblijkelijk op 15 maart 2022 is doorgestuurd naar het ressortparket. Dit bericht houdt in:
“Beste heer mevrouw,
Bij deze wil ik doorgeven dat ik en mijn advocaat beide niet aanwezig kunnen zijn bij de zaak conform kenmerk 22-001112-21 14 maart 2022 10:30
Beide zijn wij positief op het COVID 19 virus.
Om meerdere besmettingen te voorkomen leek het ons verstandiger om deze uit te stellen, excuses voor de e-mail op het laatste moment. Maar mijn advocaat [betrokkene 1] van [A] advocaten liet mij het daar straks weten, anders had hij in ieder geval gekomen.
Mijn zeer gemeende excuses voor het ongemak.
Met vriendelijke groet,
[verdachte] ”
(vii) Een aan de verdachte geadresseerde “Mededeling uitspraak (V.V.)” van 30 maart 2022, verzonden namens de advocaat-generaal, houdt in dat de verdachte bij arrest van het hof van 14 maart 2022 wegens overtreding van art. 9 lid 2 WVW Pro 1994 is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één week met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis. Blijkens de daarop betrekking hebbende akte is deze mededeling op 6 april 2022 aan de verdachte in persoon uitgereikt. [2]
(viii) Een beslissing van het hof van 15 maart 2022 [3] houdt het volgende in:
“Rolnummer: 22-001112-21
(…)
Herstelbeslissing
van het in hoger beroep gewezen arrest van dit hof van 14 maart 2022 in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,
wonende te [plaats] , [a-straat 1] .
Het hof heeft geconstateerd dat dit arrest een onmiddellijk kenbare fout bevat, die zich voor eenvoudig herstel leent.
Bij voormeld arrest is het vonnis waarvan beroep bevestigd. Door een administratieve omissie heeft het door de verdachte d.d. 14 maart 2022 om 10.00 uur verzonden e-mailbericht, inhoudende een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak, het hof eerst op 15 maart 2022 bereikt.
Indien het hof ter terechtzitting van 14 maart 2022 kennis had genomen van dit verzoek dan had het hof beslist tot toewijzing van het verzoek en tot aanhouding van de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd. Op grond van het vorenstaande zal het hof het dictum van het arrest van 14 maart 2022 verbeteren als hierna te melden.
HERSTELBESLISSING
Het hof:
Herstelt het dictum in voormeld arrest in dier voege dat dit als volgt komt te luiden:
Heropent en schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd.
Beveelt de oproepingvan de verdachte en zijn raadsman voor de nadere terechtzitting.
Steltde stukken daartoe in handen van de advocaat-generaal.”
(ix) Op 11 juni 2022 is aan de verdachte in persoon een oproeping voor de zitting van 9 september 2022 uitgereikt.
(x) Op 9 september 2022 is de verdachte door het hof (op tegenspraak) wegens overtreding van art. 9 lid 2 WVW Pro 1994 veroordeeld tot een taakstraf van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis.
(xi) Op 18 maart 2024 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. De akte houdt in dat het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 9 september 2022, alsmede tegen alle ter terechtzitting genomen beslissingen, onder parketnummer 22-001112-21 door het hof gewezen in de zaak tegen de verdachte. De daaraan gehechte bijzondere volmacht houdt echter in:
“Hierbij geef ik u, de griffiemedewerker, last en volmacht om namens mijn cliënt, [verdachte] , cassatie in te stellen tegen de beslissing d.d.
14 maart 2022, [4] gewezen door de enkelvoudige strafkamer van het Gerechtshof Den Haag, onder parketnummer 22-001112-21 (96-220131­20).”
2.3
Art. 432 Sv Pro luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
1. Het beroep in cassatie moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;
b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;
c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;
(…)
2.4
Als er – zoals in de schriftuur wordt betoogd – van moet worden uitgegaan dat het hof op 14 maart 2022 arrest heeft gewezen in de zaak tegen de verdachte en het cassatieberoep tegen die beslissing is gericht, geldt het volgende. In art. 432 lid Pro 1, aanhef en onder c, Sv is bepaald dat het cassatieberoep moet worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak als zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. Uit het hiervoor in randnummer 2.2 onder (vi) weergegeven e-mailbericht van de verdachte moet worden afgeleid dat de verdachte met de dag van de terechtzitting van het hof van 14 maart 2022 tevoren bekend was. Daarom had op grond van art. 432 lid Pro 1, aanhef en onder c, Sv het cassatieberoep moeten worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak van het hof van 14 maart 2022. Het beroep is echter pas ingesteld op 18 maart 2024. Dit betekent dat het cassatieberoep te laat is ingesteld en tot gevolg heeft dat de verdachte niet in het cassatieberoep kan worden ontvangen.
2.5
Als er overeenkomstig de akte cassatie van moet worden uitgegaan dat het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van 9 september 2022, geldt het volgende. In art. 432 lid Pro 1, aanhef en onder a, Sv is bepaald dat het cassatieberoep moet worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak als de dagvaarding om op de terechtzitting te verschijnen aan de verdachte in persoon is betekend. Blijkens de stukken is de dagvaarding om op de terechtzitting van het hof van 9 september 2022 te verschijnen op 11 juni 2022 aan de verdachte in persoon betekend. Daarom had op grond van art. 432 lid Pro 1, aanhef en onder a, Sv het cassatieberoep moeten worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak van het hof van 9 september 2022. Het beroep is echter pas ingesteld op 18 maart 2024. Dit betekent dat het cassatieberoep te laat is ingesteld. Dit heeft tot gevolg dat de verdachte niet in het cassatieberoep kan worden ontvangen. [5]

3.Slotsom

3.1
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Bij de stukken bevindt zich tevens een mededeling uitspraak van 30 maart 2022, waaruit kan worden afgeleid dat op 14 maart 2022 arrest is gewezen. Blijkens een herstelbeslissing van 15 maart 2022 is het dictum van dit arrest hersteld, in die zin dat dit luidt: “Heropent en schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd”. Ik kom hier op terug.
2.In het dossier bevindt zich geen document van het hof zelf waarin deze uitspraak is vastgelegd.
3.Ik zie in het dossier niet terug of en zo ja, hoe de verdachte in kennis is gesteld van deze herstelbeslissing.
4.Cursivering A-G VS.
5.Uit de vermelding ‘tegenspraak’ op de aantekening van het mondeling arrest kan worden afgeleid dat de verdachte of een gemachtigde raadsman/raadsvrouw ter terechtzitting aanwezig was. Mocht de verdachte ter terechtzitting aanwezig zijn geweest, dan zou dat betekenen dat hij ook via de band van art. 432 lid 1 aanhef Pro en onder b niet-ontvankelijk zou zijn in het cassatieberoep. Ook indien namens de verdachte een gemachtigde raadsman/raadsvrouw zou zijn verschenen, had het cassatieberoep binnen veertien dagen moeten worden ingesteld, vgl. bijv. HR 27 augustus 2024, ECLI:NL:HR:2024:1093.